-A +A

Begrip schadegeval - ontstaan van schade – schade is meer dan onherstelbaar gebrek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 27/06/2013

Voor de toepassing van de verzekeringswet wordt onder "ontstaan van het schadegeval",  "het ontstaan van de schade bedoeld". Het arrest dat het bestaan van schade afhankelijk stelt van de onherstelbare gebreken van het bouwwerk, schendt deze wetsbepaling.

art. 87, § 1, tweede lid Wet Landverzekeringsovereenkomst (overgenomen onder art. 151 §1 Verzekeringswet)


Het bestaan van de schade afhankelijk stellen van de onherstelbare gebreken van het bouwwerk schendt art. 78, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst (art. 142§2 Verzekeringswet en de daarin opgenomen regeling van de dekking na het einde van de overeenkomst.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
188
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.11.0562.F

D.D. t/ CVBA A.P. en NV A.I.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Bergen van 6 oktober 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens art. 87, § 1, tweede lid Wet Landverzekeringsovereenkomst kan de opzegging van de overeenkomst die vóór het ontstaan van het schadegeval is geschied, aan de benadeelde worden tegengeworpen.

Onder ontstaan van het schadegeval, in de zin van deze bepaling, wordt het ontstaan van de schade bedoeld.

Het arrest stelt vast dat “de aannemer [...], die op 26 juni 2000 failliet is verklaard, was belast met de bouw van een pand [...] voor rekening [van de eiser]”, dat “de architect voor die bouw een volledige architectenopdracht had ontvangen”, dat “de overeenkomsten nietig zijn verklaard omdat ze indruisten tegen de openbare orde” en dat “[de verweerster] de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de architect heeft gedekt [...] tot 28 mei 2000, d.i. de datum waarop de overeenkomst is beëindigd”.

Het arrest beslist dat niet is aangetoond dat “er vóór 26 juni 2000 onherstelbare gebreken waren die schade hebben veroorzaakt”.

Het arrest, dat het bestaan van schade afhankelijk stelt van de onherstelbare gebreken van het bouwwerk, schendt de voormelde wetsbepaling.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Vierde subonderdeel

Krachtens art. 1134 BW strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die ze hebben aangegaan tot wet.

Luidens art. 1165 BW brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval voorzien bij art. 1121.

Hoewel een derde, buiten het geval van een beding in zijn voordeel, niet de uitvoering, in zijn voordeel, van de verplichtingen uit een overeenkomst kan eisen, kan hij zich, in zijn verweer tegen de rechtsvordering die door een derde tegen hem is ingesteld, op grond van art. 1165 BW niet alleen beroepen op het bestaan van die overeenkomst, maar ook op de gevolgen die de voormelde overeenkomst tussen de contracterende partijen teweegbrengt.

Het arrest stelt vast dat de eiser een vordering tot schadevergoeding tegen de verweerster heeft ingesteld, dat “[laatstgenoemde] de burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid van de architect heeft gedekt [...] tot 28 mei 2000, d.i. de datum waarop de overeenkomst is beëindigd”, dat “de architect zich na die datum heeft gewend tot de vennootschap A.-C., wier overeenkomst is ingegaan op 8 augustus 2000 en geëindigd in 2002”, en dat “van het schadegeval aangifte is gedaan in een aan de [verweerster] gerichte brief van 12 september 2000”.

Het arrest wijst erop dat “de overeenkomst tussen de [verweerster] en [de architect] bepaalt” dat “ook de vorderingen tot vergoeding in aanmerking worden genomen die binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst zijn ingesteld [...] indien het risico bij het einde van die overeenkomst niet door een andere verzekeraar is gedekt”.

Uit art. 4 van de overeenkomst tussen de architect en de vennootschap A.-C., waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat “de polis de schade dekt die na de inwerkingtreding ervan is ontstaan maar betrekking heeft op vroegere opdrachten, op voorwaarde dat de werken, bij het ondertekenen van de polis, voorlopig zijn opgeleverd, met uitsluiting van de mogelijke opmerkingen”.

Het arrest, dat overweegt dat “art. 4 van de verzekeringspolis die [de architect] bij de vennootschap A.-C. heeft aangegaan, bepaalt [...] dat het vroegere risico gedekt is, onder bepaalde voorwaarden die het hof [van beroep] niet dient te beoordelen” en dat “slechts hoeft te worden vastgesteld dat het risico, d.w.z. de aansprakelijkheidsschuld van de architect, gedekt is”, om daaruit af te leiden dat “het beding van uitsluiting van de waarborg, dat is ingevoegd in de overeenkomst [tussen de verweerster en de architect], van toepassing is”, miskent de verbindende kracht van die polis en haar uitwerking ten aanzien van derden.

Het subonderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

Krachtens art. 78, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst kunnen de partijen overeenkomen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op de vorderingen tot vergoeding die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar tijdens de duur van de overeenkomst voor schade voorgevallen tijdens diezelfde duur en dat, in dat geval, ook de vorderingen tot vergoeding in aanmerking worden genomen die betrekking hebben op schade die zich tijdens de duur van deze overeenkomst heeft voorgedaan indien het risico bij het einde van deze overeenkomst niet door een andere verzekeraar is gedekt, op voorwaarde dat ze schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst.

Het arrest stelt vast dat “de overeenkomst tussen [de verweerster en de architect] bepaalt” dat “de vorderingen tot vergoeding in aanmerking worden genomen die zijn ingesteld binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst indien ze betrekking hebben op schade die zich tijdens de duur van de overeenkomst heeft voorgedaan en indien het “risico” tegen het einde van de overeenkomst niet door een andere verzekeraar is gedekt”.

Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel blijkt dat het arrest, dat het bestaan van de schade afhankelijk stelt van de onherstelbare gebreken van het bouwwerk en dat daaruit afleidt dat “de schade zich niet vóór 26 juni 2000 kan hebben voorgedaan”, zodat “noch [de eiser] noch de [tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] [...] aantonen dat [de verweerster] de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de architect moest dekken”, schendt de voormelde wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 27/09/2015 - 09:32
Laatst aangepast op: zo, 27/09/2015 - 09:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.