-A +A

Bedrieglijk onvermogen door collectieve schuldenregeling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 20/06/2017
A.R.: 
P.16.0392.N

Het verlenen door de arbeidsrechtbank van een beschikking van toelaat-baarheid tot de collectieve schuldenregeling belet de strafrechter die op basis van de hem overgelegde gegevens moet oordelen of de betrokkene zich aan het mis-drijf van bedrieglijk onvermogen heeft schuldig gemaakt, evenwel niet te beslissen dat het indienen door de betrokkene van een verzoek om tot de collectieve schuldenregeling te worden toegelaten een omstandigheid is waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0392.N

D.E.M.D.L. en I.A.P.W. t/ Belgische Staat, minister van Financiën

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 februari 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de telastlegging A en het onderdeel iv van de telastlegging C en de eiseres II voor de telastlegging A en de onderdelen i, iv en vi van de telastlegging C. Het verklaart dat de appelrechters onbevoegd zijn om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiser I en van de verweerder tegen de eiseres II in zoverre gestoeld op de telastlegging A en de onderdelen i, iv en vi van de telastlegging C.
In zoverre ook gericht tegen die beslissingen zijn de cassatieberoepen van de ei-sers, voor elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering moet de partij die het cassatieberoep instelt, het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res II haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder.
In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eiseres II is haar cassatieberoep niet ontvankelijk.

4. Er is geen reden om de afstand te verlenen.

Middel

4. Het middel voert schending aan van art. 149 Gw. en de artt. 1675/2, 1675/6, 1675/7 en 1678/15 Ger.W.: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door, wat de telastlegging C, onderdeel vi, betreft, enerzijds vast te stellen dat er een nog niet bestreden beslissing van toelaatbaarheid van de arbeidsrechtbank bestaat, waarin impliciet besloten ligt dat de eiser niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkt en, anderzijds, te beslissen dat het aanvragen en verkrijgen van een dergelijke beslissing van toelaatbaarheid in de persoon van de eiser het bewerken van zijn onvermogen uitmaakt; door aldus te beslissen miskent het arrest bovendien de aard en de draagwijdte van de beslissing van toelaatbaarheid van eisers vordering tot collectieve schuldenregeling voor de arbeidsrechtbank en schendt het de voormelde wetsbepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.

5. Art. 490bis, tweede lid Sw. bepaalt dat de rechter het gegeven dat een schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, kan afleiden uit enige omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.

6. Uit de artt. 1675/2, eerste lid, en 1675/6 Ger.W. volgt dat de arbeidsrechtbank die een beschikking van toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling heeft verleend, op basis van de haar overgelegde stukken heeft onderzocht of de verzoeker kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd en van oordeel is dat dit niet het geval is.

7. Het verlenen door de arbeidsrechtbank van een beschikking van toelaatbaarheid tot de collectieve schuldenregeling belet de strafrechter die op basis van de hem overgelegde gegevens moet oordelen of de betrokkene zich aan het misdrijf van bedrieglijk onvermogen heeft schuldig gemaakt, evenwel niet te beslissen dat het indienen door de betrokkene van een verzoek om tot de collectieve schuldenregeling te worden toegelaten een omstandigheid is waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde wetsschending en is bijgevolg niet ontvankelijk.

...

Noot: 

 • B. De Smet, «Bedrieglijk onvermogen. Het strafrecht als druk op de ketel voor burgerlijke verplichtingen» in Het strafrecht bedreven. Liber Amicorum Alain De Nauw, Brugge, die Keure, 2011, (183) 184-185.

• C. De Roy, “Bedrieglijk onvermogen” in Comm.Straf., Mechelen, Kluwer, losbl., p. 8-9, nr. 23.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/05/2018 - 10:07
Laatst aangepast op: zo, 20/05/2018 - 10:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.