-A +A

Beëindiging latrelatie en verrijking zonder oorzaak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 19/01/2017

De loutere ontvagst van bedragen beijst niet het bestaan van een leningsovereenkomst.

Mensen die een relatie hebben zijn niet in de onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenissen die zij zijn aangegaan, 

De rechtsgrond van de verrijking zonder juridische oorzaak/rechtvaardiging kan subsidiair worden aangevoerd niet alleen daar waar een andere rechtsgrond ontbreekt maar evengoed daar waar een andere rechtsgrond (gebeurlijk bij gebrek aan bewijs) faalt.

De (prioritaire) aanvoering van een (uiteindelijk niet-bewezen) andere rechtsgrond (zoals de lening) impliceert als zodanig niet dat een (niet-bewezen) oorzaak wordt verbonden aan de vermogensverschuiving.

Het ontvangen van bedragen impliceert niet zo maar een verrijking zonder oorzaak. Vriendschap, vrijgevigheid en zelfs een verhoopte relatie vormen een juridische oorzaak.Een speculatief motief (verhoopte relatie) is een geldige oorzaak van een verbintenis.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Familierecht
Uitgever: 
kluwer
Jaargang: 
2017/7
Pagina: 
189
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

I. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 16 april 2015 in de zaak met AR nummer 14/1420/A wijst de D 31ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, de bij dagvaardingsexploot van 27 mei 2014 geïnitieerde vordering van D.C. af als ontvankelijk doch ongegrond. Deze vordering strekte er in essentie toe D.G. te doen veroordelen tot (terug)betaling van een bedrag van 8.336,58 euro dan wel 3.891,24 euro meer interesten en minus een aantal reeds gedane (terug)betalingen.

De rechtbank veroordeelt D.C. tot de nader begrote gedingkosten.

2. Blijkbaar is niet tot betekening van dit vonnis overgegaan.

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 17 juni 2015 stelt D.C. hoger beroep in.

Met zijn hoger beroep beoogt D.C., met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging ten gronde van zijn eerdere (dan wel in ondergeschikte orde tot 2.891,24 euro herleide) vordering, met veroordeling van D.G. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. D.G. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van D.C. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen. ( ... )

III. Beoordeling

( ... )

2. Ten gronde rijst de vraag of en, zo ja, in welke mate D.C. recht heeft op (verdere) terugbetaling door D.C. van een bedrag van 8.336,58 euro dan wel 2.891,24 euro meer interesten en minus een aantal reeds gedane terugbetalingen.

3. De in eerste aanleg nog gevorderde (doch afgewezen) afgifte van huissleutels (onder verbeurte van een dwangsom) is niet langer aan de orde.

4. De ingebrekestelling van 2 mei 2014 die D.C. uitstuurde en de navolgende procedure voor de eerste rechter zijn vergeefs gebleken.

S. D.C. en D.G. hadden (vanaf begin 2012) gedurende ongeveer twee jaar een vriendschapsrelatie en, wat betreft D.C., een verhoopte liefdesrelatie.

De relatie kwam ten einde in het voorjaar van 2014. D.G. zou op 1 mei 2014 het salon en de TV van D.C. 'op straat' hebben gezet, waarna deze laatste de bedoelde goederen is komen ophalen.

Het ging blijkbaar niet om een (feitelijke) samenwoningsrelatie (hoewel D.C. dit verhoopte). Niettemin vertoefde D.C. regelmatig in de woning van D.G., inzonderheid 's avonds na het werk. D.C. zou er systematisch hebben gedoucht, warm gegeten en getelefoneerd ...

Mogelijk vertoefde omgekeerd ook D.G. regelmatig/beperkt in de woning van D.C.

Hooguit lag een zogeheten latrelatie voor.

6. D.C. stelt in die context een resem aankopen en betalingen voor D.G. te hebben verricht. Aldus blijken (door D.C.) een aantal goederen (voor D.G.J te zijn aangekocht, zoals een bril en een personenvoertuig OPEL CORSA. Voorts blijken op kosten van D.C. een aantal aanpassingswerken aan de woning van D.G. te zijn doorgevoerd, zoals de installatie van een nieuwe boiler en de plaatsing van omheining. Tot slot blijken een aantal facturen voor de herstelling van bepaalde goederen van D.G., zoals een fiets en een grasmachine, door D.C. te zijn voldaan.

Volgens D.C. heeft hij een en ander voorgeschoten voor D.G., die tijdelijk met financiële problemen kampte. D.G. zou de door D.C. blootgestelde bedragen te gepasten tijde terugbetalen.

D.C. beroept zich inzonderheid op een lening dan wel (in ondergeschikte orde) op een verrijking zonder oorzaak.

7. D.G. erkent de gedane aankopen en betalingen doch kadert ze binnen de bedoelde relatie waarbij D.C. de liefde van D.G. wilde winnen.

Volgens D.G. ging het de facto om een tussenkomst/vergelding voor de zorgen van D.G. dan wel om giften.

Daar waar D.C. zich op een lening beroept, erkent D.G. de aankopen/betalingen door D.C. maar betwist zij de terugbetalingsverplichting.

Daar waar D.C. zich op een verrijking zonder oorzaak beroept, stelt D.G. daar tegenover dat weldegelijk een oorzaak voorlag, zijnde minstens de verhoopte liefdesrelatie met de bijhorende giften.

8. Punt is wel dat D.G. een aantal terugbetalingen aan D.C. heeft verricht en meer precies: (1) een bedrag van 1.000 euro op 3 juni 2013, (2) een bedrag van 100 euro op 18/23 april 2014, (3) een bedrag van 100 euro op 15/16 mei 2014 en (4) een bedrag van 2.100 euro op 14/18 augustus 2014.

Volgens D.G. betreft het terugbetalingen die verband houden met het door D.C. voor D.G. aangekochte personenvoertuig Opel Corsa. D.G. preciseert dat er, in tegenstelling tot de door D.C. beweerde ruimere afspraak, wel een beperkte afspraak was tot terugbetaling van het bedoelde personenvoertuig (middels afkortingen van 100 euro).

In die optiek zijn in alle geval de twee betalingen tussengekomen ten bedrage van telkens 100 euro, zo ook de slotbetaling ten bedrage van 2.100 euro met de mededeling 'zo nu ist autoke betaald'. De mededeling bij de betaling ten bedrage van 100 euro op 18/23 april 2014 geeft aan 'zo dus de 1 ste keer'.

Volgens D.C. tonen de reeds gedane betalingen net aan dat een alomvattende afspraak tot terugbetaling voorlag, zeker nu (1) de betaling van 15/16 mei 2014 zonder meer is tussengekomen na de ingebrekestelling van 2 mei 2014 en (2) de betaling van 14/18 augustus 2014 in samenspraak tussen D.G. en haar advocaat is tussengekomen na de dagvaarding van 27 mei 2014.

9. D.C. faalt in het bewijs dat een alomvattende lening dan wel (ruimere) afspraak tot terugbetaling voorlag (art. 1315, eerste lid BW).

Hij ontbeert een dienstig schriftelijk bewijs in de zin van de artikelen 1341 e.v. BW, terwijl de reeds gedane betalingen (met de mededelingen) in de gegeven dubieuze context evenmin als begin van schriftelijk bewijs (in de zin van art. 1347 BW) dan wel uitvoering van een alomvattende lening dan wel (ruimere) afspraak tot terugbetaling kunnen doorgaan.

Evenmin kan in de gegeven relatie een morele onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen (in de zin van art. 1348 BW) worden aangenomen (zie ook A. Verbeke, "Actualia lening en bewaargeving" in J. Herbots en A. Verbeke (eds.), Themiscahier bijzondere overeenkomsten, Brugge, die Keure, 2002, 35-36, nr. 6).

10. Blijkbaar was er wel een afspraak tot terugbetaling van het door D.C. voor D.G. aangekochte personenvoertuig Opel Corsa, waaraan D.G. uiteindelijk is tegemoetgekomen.

Of de betaling ten bedrage van 1.000 euro van 3 juni 2013 (met de mededeling 'dank je wel') eveneens hoort bij deze beperkte afspraak, is niet duidelijk. Mogelijk betreft het een op zich bestaande storting en terugstorting. Daar waar D.C. in eerste aanleg gewag maakte van een storting ten bedrage van 1.000 euro op een bankrekening van D.G., terwijl het bewijs van terugstorting niet voorlag, aanvaardt D.C. nu in hoger beroep nadrukkelijk dat de terugstorting is bewezen. Hoe dan ook blijkt dat met voormelde betalingen ten bedrage van 1.000 + 100 + 100 + 2.100 = 3.400 euro (ruimschoots) is voldaan aan de benodigde terugbetaling van het personenvoertuig, zelfs wanneer D.C. daarbij ook bepaalde extra kosten (zoals deze van een autokeuring en een autoverzekering) wil begrijpen.

De modaliteiten van de beperkte afspraak tot terugbetaling van het bedoelde personenvoertuig blijven overigens duister. D.C. bewijst sowieso niet dat D.G. hem meer dan voormeld bedrag van 3.400 euro diende terug te betalen.

11. Het hof wil nog aannemen dat de rechtsgrond van de verrijking zonder juridische oorzaak/rechtvaardiging (weliswaar subsidiair) kan worden aangevoerd niet alleen daar waar een andere rechtsgrond ontbreekt maar evengoed daar waar een andere rechtsgrond (gebeurlijk bij gebrek aan bewijs) faalt: de (prioritaire) aanvoering van een (uiteindelijk niet-bewezen) andere rechtsgrond (zoals de lening) impliceert als zodanig niet dat een (niet-bewezen) oorzaak wordt verbonden aan de vermogensverschuiving (Ch. Declerck en V. Allaerts, "Grondslag en waardering van vergoedingsrechten en schuldvorderingen tussen partners - Ontwikkelingen in 2011-2013" in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier Personen- en Familierecht, Brugge, die Keure, 2014, 75, nr. 19; E. Goossens, "Kroniek familiaal vermogensrecht (2011-12): Samenwoningsvermogensrecht" in W. Pintens en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, 50-51, nr. 75; B. Van den Bergh, "Het subsidiaire karakter van de verrijking zonder oorzaak bekeken vanuit procesrechtelijke bril: de contouren verfijnd?", noot onder Cass. 5 september 2013, RW 2015-16, 944, nr. 6; vgl. Cass. 5 juni 2015, RW 2016-17, 225; Antwerpen ZO mei 2015, RABG 2015, 1106; Antwerpen 15 maart 2016, T Not. 2016, 285).

De bedoelde subsidiaire rechtsgrond faalt in casu echter evenzeer.

Daar waar er, los van voormeld punt omtrent het bedoelde personenvoertuig, (1) verarming is aan de zijde van D.C., (2) verrijking aan de zijde van D.G. en (3) een oorzakelijk verband tussen de verrijking en de verarming, ligt in casu een juridische oorzaak/rechtvaardiging voor.

In de lijn met wat ook de eerste rechter aangeeft, is die oorzaak gelegen in de wil van D.C. om een definitieve vermogensverschuiving (zonder tegenprestatie) te laten plaatsvinden. D.C. handelde uit vrijgevigheid (animo donandi) dan wel enigszins uit eigenbelang en minstens met een speculatief (liefdes)oogmerk (J. Baeck, "Over het ongerechtvaardigd karakter van een ongerechtvaardigde verrijking" in W. Vanbiervliet (ed.), Algemeen verbintenissenrecht, Gent, Larcier, 2016, 103-106, ms. 17-22 en 110-111, ms. 26-27).

Het was in de geschetste context de bedoeling van D.C. als verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan D.G. als verrijkte. Deze wil van D.C. als verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit (vgl. Cass. 19 januari 2009, RW 2009-10, 1084, noot; Cass. 23 oktober 2014, TBBR 2015, noot J. Lambrechts; Gent 4 februari 2016, TNot. 2016, 295; J. Lambrechts, "De wil van de verarmde als rechtvaardiging voor vermogensverschuivingen inhoudelijk verduidelijkt", noot onder Cass. 23 oktober 2014, TBBR 2015, 561-562, nr. 3).

Een oorzaak voor de vermogensverschuiving ligt derhalve voor.

De beëindiging van de relatie (in niet meteen duidelijke omstandigheden) heeft deze oorzaak niet doen vervallen (zie ook Cass. 12 december 2008, RW 2008-09, 1690, noot R. Barbaix; R. Dekkers en H. Casman, Handboek burgerlijk recht, IV, Huwelijksstelsels - Erfrecht - Giften, Antwerpen, Intersentia, 2010, 560-560, nr. 845; M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, "Overzicht van rechtspraak (2009- 2011): Giften", TPR 2013, 333 e.v., ms. 195 e.v., inz. 345- 346, nr. 211).

Het door D.C. beweerde misbruik van zijn verhoopte liefde met uiteindelijk de 'dumping' blijft vaag en onbewezen.

12. Voormelde redengeving maakt dat de bedoelde vordering van D.C. in geen van de onderdelen slaagt.

Het hoger beroep faalt.

Het beroepen vonnis verdient bevestiging.

( ... )

 

Noot: 

Michelle Aerts, Vermogensverschuivingen binnen een latrelatie: over de subsidiariteit en de eigen wil van de verarmde bij verrijking zonder oorzaak, T. Fam, 2017/7, 191

V. LYSSENS-DANNEBOOM, 5. EGGERMONT en D. MORTELMANS, "Living Apart Together (LAT) and Law: Exploring Legal Expectations Among LAT lndividuals in Belqiurn'; Social & Legal Studies 2013, (357) 358.

 

Beëindiging van een feitelijke samenlevingsrelatie kan geen vermogensverschuivng zonder oorzaak veroorzaken. De betalingen tijdens de samenwoonst betreffen de uitvoering van een natuurlijke verbintenis (Hof van Beroep Antwerpen 21/01/2015, RW 2016-2017, 953).

M.V. t/ A.G.

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 december 2011 alsmede het verzoekschrift neergelegd op 2 januari 2012, waarmee hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het hoger beroep ingesteld door de heer M.V. (hierna: “de man”) tegen het vonnis van 14 december 2011 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen strekt ertoe, bij hervorming van dit bestreden vonnis, de oorspronkelijke zwarigheden ontvankelijk en gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling, zoals bevolen bij tussenvonnis van 10 juni 2009, volgende vergoeding dient te worden verrekend: een vergoeding van 58 622,50 euro in zijn voordeel en ten laste van mevrouw A.G. (hierna: “de vrouw”), die een vermogensverschuiving zonder oorzaak vormt van zijn vermogen naar het vermogen van de vrouw; ten slotte partijen opnieuw te verwijzen naar de notaris.

3. De vrouw concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Feiten en retroacten

4. De man en de vrouw hadden een feitelijke samenlevingsrelatie in de periode 2003-2008. De procedure, c.q. de onderscheiden vorderingen van de man kaderen in de nasleep van deze relatiebreuk.

Op dagvaarding van de man werd de vereffening-verdeling bevolen bij tussenvonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen van 10 juni 2009 (dat geen voorwerp uitmaakt van het hoger beroep) en werd notaris H. aangesteld als notaris-vereffenaar.

Gelet op de zwarigheden van 26 november 2010 tegen de staat van vereffening van 17 mei 2010 en het navolgende advies van de notaris-vereffenaar van 15 april 2011 werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, ingevolge de neerlegging van voornoemde stukken door de notaris-vereffenaar.

De man vordert in essentie een terugbetaling van de vrouw ten belope van een bedrag van 58 622,50 euro. Dit bedrag betreft o.a. de inpandgeving van een levensverzekering, waarvoor de man een eenmalige premie zou hebben betaald van 26 500 euro, daterend van bij het begin van de relatie (juni 2003) – dit tot zekerheid voor de hypothecaire lening aangegaan door de vrouw – naast een bedrag van 4 400 euro voor de overname van een personenwagen door de vrouw; ten slotte vordert de man nog een bedrag van 27 722,50 euro uit hoofde van een aantal andere zgn. “niet dagdagelijkse” uitgaven, betaald door storting van zijn rekening naar de rekening van de vrouw.

Volgens de man betreft deze vordering uitgaven die de normale lasten van de feitelijke samenwoning overschrijden. Het zou handelen over bedragen bovenop de bedragen die hij betaald heeft (meer dan 50 000 euro volgens de man) in het kader van de samenleving. Samenvattend stelt de man dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij, gespreid over de duur van de relatie, maandelijks ongeveer 1 700 euro zou hebben betaald; solidariteit in de feitelijke samenleving kent zijn financiële grenzen, aldus de man. De man voert aan dat het gaat om uitgaven uit hulpvaardigheid, die niet uit vrijgevigheid gebeurd zijn.

Deze vorderingen worden door de vrouw betwist.

In het hier bestreden vonnis werden alle vorderingen van de man afgewezen als ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep aangetekend.

Beoordeling

...

De grond van de zaak

6. In essentie baseert de man zich voor zijn vordering(en) op de rechtsfiguur van de verrijking zonder oorzaak.

7. Deze rechtsgrond wordt met een zekere argwaan onthaald in rechtspraak en rechtsleer, om welke reden deze dan ook slechts als ultiem (red)middel kan worden ingeroepen.

8. Zodra er een geldige oorzaak voorhanden is voor de verarming en bijgevolg een economische of zelfs loutere morele rechtvaardiging bestaat voor de vermogensverschuiving, moet de aanspraak van de aanleggende partij worden afgewezen.

De oorzaak van een vermogensverschuiving kan een contractuele, wettelijke of natuurlijke verbintenis zijn of zelfs de eigen wil van de verarmde. In dat verband dient nog beklemtoond te worden dat wanneer de verarmde speculeerde om een aleatoir resultaat te bereiken – dat uiteindelijk dan niet werd bereikt of gerealiseerd – of handelde uit eigen belang (waardoor een derde eventueel onrechtstreeks bevoordeeld werd) de vermogensverschuiving niet zonder oorzaak is (zie o.a. ook: H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, III, p. 54, nr. 40).

9. Men kan zich zelfs afvragen of de herstelvordering (actio de in rem verso) kan worden ingesteld in de rechtsverhouding tussen (gewezen) feitelijke samenlevers.

Het subsidiariteitsvereiste houdt in essentie immers in dat men op deze vordering geen beroep kan doen om de gevolgen van zijn eigen vergetelheid of nalatigheid te herstellen. Het criterium is niet of de verarmde over een alternatief en effectief middel beschikt, maar of hij hierover kon beschikken. Indien men ervoor kiest om, ter gelegenheid van het samenleven of minstens, ter gelegenheid van bepaalde vermogenstransfers, geen regeling te treffen op het vlak van terugbetaling van bepaalde investeringen of geldtransacties, kan men bezwaarlijk van de rechter verwachten om aan dit gegeven dat ofwel wijst op een bewuste keuze (de wetgever heeft immers voorzien in vermogensrechtelijke regeling voor gehuwden en in de mogelijkheid daartoe voor wettelijk samenwonenden) ofwel op een nalatigheid, nadien te remediëren. In de regel behartigt iedereen trouwens zijn eigen belangen.

In dat verband past een restrictieve interpretatie. Van (te) veel vermogensverschuivingen kan achteraf immers beweerd worden dat ze “onrechtvaardig” zijn. Best wordt vermeden dat dit leerstuk een eenvoudig middel wordt om kost wat kost de billijkheid en rechtvaardigheid te laten overheersen, zeker wanneer dit conflicteert met de (vermoede) wil van partijen of met door de wetgever genomen beleidskeuzes.

10. Naar het oordeel van het hof kan de rechtsgrond van de verrijking zonder oorzaak, zelfs los van de beschouwingen in vorig randnummer, geen soelaas bieden, aangezien de man handelde uit vrije wil, c.q. de bijdragen, waarvan de concrete en precieze bestemming trouwens ook ter betwisting staat (althans voor wat betreft de vorderingen ten bedrage van 4 400 euro – voor de beweerde financiering van de overname van een personenwagen door de vrouw – en ten bedrage van 27 722,50 euro, waarvan zelfs geen precieze finaliteit kan worden aangeduid door de man), in het kader van het samenleven heeft uitgevoerd.

10a. Specifiek voor wat de betaling van de premie voor de levensverzekering betreft, dient nog overwogen te worden dat:

– door de man geen exemplaar bijgebracht wordt van de bewuste levensverzekering, evenmin als van het contract van inpandgeving;

– niet is betwist dat de woning – waarvoor de vrouw een hypothecaire lening heeft aangegaan en ter gelegenheid waarvan de man een eenmalige premie betaalde voor een levensverzekering (zgn. tak 23-product) die als zekerheid zou dienen voor dit krediet – de bestemming gezinswoning had (gegeven het feit dat partijen aldaar ook effectief samengewoond hebben in de periode 2003-2008);

– de man kennelijk nooit enige specifieke vergoeding heeft betaald aan de vrouw voor zijn woongenot en kennelijk evenmin bijgedragen heeft in de betaling van de hypothecaire leningslasten;

– de betaling van een eenmalige premie (grondslag voor de verarming van de man) wel degelijk een oorzaak had, namelijk een contractuele verbintenis onderschreven door de man, aangezien uit de stukken blijkt dat de man zich bij notariële akte van 3 september 2003 verbonden had ten opzichte van de NV A.;

– er geen sprake is van een verrijking van de vrouw, aangezien de bedoelde geldtransfer niet aan de vrouw is ten goede gekomen, maar wel aan de verzekeraar, in de vorm van de eenmalige premiebetaling (zie betaling ten bedrage van 26.500 euro aan NV A. op 11 juni 2003);

– de inpandgeving uit haar aard slechts een zekerheidstelling betreft (tot waarborg van een hoofdschuld), waarbij in deze zaak ook niet aangetoond is dat er sprake is van effectieve aanspraken op de gestelde zekerheid door de bank (c.q. daadwerkelijke pandverzilvering), zodat de vraag rijst of de man (mede-)begunstigde van deze levensverzekering is.

10b. Voor wat de andere uitgaven betreft, moet worden opgemerkt dat:

– bij geen van de onderscheiden periodieke (en over verschillende jaren gespreide) stortingen door de man blijkbaar enig voorbehoud werd geformuleerd, in het vooruitzicht van een terugbetaling of verrekening;

– de eventuele ongelijkheid (die in deze zaak zelfs niet aangetoond is door de man) in de respectieve bijdragen in de lasten van de huishouding gevormd door de feitelijke samenwoning er niet noodzakelijk op wijst dat de bijdrageplicht van de financierende partner werd overschreden.

10c. Niet ten onrechte verwijst de vrouw naar de rechtsfiguur van de natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof staat immers ook bij feitelijke samenlevers de solidariteitsgedachte centraal. Het stichten van een gezin, ook al opteert men bewust voor een niet-wettelijke regeling of organisatie van de gezinskern, genereert minstens en alleszins de morele plicht om bij te dragen in de behoeften van het dagelijks leven die voortvloeien uit de feitelijke samenleving. Vandaar dat de uitgaven die vrijwillig zijn gedaan tijdens het feitelijke samenleven ten behoeve van het samenwonen gelden als de uitvoering van een natuurlijke verbintenis, zodat latere vergoedingsaanspraken uitgesloten zijn. De vrijwillige nakoming van een natuurlijke verbintenis kan immers op grond van art. 1235, tweede lid BW geen aanleiding geven tot teruggave.

Door retroactief een deel van de uitgevoerde engagementen uit het veronderstelde geheel van gemaakte afspraken binnen het koppel te lichten, dreigt bovendien ook de consensus die tussen de samenlevers bestond ten tijde van het samenwonen nadien te worden aangetast.

11. De man, die ook niet zonder belang handelde (gelet op het feit dat hij jarenlang een bestendig partnerschap had met de vrouw en met haar trouwens ook samenwoonde), diende bijgevolg het risico in te calculeren dat met een louter feitelijk buitenhuwelijks samenleven gepaard gaat. Indien hij dit risico niet wilde nemen diende hij zich ofwel te onthouden deze betalingen uit te voeren, ofwel duidelijke afspraken tot bewijs ervan vast te leggen in een akte, wat hij evenwel niet gedaan heeft.

12. Het hoger beroep is ongegrond in alle onderdelen.

...

• Hof van Beroep Gent, 4 februari 2016, RW 2017-2018, 1145

samenvatting

De wil van de verarmde kan een vermogensverschuiving rechtvaardigen en in die mate een vordering op grond van «verrijking zonder oorzaak» uitsluiten. Een dergelijke vordering staat immers slechts open indien er sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak.

Een oorzaak kan gelegen zijn in onder meer de gedraging van de verarmde, inzonderheid wanneer hij handelde uit vrijgevigheid (animus donandi) of uit eigenbelang.

Punt is echter dat het daarbij de bedoeling moet zijn van de verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan de verrijkte. Enkel de wil van de verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit.

Om die reden beklemtoont een recente stroming in de doctrine terecht (1) dat enkel een concrete beoordeling van de oorzaak bij de beweerde verrijking zonder oorzaak tegemoetkomt aan de behoeften van de praktijk en (2) dat een abstracte benadering in het huwelijks- en het samenwoningsvermogensrecht nooit tot recuperatie op grond van «verrijking zonder oorzaak» zou leiden, met de onbillijke gevolgen van dien.

Het mag daarbij duidelijk zijn dat de affectieve samenlevingsvorm tussen de verrijkte en de verarmde in se niet volstaat als oorzaak tot vermogensverschuiving. De loutere wil van de verarmde bij de vermogensverschuiving voldoet evenmin.

Enkel de definitieve wil om afstand te doen van de recuperatie voldoet. 

Tekst arrest

H. t/ W.

...

I. Relevante feitelijke procedurele elementen

1. H. en W. zijn gewezen feitelijke samenwoners met twee gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) dochters (...). Hun samenwoningsrelatie startte begin jaren ’90 en eindigde medio 2007.

2. Krachtens vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 20 december 2007 en 19 september 2011 fungeren op heden (1) notaris H. en notaris V. als notarissen-vereffenaars in de zin van het oude art. 1209, tweede lid Ger.W. en (2) notaris C. als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude art. 1209, derde lid Ger.W. met het oog op gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude artt. 1207 e.v. Ger.W.) van het onverdeelde vermogen H.-W.

Tot dit onverdeelde vermogen behoort inzonderheid een woning te L. Daarnaast bezitten de partijen elk 375 aandelen in de gezamenlijk opgerichte BVBA H. (op 5 mei 1995). De woning is gebouwd (eind jaren ’90) op een tijdens de feitelijke samenwoning (gezamenlijk) aangekochte (maar door H. exclusief betaalde) grond (op 17 juni 1996) en wordt tot op heden bewoond door H. H. is ook zaakvoerder van de BVBA H., die haar zetel heeft op het adres van de woning.

3. Bij voormeld vonnis van 20 december 2007 beveelt de rechtbank (met akkoord van de partijen) een deskundigenonderzoek met het oog op waardebepaling van de woning. Zij wijst daartoe landmeter-schatter P. aan als deskundige. In zijn voorverslag van 29 april 2008 en zijn eindverslag van 20 mei 2008 bepaalt de deskundige de venale waarde van de woning op 275.000 euro.

4. Na voorafgaande notariële werkzaamheden (...) komen de notarissen-vereffenaars tot een staat van vereffening-verdeling van 4 mei 2012.

Blijkens deze staat:

– is de deskundige, met akkoord van de partijen blijkens een aanvullend verslag van 16 juli 2010, tot een geactualiseerde schatting overgegaan ten bedrage van 320.000 euro;

– richten de notarissen-vereffenaars zich naar deze waarde, niettegenstaande de betwisting van H., terwijl een verdere actualisatie niet nodig wordt geacht;

– heeft H. recht op nominale recuperatie van W. van de helft van de door hem op 17 juni 1996 exclusief betaalde prijs, vermeerderd met de kosten voor de bouwgrond (35.933,29 euro) en meer precies 17.966,65 euro;

...

5. Blijkens de notariële akte van 28 juni 2012 formuleert H. een aantal bezwaren, inzonderheid omtrent: (1) de waarde van de woning; (...); (3) de volgens H. benodigde herwaardering van het te recupereren bedrag wegens de exclusief betaalde prijs + kosten voor de bouwgrond; (...)

W. formuleert geen bezwaren.

6. Bij akte van 11 oktober 2012 brengen de notarissen-vereffenaars advies uit. Zij handhaven hun staat van vereffening-verdeling van 4 mei 2012 (...), terwijl zij aangeven de beheersrekening deels in de lijn van het bezwaar (6) te zullen actualiseren.

II. Beroepen vonnis

1. Op 25 oktober 2012 leggen de notarissen-vereffenaars eensluidende afschriften van de benodigde notariële akten neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, en dit met toepassing van het oude art. 1219, § 2 Ger.W.

2. H. neemt conclusie in de lijn van zijn eerder aangebrachte en door de notarissen-vereffenaars verworpen bezwaren.

W. beoogt de homologatie van de (te actualiseren) staat van vereffening-verdeling.

3. Bij vonnis van 12 september 2013 (...) beoordeelt de rechtbank de bezwaren (...). De rechtbank bevestigt in essentie de zienswijze van de notarissen-vereffenaars.

...

III. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 december 2013 stelt H. hoger beroep in. Met zijn hoger beroep beoogt H., met hervorming van het beroepen vonnis (...) de inwilliging van zijn eerder aangebrachte en door de notarissen-vereffenaars en/of de eerste rechter verworpen bezwaren.

...

2. W. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep van H. Zij beaamt de zienswijze van de notarissen-vereffenaars. (...). Zij beoogt de homologatie van de (te actualiseren) staat van vereffening-verdeling. (...).

IV. Beoordeling

...

(3) Volgens H. benodigde herwaardering van het te recupereren bedrag wegens de exclusief betaalde de prijs, vermeerderd met de kosten van de bouwgrond

1. Zoals reeds aangegeven, is de woning te L. gebouwd eind jaren ’90 op een tijdens de feitelijke samenwoning gezamenlijk aangekochte grond. De aankoopakte dateert van 17 juni 1996.

Het staat buiten kijf dat H. op exclusieve wijze de prijs en (akte)kosten voor de bouwgrond ten bedrage van 35.933,29 euro heeft voldaan. H. wil dit bedrag (in globo) recupereren van W., met hetzij indexering, gelet op de stijging van de vastgoedmarktprijzen sinds 2010 tot het beoogde moment van verdeling (art. 890 BW), om zodoende te komen tot een bedrag van 43.500 euro, hetzij weerspiegeling van de door de deskundige in zijn voorverslag van 29 april 2008 en eindverslag van 20 mei 2008 bepaalde grondwaarde ten bedrage van 85.000 euro.

2. Zowel de notarissen-vereffenaars als de eerste rechter gaan in op het verzoek tot recuperatie van H., zonder daaromtrent een rechtsgrond uit te werken.

3. Het hof is van oordeel dat dienaangaande is voldaan aan alle voorwaarden van de rechtsgrond «verrijking zonder oorzaak», die meebrengt dat H. de ten behoeve van W. geïnvesteerde helft bij de aankoop van de bouwgrond kan recupereren. Anders dan H. beoogt, behelst het ten behoeve van W. geïnvesteerde bedrag niet het totaalbedrag van 35.933,29 euro, maar wel de helft en meer precies 17.966,65 euro. Er is immers (1) verarming aan de zijde van H.; (2) verrijking aan de zijde van W.; (3) een oorzakelijk verband tussen de verrijking en de verarming, terwijl (4) dienaangaande geen juridische oorzaak voorligt en (5) een andere rechtsgrond tot recuperatie ontbreekt.

Weliswaar kan worden aangenomen dat de wil van de verarmde (in casu H.) een vermogensverschuiving kan rechtvaardigen en in die mate een vordering op grond van «verrijking zonder oorzaak» kan uitsluiten. Een dergelijke vordering staat immers slechts open indien er sprake is van een vermogensverschuiving zonder oorzaak. Een oorzaak kan gelegen zijn in onder meer de gedraging van de verarmde, inzonderheid wanneer hij handelde uit vrijgevigheid (animus donandi) of uit eigenbelang. Punt is echter dat het daarbij de bedoeling moet zijn van de verarmde om de verrijking definitief te laten toekomen aan de verrijkte (Cass. 19 januari 2009, RW 2009-10 1084, noot; Cass. 23 oktober 2014, TBBR 2015, noot). Enkel de wil van de verarmde om een definitieve verrijking te creëren, sluit recuperatie uit.

Om die reden beklemtoont een recente stroming in de doctrine terecht (1) dat enkel een concrete beoordeling van de oorzaak bij de beweerde verrijking zonder oorzaak tegemoetkomt aan de behoeften van de praktijk en (2) dat een abstracte benadering in het huwelijks- en het samenwoningsvermogensrecht nooit tot recuperatie op grond van «verrijking zonder oorzaak» zou leiden, met de onbillijke gevolgen van dien (B. Gennart en L. Taymans, «La théorie de l’enrichissement sans cause appliquée au comptes entre ex-époux séparés de biens ou ex-concubins», RTDF 2007, p. 643, nr. 28 en p. 648, nr. 31; Y.-H. Leleu, Droit patrimonial des couples, Brussel, Larcier, 2015, p. 401, nr. 367 en p. 512-513, nr. 452). Het mag daarbij duidelijk zijn dat de affectieve samenlevingsvorm tussen de verrijkte en de verarmde in se niet volstaat als oorzaak tot vermogensverschuiving. De loutere wil van de verarmde bij de vermogensverschuiving voldoet evenmin. Enkel de definitieve wil om afstand te doen van de recuperatie voldoet. Welnu, een dergelijke definitieve wil blijkt in casu niet aan de zijde van H. als verarmde. Een oorzaak voor de vermogensverschuiving ontbreekt. H. heeft recht op recuperatie van voormelde helft ten bedrage van 17.966,65 euro.

4. De vraag rijst naar de al dan niet herwaardering. Hoewel art. 1435 BW aangaande de (te herwaarderen) vergoedingen tussen ex-echtgenoten met een gewezen gemeenschapsstelsel niet speelt ten aanzien van gewezen feitelijke samenwoners (vgl. Y.-H. Leleu, Droit patrimonial des couples, Brussel, Larcier, 2015, p. 404-405, nr. 368; Y.-H. Leleu, «La réévaluation des créances d’enrichissement sans cause entre ex-époux séparés de biens» (noot onder Cass. 27 september 2012), JT 2012, 763), moet worden aangenomen dat de vergoeding op grond van verrijking zonder oorzaak een waardeschuld betreft (Cass. 27 september 2012, T.Fam. 2013, 177, noot). Het gaat derhalve niet om een geldschuld, waarbij het in art. 1895 BW bedoelde nominalisme zou spelen (Ch. Declerck en V. Allaerts, «Grondslag en waardering van vergoedingsrechten en schuldvorderingen tussen partners: ontwikkelingen 2011-2013» in P. Senaeve e.a. (eds.), Themiscahier personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2014, p. 77-79, nrs. 26-28).

Anders dan de notarissen-vereffenaars en de eerste rechter is het hof om die reden voorts van oordeel dat het bedrag van de beoogde recuperatie op geactualiseerde wijze moet worden begroot (en derhalve niet volgens het nominale bedrag ten tijde van de vermogensverschuiving), zodat de meer- of minwaarde van het goed waarin werd geïnvesteerd mee in rekening moet worden gebracht.

5. Het hof volgt H. deels in zijn bezwaar, zodat hij de helft van voormeld bedrag van 85.000 euro en meer precies 42.500 euro kan recupereren.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 23/05/2018 - 14:18
Laatst aangepast op: wo, 23/05/2018 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.