-A +A

Beding van aanwas met vervalbeding bij relatiebreuk is geldig

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
zat, 21/05/2016
A.R.: 
C.15.0457.N
Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-6
Pagina: 
316
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0457.N

R. V. R., handelend in eigen naam en in hoedanigheid van erfgenaam van de heer

P. V. R.,

eiseres,



tegen

I. P.,

verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 juni 2015.

II. FEITEN

Uit het arrest blijkt dat:

- de verweerster met haar toenmalige partner P. V. R. in 2000 een woning aan-kocht te M.;

- beiden dit pand aankochten in "onderverdeeldheid met een beding van aanwas voor het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de overledene, op voor-waarde van blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden";

- P. V. R. op 9 december 2009 is overleden;

- de verweerster op 17 februari 2011 de eiseres, dochter van P. V. R. en diens enige reservataire erfgenaam, heeft gedagvaard ten einde te horen zeggen voor recht dat zij het volledige vruchtgebruik heeft op het onroerend goed;

- de eiseres de nietigheid of niet-tegenwerpelijkheid van het beding van aanwas opwierp en de verdeling van de onverdeeldheden vorderde.

III. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 791 en 1130, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing voor de wijziging bij artikel 4 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot alsook, voor zoveel als nodig;

- de artikelen 791 en 1130, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals van toepassing na de wijziging bij artikel 4 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot;

- de artikelen 1388, eerste lid en 1600 van het Burgerlijk Wetboek;

- en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1170 en 1174 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het hoger beroep van de verweerster gedeeltelijk gegrond en oordelen dat het door de heer P. V. R. en de verweerster bedongen beding van aanwas voor wat het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de vooroverledene betreft niet nietig is als een verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap, en dat de verweerster derhalve vanaf 9 november 2009 vruchtgebruikster is van de woning op en met grond, gelegen te M., ..., gekadastreerd sectie C, nr. 74 W7 groot 177 m² . Deze beslissing steunt op de volgende motieven:

"De bestreden beslissing van de eerste rechter dat het beding van aanwas in zijn geheel nietig is als een overeenkomst over een niet opengevallen nalatenschap wordt niet bijgetreden.

Artikel 1130 Burgerlijk Wetboek luidt: "Toekomstige zaken kunnen het voorwerp van een verbintenis uitmaken. Men kan echter een nalatenschap die nog niet opengevallen is, niet verwerpen en evenmin omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft, tenzij in de gevallen bij wet bepaald.

Artikel 1174 Burgerlijk Wetboek luidt: "Iedere verbintenis is nietig, wanneer zij is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde van de zijde van degene die zich verbindt". Die wetsbepaling beoogt louter potestatieve opschortende voorwaarden.

Een overeenkomst over een toekomstige nalatenschap is elk beding waardoor louter eventuele rechten op een niet-opengevallen nalatenschap of een bestanddeel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

Als uitzondering op het algemene principe van de contractvrijheid is het verbod van erfovereenkomsten limitatief te interpreteren, wat impliceert dat aan alle elementen van de definitie moet voldaan zijn.

Het betrokken beding van aanwas brengt een doelvermogen tussen partijen tot stand betreffende een welbepaald onroerend goed, in casu het vruchtgebruik van de aangekochte woning in onverdeeldheid en heeft niet een toekomstig open te vallen nalatenschap tot voorwerp. In de akte leest men dat het aangekochte goed aan een beding van aanwas wordt onderworpen.

Dat elk van de contractanten eenzijdig een eind kan maken aan hun samenwoning heeft dus niet tot gevolg dat uit die overeenkomst enkel louter eventuele rechten ontstaan in een toekomstige nalatenschap. Het blijft een overeenkomst met betrekking tot een tegenwoordig voorwerp die ontsnapt aan het toepassingsgebied van artikel 1130 Burgerlijk Wetboek maar waaraan bijkomend een (nu ontbindende) voorwaarde van feitelijke scheiding gekoppeld is, die wel als potestatief maar niet als louter potestatief is te bestempelen, nu de eenzijdige wil niet op de verbintenis zelf inwerkt. Die voorwaarde ontsnapt aan artikel 1174 Burgerlijk Wetboek.

Ten overvloede moet naar redelijkheid worden aangenomen dat de beëindiging van de relatie, ook als ze tot stand kan komen door een eenzijdige beslissing van een van de partners, zodanige gevolgen op diverse vlakken heeft dat zij niet kan worden beschouwd als een louter potestatieve voorwaarde met het oog op het opzegbaar maken van het beding van aanwas (zie ook Antwerpen (3de kamer), 3 juni 2009, met noot M. Puelinckx-Coene, "Wordt het beding van aanwas tussen samenwonenden een verboden erfovereenkomst zo het buitenspel gezet wordt bij feitelijke scheiding" T. Not. 2011, afl. 10, 520-530).

De oorzaak van de overeenkomst van de contractanten is manifest gelegen in hun affectieve relatie en heeft als doel het goed samen te kunnen bewonen en beheren en elkaar rechten te garanderen bij het overlijden van één van hen. Die overeenkomst zou alleszins door de beëindiging van hun relatie om een andere reden dan het overlijden, geen bestaansreden meer hebben en een gewone onverdeeldheid doen ontstaan waarvan op grond van artikel 815 Burgerlijk Wetboek de verdeling kan worden gevorderd.

Zelfs bij afwezigheid van de aangevochten clausule "onder ontbindende voorwaarde dat beide kopers blijven samenwonen", zou het beding van aanwas daarom geen uitwerking krijgen bij feitelijke scheiding.

Het beding van aanwas is bijgevolg niet nietig als een verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap."

Grieven

Luidens artikel 1170 van het Burgerlijk Wetboek is een potestatieve voorwaarde die welke de uitvoering van de overeenkomst doet afhangen van een gebeurtenis die de ene of de andere van de contracterende partijen vermag te doen plaats hebben of te verhinderen.

Ingevolge artikel 1174 van het Burgerlijk Wetboek is elke verbintenis onder bezwarende titel nietig indien zij is aangegaan onder een louter potestatieve (opschortende) voorwaarde. De louter potestatieve (opschortende) voorwaarde onderscheidt zich van de gewoon potestatieve of gemengd potestatieve (opschortende) voorwaarde doordat haar verwezenlijking uitsluitend van de wil van de schuldenaar afhangt.

Anderzijds volgt uit de artikelen 791 en 1130, tweede lid, 1388, eerste lid en 1600 van het Burgerlijk Wetboek dat elk beding over een toekomstige nalatenschap verboden is. Een beding over een toekomstige nalatenschap onderstelt een beding waardoor louter eventuele rechten op een niet-opengevallen nalatenschap of een bestanddeel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

Aldus worden slechts louter eventuele rechten toegekend, gewijzigd of afgestaan, indien de toekenning van die rechten afhangt van een gebeurtenis die hij die zich verbindt of de rechten toekent, vermag te doen plaatshebben of te verhinderen, ook al zou diens eenzijdige wilsuiting daartoe niet volstaan. In dat geval heeft laatstgenoemde immers de mogelijkheid om eenzijdig op de overeenkomst terug te komen.

Het is met andere woorden niet vereist dat het beding is aangetast door een louter potestatieve voorwaarde, dat wil zeggen een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhangt van de wil van degene die zich verbindt of de rechten toekent. Een beding maakt eveneens een verboden beding over een toekomstige nalatenschap uit indien de toekenning van de rechten afhangt van het zich voordoen van een externe gebeurtenis waarop de wil van de bedinger vat heeft.

De appelrechters stellen vast dat verweerster en de heer P. V. R. op 8 juni 2001 een woning in onverdeeldheid hebben aangekocht, aangevuld met een beding van aanwas voor wat betreft het vruchtgebruik op de onverdeelde helft van de vooroverledene, zij het op voorwaarde van het blijvend samenwonen tot aan het vooroverlijden.

De appelrechters oordelen vervolgens dat de aldus aan het beding van aanwas verbonden (ontbindende) voorwaarde van feitelijke scheiding als potestatief, zij het weliswaar niet als louter potestatief, is te bestempelen.

De appelrechters stellen derhalve vast dat de rechten die verweerster en de heer Patrick Van Rickstal ingevolge het beding van aanwas over en weer aan elkaar hebben toegekend, afhangen van een (externe) gebeurtenis waarop de wil van degene die zich verbindt of de rechten toekent wel degelijk vat heeft.

Door niettemin te oordelen dat het kwestieuze beding van aanwas niet nietig is als een verboden overeenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap op grond van de overweging dat de uitvoering van dit beding slechts afhankelijk is van een potestatieve voorwaarde maar niet van een louter potestatieve voorwaarde, terwijl een beding eveneens een verboden beding over een toekomstige nalatenschap uitmaakt indien rechten op een bestanddeel van een niet-opengevallen nalatenschap worden toegekend, gewijzigd of afgestaan onder de voorwaarde van het zich voordoen van een (externe) gebeurtenis die hij die zich verbindt of de rechten toekent, vermag te doen plaatshebben of te verhinderen, schenden de appelrechters de artikelen 791 en 1130, tweede lid, 1388, eerste lid en 1600 van het Burgerlijk Wetboek alsook, voor zoveel als nodig, de artikelen 1170 en 1174 van het Burgerlijk Wetboek.

IV. BESLISSING VAN HET HOF

1. Krachtens artikel 1130, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kunnen toekomstige zaken het voorwerp van een verbintenis uitmaken. Het tweede lid bepaalt dat men een nalatenschap die nog niet is opengevallen, echter niet kan verwerpen noch omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft.

2. Een beding over een niet opengevallen nalatenschap is een beding waardoor louter eventuele rechten op een niet opengevallen nalatenschap of op een bestand-deel ervan worden toegekend, gewijzigd of afgestaan.

3. Een overeenkomst waarbij twee of meer partijen bepaalde goederen of rech-ten verwerven onder het beding dat de langstlevende eigenaar of houder wordt van het geheel der goederen of rechten, heeft geen eventuele rechten tot voorwerp en valt bijgevolg niet onder het verbod van artikel 1130, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. Dit is evenmin het geval wanneer een dergelijk beding van aanwas een vervalbeding of een ontbindende voorwaarde bevat voor het geval dat aan de sa-menwoning van de partijen een einde komt, aangezien de partijen tijdens de duur van het samenwonen definitief verbonden zijn.

De loutere omstandigheid dat het beding aldus een potestatief element bevat, heeft niet tot gevolg dat het onder het verbod van artikel 1130, tweede lid, valt.

Voormelde bedingen zijn te aanzien als ontbindende voorwaarden en vallen evenmin onder het verbod bedoeld in artikel 1174 Burgerlijk Wetboek.

4. De appelrechters die oordelen dat "het betrokken beding van aanwas een doelvermogen tussen partijen tot stand [brengt] betreffende een welbepaald on-roerend goed, in casu het vruchtgebruik van de aangekochte woning in onver-deeldheid en niet een toekomstig open te vallen nalatenschap tot voorwerp [heeft]", zodat "het ontsnapt aan het toepassingsgebied van artikel 1130 BW" en de voorwaarde van het blijvend samenwonen "ontsnapt aan artikel 1174 BW", verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 741,09 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,  en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2016 uitgesproken



 

Noot: 

A. De Boeck,  Zuiver potestatieve voorwaarden in het licht van de artikelen 1174 en 1178 BW: een blik op huidig en komend recht, TBBR 2018-6, 318, Jurabibliotheek.

• M. Van Quickenborne en J. Del Corral, Voorwaarde, Bijdragen in boek - In: X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IV. Commentaar Verbintenissenrecht, Titel I, Hfdst. 3, Afd. 1, 1-184 (184 p.) - juli 201, Voorwaardelijke verbintenis, algemeen, jurabibliotheek, Eveneens verschenen in: DEL CORRAL, J., Voorwaardelijke verbintenissen, Kluwer, Mechelen, 2014, 205 p.

• Rechtskundig Weekblad [RW] MICHIELS, Dirk; Noot 'Beding van aanwas tot einde relatie is rechtsgeldig' 2017-18, nr. 25, p. 978-983.

Tijdschrift voor Notarissen [T. Not.] SAGAERT, Vincent; Noot 'Groen licht voor aanwasbedingen die gekoppeld zijn aan de duurtijd van de relatie' 2017, nr. 1, p. 49-62.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/07/2018 - 10:00
Laatst aangepast op: di, 03/07/2018 - 10:00

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.