-A +A

Beginsel van de bestendigheid van de huwelijkse voorwaarden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 05/11/2015

Het huwelijksvermogensstelsel heeft een bestendig karakter dat in de regel in geen enkel opzicht mag worden gewijzigd. Het bedongen huwelijksstelsel bepaalt immers het statuut waardoor de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de echtgenoten onderling evenals hun vermogensverhoudingen tegenover derden worden geregeld. Verandering mag aldus geen synoniem zijn voor willekeur.

In die optiek is een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk slechts mogelijk indien men de procedure volgt zoals uitgetekend in de artt. 1394 e.v. BW. Alle andere overeenkomsten die het huwelijksvermogensstelsel wijzigen of vereffenen, zijn nietig wegens strijdigheid met het beginsel van de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden.

Bijgevolg kunnen in beginsel buiten het kader van de geijkte procedure tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel geen overeenkomsten worden gesloten die de samenstelling van de vermogens of de regels inzake vereffening-verdeling wijzigen. Zodoende kan een echtgenoot in principe tijdens het huwelijksvermogensstelsel bijvoorbeeld geen afstand doen van het recht op een vergoeding.

Het staat buiten kijf dat de uitzondering van de echtscheiding door onderlinge toestemming hier niet aan de orde is. Evenmin is hier sprake van een gedeeltelijk akkoord gesloten gedurende de echtscheidingsprocedure dat is bekrachtigd tijdens de procedure van vereffening-verdeling, zoals was bedoeld in art. 1257, derde lid Ger.W., hersteld bij de wet van 27 april 2007, maar intussen opnieuw opgeheven bij de wet van 2 juni 2010.

Het beginsel van de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden sluit echter niet uit dat de echtgenoten andere overeenkomsten buiten huwelijkscontract kunnen sluiten, ook al hebben die implicaties voor de werking van hun stelsel en de inhoudelijke samenstelling van de vermogens, zolang ze maar de regels van hun huwelijksvermogensstelsel naleven.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
585
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B. t/ V.

I. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. W.B. (hierna: «B.») en A.V. (hierna: «V.») zijn ex-echtgenoten. Zij hebben samen geen kinderen. V. heeft kinderen uit een vorige relatie.

De partijen huwen op 9 september 1982 onder een bij huwelijkscontract van 2 september 1982 bedongen gemeenschapsstelsel.

2. B. en V. zijn uit de echt gescheiden bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper van 16 juni 2010, waarbij de echtscheidingsrechter de gerechtelijke vereffening-verdeling van het gewezen huwelijksvermogen beveelt (...).

Het beschikkende gedeelte van het echtscheidingsvonnis werd omgeschreven in de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand te V. op 30 augustus 2010.

De procedure tot echtscheiding is ingesteld bij dagvaarding van 12 oktober 2009, zodat het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de echtgenoten van dan af is ontbonden (art. 1278, tweede lid Ger.W.).

3. In het proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 16 juni 2011 neemt de notaris-vereffenaar akte van een tussengeschil waaromtrent hij ook advies verleent.

Het bedoelde tussengeschil blokkeert naar het oordeel van de notaris-vereffenaar de verdere notariële werkzaamheden, zodat dienaangaande een voorafgaande rechterlijke uitspraak raadzaam is.

Het tussengeschil behelst de rechtsgeldigheid en de draagwijdte van een tussen de partijen op 27 januari 2005 gesloten onderhandse overeenkomst, die aan voormeld proces-verbaal wordt gehecht.

Volgens B. is deze overeenkomst van 27 januari 2005 nietig, aangezien het een overeenkomst tot vereffening-verdeling betreft die de ontbinding door echtscheiding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat.

Volgens V. hebben de partijen in de overeenkomst van 27 januari 2005 enkel de hoegrootheid van eigen goederen, met inbegrip van die vermeld in het huwelijkscontract in waarde (op dat ogenblik) definitief vastgesteld, zodat er van nietigheid geen sprake is.

In zijn advies licht de notaris-vereffenaar een en ander toe. Hij opteert voor de zienswijze van B. Die komt in essentie hierop neer dat de litigieuze overeenkomst van 27 januari 2005 een verrekening van vergoedingen behelst, wat, behalve in het raam van een echtscheiding door onderlinge toestemming of volgens de geijkte procedure van een wijziging van huwelijksvermogensstelsel, welke gevallen hier niet aan de orde zijn, niet kan tijdens de werking, maar pas na de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel.

II. Beroepen vonnis

1. Op 29 juni 2011 zendt de notaris-vereffenaar dit proces-verbaal tot opening van werkzaamheden, bevattende het bedoelde tussengeschil en notariële advies, aan de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper, naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. Beide partijen nemen conclusie in de lijn van hun voor de notaris-vereffenaar opgeworpen bezwaren.

B. beoogt dat de overeenkomst van 27 januari 2005 nietig wordt verklaard en zodoende uit de bewerkingen van de vereffening-verdeling wordt geweerd.

V. beoogt dat de overeenkomst van 27 januari 2005 rechtsgeldig wordt geacht, zodat met deze overeenkomst bij de hangende vereffening-verdeling rekening wordt gehouden.

Beide partijen willen, na de rechterlijke uitspraak, het dossier doen terugzenden aan de notaris-vereffenaar, naar analogie met het oude art. 1223 Ger.W.

3. Bij vonnis van 1 maart 2013 verklaart de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Ieper (impliciet) het door de notaris-vereffenaar naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W. aanhangig gemaakte tussengeschil ontvankelijk. De rechtbank verklaart de vordering van V. ontvankelijk en gegrond. De rechtbank zegt zodoende voor recht dat de op 27 januari 2005 tussen de partijen gesloten onderhandse overeenkomst rechtgeldig en van waarde is en de partijen tot wet strekt, zodat de notaris-vereffenaar met deze overeenkomst bij de werkzaamheden van vereffening-verdeling rekening dient te houden. De rechtbank zendt de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling, naar analogie met het oude art. 1223 Ger.W.

...

III. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 27 augustus 2013 stelt B. hoger beroep in tegen voormeld vonnis van 1 maart 2013. Met zijn hoger beroep beoogt B., met hervorming van het beroepen vonnis, de nietigverklaring van de litigieuze overeenkomst van 27 januari 2005 en de wering ervan uit de bewerkingen van vereffening-verdeling.

...

2. V. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, (...).

...

IV. Beoordeling

...

2. De ontvankelijkheid van het in eerste aanleg naar analogie met het oude art. 1219, § 2 Ger.W. aanhangig gemaakte tussengeschil staat niet ter discussie.

Het bedoelde tussengeschil is gevoerd overeenkomstig de oude artt. 1207 e.v. Ger.W., aangezien het aanwijzingsvonnis dateert van vóór 1 april 2012, dit is de datum van inwerkingtreding van de wet van 13 augustus 2011 «houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling» (vgl. evenwel: «Overgangsregeling voor de nieuwe wet aangaande de gerechtelijke vereffening-verdeling» in H. Casman en C. Declerck, De hervorming van de gerechtelijke vereffening-verdeling, Antwerpen, Intersentia, p. 134 e.v., nrs. 22 e.v., i.h.b. p. 146-147, nr. 40: de in het nieuwe art. 1216 Ger.W. aangaande de tussentijdse geschillen of moeilijkheden bedoelde procedure als zodanig zou evenwel kunnen dienen, ook ten aanzien van vóór 1 april 2012 bevolen gerechtelijke vereffening-verdelingen).

3. Zoals reeds aangegeven, behelst het tussengeschil de rechtsgeldigheid en de draagwijdte van een tussen de partijen op 27 januari 2005 gesloten onderhandse overeenkomst.

4. Het tussengeschil blokkeert de verdere notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling, zodat de notaris-vereffenaar het rechtmatig voorlegt aan de rechtbank.

5. In de litigieuze overeenkomst van 27 januari 2005 verklaren de partijen en komen zij overeen als volgt:

«Voorafgaandelijk verklaren zij gehuwd te zijn onder het wettelijk stelsel der gemeenschap blijkens contract verleden voor mr. V., destijds te Ieper op 2 december 1982.

«In hetzelfde contract staan eigen goederen vermeld van beide echtgenoten.

«Teneinde latere discussies omtrent terugnemingen en vergoedingen tussen hen of tussen één van hen en de erfgenamen van de andere of tussen erfgenamen van beide te voorkomen, verklaren zij op heden de hoegrootheid van ieders eigen goederen met inbegrip van die vermeld in het huwelijkscontract in waarde definitief vast te stellen.

«Van het totaal bedrag in waarde van alle roerende gelden en waarden die zij op heden samen bezitten onder welke vorm ook, verklaren zij dat er toekomt aan de h. B. als eigen goed de som van 16.550.000 BEF of 410.263,78 euro en aan mevr. V. als eigen goed de som van 11.455.000 BEF of 283.962,03 euro.

«Het restant van het totaal van gelden en waarden die zij op heden samen bezitten, verminderd met voornoemde bedragen aan eigen goederen, beschouwen zij, samen met de toekomstige vruchten, als gemeenschappelijk en toekomende aan elk voor de helft.

«Zij verklaren deze vaststelling in onderlinge overeenkomst te hebben gedaan na zorgvuldige opgave van alle elementen en gebeurtenissen, zoals het bezit van gelden en waarden van vóór het huwelijk of ontvangsten van erfenissen of verkoop van eigen goederen, en deze te aanvaarden.

«Deze definitieve opgave verbindt zowel zichzelf als hun erfgenamen en rechthebbenden.

«Gedaan te E., op 27 januari 2005.»

Het staat buiten kijf dat deze overeenkomst is opgesteld en ondertekend vóór de inleiding en (dan evident ook vóór) de uitspraak van de echtscheiding tussen partijen.

6. Met de eerste rechter stelt ook het hof vast dat de partijen het er terecht over eens zijn dat een verrekening van vergoedingen tijdens het huwelijksvermogensstelsel in de regel niet kan.

Krachtens art. 1430 BW kan de vereffening-verdeling in de regel de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel niet voorafgaan. Het huwelijksvermogensstelsel heeft nog steeds een bestendig karakter dat in de regel in geen enkel opzicht mag worden gewijzigd. Het bedongen huwelijksstelsel bepaalt immers het statuut waardoor de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen de echtgenoten onderling evenals hun vermogensverhoudingen tegenover derden worden geregeld. Verandering mag aldus geen synoniem zijn voor willekeur (H. Casman, Huwelijksvermogensrecht, II.5, 3). In die optiek is een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk slechts mogelijk indien men de procedure volgt zoals uitgetekend in de artt. 1394 e.v. BW. Alle andere overeenkomsten die het huwelijksvermogensstelsel wijzigen of vereffenen, zijn nietig wegens strijdigheid met het beginsel van de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden.

Bijgevolg kunnen in beginsel buiten het kader van de geijkte procedure tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel geen overeenkomsten worden gesloten die de samenstelling van de vermogens of de regels inzake vereffening-verdeling wijzigen. Zodoende kan een echtgenoot in principe tijdens het huwelijksvermogensstelsel bijvoorbeeld geen afstand doen van het recht op een vergoeding.

Het staat buiten kijf dat de uitzondering van de echtscheiding door onderlinge toestemming hier niet aan de orde is. Evenmin is hier sprake van een gedeeltelijk akkoord gesloten gedurende de echtscheidingsprocedure dat is bekrachtigd tijdens de procedure van vereffening-verdeling, zoals was bedoeld in art. 1257, derde lid Ger.W., hersteld bij de wet van 27 april 2007, maar intussen opnieuw opgeheven bij de wet van 2 juni 2010.

Het beginsel van de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden sluit echter niet uit dat de echtgenoten andere overeenkomsten buiten huwelijkscontract kunnen sluiten, ook al hebben die implicaties voor de werking van hun stelsel en de inhoudelijke samenstelling van de vermogens, zolang ze maar de regels van hun huwelijksvermogensstelsel naleven (W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 432, nr. 806).

7. V. voert aan dat de litigieuze overeenkomst van 27 januari 2005 zo een toegelaten «andere» overeenkomst is die wel implicaties heeft voor de werking en/of de samenstelling van het huwelijksvermogensstelsel, maar geen verdeling of vergoeding inhoudt.

8. Naar het oordeel van het hof is de overeenkomst van 27 januari 2005 duidelijk en behoeft zij geen interpretatie.

9. Met de notaris-vereffenaar en anders dan de eerste rechter volgt het hof de zienswijze van B. De overeenkomst van 27 januari 2005 doet, anders dan V. vooropstelt, meer dan louter de hoegrootheid van ieders eigen goederen, met inbegrip van die vermeld in het huwelijkscontract, in waarde definitief vaststellen. Door de bepalingen van deze overeenkomst verrekenen de partijen impliciet en onrechtstreeks reeds vergoedingen en/of sluiten zij (mogelijke) terugnemingen en vergoedingen bij de latere vereffening-verdeling na ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel uit.

Dat in deze overeenkomst van 27 januari 2005 ook het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden is geregeld en/of dat er geen spoor is van een nakende echtscheiding, doet daaraan geen afbreuk. Zoals reeds aangegeven, kan krachtens art. 1430 BW de vereffening-verdeling (in de regel) de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel niet voorafgaan. Een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel tijdens het huwelijk is slechts mogelijk indien men de procedure volgt zoals uitgetekend in de artt. 1394 e.v. BW. Dat deze procedure in casu niet is gevolgd, staat buiten kijf.

Alle andere overeenkomsten die het huwelijksvermogensstelsel wijzigen of vereffenen zijn nietig wegens strijdigheid met het beginsel van de bestendigheid van de huwelijksvoorwaarden. Anders dan V. wil voordoen, is de overeenkomst van 27 januari 2005 geen (in de aangehaalde rechtsleer, nl. W. Pintens e.a., Familiaal vermogensrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, p. 432, nr. 806, bedoelde) «andere» overeenkomst die de regels van hun huwelijksvermogensstelsel onaangeroerd laat. Bijgevolg is de overeenkomst van 27 januari 2005 nietig, zodat de notaris-vereffenaar er bij de bewerkingen van vereffening-verdeling geen rekening kan mee houden.

10. In die optiek moet het hof de argumenten pro en contra m.b.t. een mogelijke herroeping van een gebeurlijke verdoken of vermomde schenking in deze overeenkomst van 27 januari 2005 (of andere gebeurlijk ambtshalve op te werpen gronden tot nietigheid) niet beantwoorden, omdat dit niet tot een ander resultaat kan leiden.

Ook de loutere bewering van B. dat hij geen kennis had van het bestaan van deze overeenkomst, die blijkbaar door een notaris zou zijn opgesteld en die B. in voor hem ongekende omstandigheden zou hebben ondertekend, is niet dienstig.

11. Het hoger beroep slaagt. Het beroepen vonnis moet in die zin worden hervormd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 09:35
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 09:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.