-A +A

auteursrechten beheersmaatschappijen of beheersvennootschappen van auteursrechten hebben geen hoedanigheid om in rechte op te treden voor niet aangesloten leden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/01/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
711
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Cassatie ,1e Kamer – 16 januari 2009

samenvatting

Door samenlezing van de artikelen 65, 66 en 73 van de Auteurswet volgt dat beheersvennootschappen enkel in rechte kunnen optreden met het oog op de verdediging van de rechten van de bij hen aangesloten rechthebbenden voor wier rekening en op wier verzoek zij overeenkomstig hun statuten de rechten beheren. Zij zijn niet bevoegd om in rechte vergoeding te vorderen voor bij hen niet aangesloten leden, niettegenstaande elk andersluidend beding in hun statuten.

tekst van het arrest

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Krachtens art. 65, eerste lid en tweede lid, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zijn de bepalingen van hoofdstuk VII van toepassing op al wie de bij deze wet erkende rechten int of verdeelt voor rekening van verschillende rechthebbenden en moet het beheer worden waargenomen door een vennootschap die op regelmatige wijze is opgericht in een van de landen van de Europese Unie, waar zij op geoorloofde wijze als vennootschap voor de inning en de verdeling van die rechten werkzaam is.

Krachtens art. 66, eerste lid, van die wet heeft de vennootschap de plicht de rechten te beheren die door deze wet worden erkend wanneer de rechthebbende daarom verzoekt en dat verzoek overeenstemt met de doelstelling en de statuten van de vennootschap.

Krachtens art. 66, derde lid, van die wet kunnen de statuten, niettegenstaande enig andersluidend beding, een rechthebbende niet beletten om het beheer van een of meer categorieën van werken of prestaties van zijn repertoire toe te vertrouwen aan de vennootschap van zijn keuze of om het beheer zelf uit te oefenen.

Krachtens art. 73 van die wet zijn de vennootschappen bevoegd om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de rechten die zij krachtens de statuten beheren.

2. Uit het geheel van deze wettelijke bepalingen volgt dat de vennootschappen voor het beheer van de rechten bevoegd zijn om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de rechten van de bij hen aangesloten rechthebbenden voor wier rekening en op wier verzoek zij overeenkomstig hun statuten de rechten beheren, maar dat dezelfde vennootschappen, niettegenstaande enig andersluidend beding in de statuten, daarentegen niet bevoegd zijn om in rechte vergoeding te vorderen voor bij hen niet aangesloten rechthebbenden.

3. De appelrechter oordeelt dat:

– het tot het maatschappelijk doel van de verweerster behoort de naleving van de auteursrechten van de bij haar aangesloten leden, alsmede, zoals in het voorliggende geval, van de auteursrechten van fotografen in het algemeen te verzekeren;

– uit het document betreffende het nazicht dat de verweerster heeft verricht, blijkt dat ze de herkomst van een deel van de foto‘s heeft kunnen traceren, maar dat voor de meerderheid het auteurschap een open vraag blijft;

– de BVBA I.S., die aangesloten is bij de verweerster, en de Federale Voorlichtingsdienst zich tot dusver als enige hebben aangemeld als rechthebbende van negen foto‘s;

– in het voorliggende geval honderden foto‘s zijn gereproduceerd zonder de instemming van de auteurs en zonder naamvermelding, zodat de inbreuk een substantiële omvang heeft;

– rekening houdend met de aard en de omvang van de inbreuk enerzijds en met de bijzonderheden van het geval anderzijds een globale billijke vergoeding van 12.500 euro wegens gederfde reproductierechten gepast voorkomt;

– de toewijzing van deze vergoeding onlosmakelijk verbonden is met de door de verweerster aangeboden borgstelling ter vrijwaring van de eisers tegen aanspraken die rechthebbenden van de auteursrechten op deze foto‘s nog tegen de eisers zouden kunnen formuleren;

– aan de verweerster de door haar gevorderde symbolische vergoeding van één euro wegens aantasting van de morele rechten van de auteurs dient te worden toegekend, hoewel zij geen concrete schending van de rechten van een auteur aanvoert.

4. De appelrechter, die aldus oordeelt, schendt de artikelen 65, 66 en 73 van de wet van 30 juni 1994.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Zie ook de NOOT onder dit arrest zoals gepubliceerd in het RW 2009-2010, 711 – lees de bijdrage van Janssens via deze link met het paswoord van RW Beheersvennootschappen en hun bevoegdheden ten aanzien van niet-aangesloten leden

 

SABAM

zie in zelfde zin Hof van Beroep Gent 28 september 2009, RABG 2009/10 waarbij geoordeeld werd dat SABAM geen rechten kon doen gelden ten aanzie van artiesten waarva zij de aansluiting niet kon bewijzen.

 

I. Bestreden beslissing – Rechtspleging in hoger beroep

1.Bestreden beslissing:

het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk (06/2206/A) van 19 juni2007.

2.Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 17 oktober 2007.

Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd.

Het hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen.

De procedure gebeurde op tegenspraak.

Op 27 augustus 2009, dit is bijna twee en een halve maand na de sluiting van de debatten en het in beraad nemen van de zaak op 15 juni 2009 schrijft X een briefaan het hof met “informatie” en een stukkenbundel.

Er is geen verzoek tot heropening der debatten bijgevoegd. Dit is evenmin uit de brief af te leiden.

Gelet op de laattijdigheid van de neerlegging van de stukken en de brief, worden deze uit de debatten geweerd en niet gebruikt in het beraad.

II. Overblijvende betwisting – Feiten – Procedure in eerste aanleg.

4.De overblijvende betwisting betreft of de heer M. al dan niet auteursrechten verschuldigd is aan Sabam.

5.Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de eerste rechter, die het juist bevindt en bijtreedt. Voor een goed begrip van wat volgt, herhaalt het hof de volgende feiten.
Uit de stukken 7, 9 en 10 van het dossier van Sabam blijkt dat X zelf onder meer op 19 augustus 2006 te Waregem een zogeheten Gothic muziekfestival georganiseerd heeft.

Soms gebruikt hij de naam P.M. Er zou ook een VZW bestaan met deze naam, maar uit de stukken blijkt niet naar genoegen van recht dat deze de organisator is.

Sabam heeft X op voorhand per aangetekende brief gevraagd in overeenstemming met de wet de nodige formaliteiten m.b.t. de voorafgaande toestemming te vervullen
(stuk 7 van het dossier van Sabam). X heeft dit schriftelijk geweigerd (stuk 9 van hetzelfde dossier).

X is van oordeel dat hij geen auteursrechten aan Sabam verschuldigd is, en deelt het repertoire niet mee. Hij weigert elke medewerking en belemmert zelfs de controleurs in hun werking.

Een deurwaarder, hoewel enigszins belemmerd door X in haar vaststellingen, stelt tijdens het genoemde festival vast dat er minstens vijf groepen aanwezig waren, die muziek zouden hebben uitgevoerd waarvan de rechten zouden beschermd zijn door Sacem (Franse auteursvereniging) en Gema (Duitse tegenhanger).

6.De eerste rechter oordeelde dat X auteursrechten verschuldigd was en veroordeelde hem om een bedrag van 2.843,87 EUR te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 5 december 2006 tot de dag van uiteindelijke betaling.

III. Grieven – Voorwerp van het hoger beroep

7.X werpt de volgende grieven op:

1) De eerste rechter keerde de bewijslast om. Het is Sabam die moet bewijzen dat het gerechtigd is op te treden voor rekening van de uitsluitend buitenlandse artiesten op het bewuste festival. Het is niet de heer M. die moet bewijzen dat zij niet aangesloten waren bij buitenlandse verenigingen waarmee Sabam een overeenkomst heeft.
De wederkerigheidscontracten met buitenlandse verenigingen waarnaar Sabam verwijst als bewijs van haar rechtsgrond tot innen, verlenen een niet-exclusief recht aan
Sabam, zodat X het recht behield auteurs en uitvoerders rechtstreeks zelf te vergoeden.

2) Ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat X te kwader trouw handelde en de vaststellingen, nodig voor het bepalen van de rechten, belemmerde.

3) Ten onrechte besliste de eerste rechter zonder meer dat de Franse artiest Olivier Tarabo bij Sacem aangesloten is (was).

4) Ten onrechte oordeelde de eerste rechter dat Sabam haar positie niet misbruikt.

5) De tegenvordering tot terugbetaling van vroeger betaalde auteursrechten ten belope van 1.498,05 EUR werd ten onrechte verworpen.X vordert dan ook dat de eis van SABAM “ontoelaatbaar en ongegrond” zou verklaard worden. Verder vordert hij dat zijn tegeneis tot terugbetaling van de eerder betaalde auteursrechten gegrond zou verklaard worden.
 

8. Sabam tekent incidenteel beroep aan voor het bedrag van de veroordeling. Zij vordertde som van 4.490,03 EUR.Met betrekking tot het hoofdberoep vraagt zij de afwijzing als ongegrond.

IV. Beoordeling

Wettelijke basis voor de vordering van Sabam

9.De bepalingen voor de beslechting van dit geschil zijn opgenomen in “Hoofdstuk VII. Vennootschappen voor het beheer van de rechten” van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, zoals achteraf gewijzigd (hierna “de Auteurswet”). Zij bevatten het wettelijk kader op grond waarvan en waarbinnen
Sabam in rechte kan optreden voor het innen van een vergoeding voor het reproductierecht bij een muziekfestival als het betwiste festival in deze zaak.

Art. 65 “De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op al wie de bij deze wet erkende rechten int of verdeelt voor rekening van verschillende rechthebbenden.

Het beheer moet worden waargenomen door een vennootschap die op regelmatige wijze is opgericht in een van de landen van de Europese Unie, waar zij op geoorloofde wijze als vennootschap voor de inning of de verdeling van die rechten werkzaam is.

De vennoten moeten de hoedanigheid bezitten van auteur, uitvoerend kunstenaar,producent van geluidswerken of audiovisuele werken, uitgever, of van rechtverkrijgende van de voormelde personen.

Is de vennootschap gevestigd in een land dat geen lid is van de Europese Unie, dan moet zij haar werkzaamheden in België verrichten via een vennootschap of een instelling die in een land van de Europese Unie op regelmatige wijze is opgericht en waarvan degene die met het beheer is belast, voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 198 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.”

Art. 66 “De vennootschap heeft de plicht de rechten te beheren die door deze wet worden erkend wanneer de rechthebbende daarom verzoekt en dat verzoek overeenstemtmet de doelstelling en de statuten van de vennootschap.

De statuten van de vennootschappen mogen in geen geval het recht beperken van de personen die zij vertegenwoordigen om vertegenwoordigd te zijn in de organen van de vennootschap.

Niettegenstaande enig andersluidend beding, kunnen de statuten, reglementen of overeenkomsten van de vennootschappen een rechthebbende niet beletten om het beheer van een of meer categorieën van werken of prestaties van zijn repertoire toe te vertrouwen aan de vennootschap van zijn keuze of om het beheer zelf uit te oefenen.

In geval van terugtrekking, en onverminderd de rechtshandelingen die voordien door zijn vennootschap zijn verricht, moet de rechthebbende een toereikende opzeggingstermijn in acht nemen.

De vennootschappen zijn verplicht ter plaatse inzage te verlenen van de repertoires waarvan zij het beheer waarnemen.”

Art. 67 “Om op het nationale grondgebied werkzaam te kunnen zijn, moeten de in artikel 65 bedoelde vennootschappen een vergunning bezitten van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht.

Een koninklijk besluit bepaalt op welke wijze de vergunningen moeten worden aangevraagd en onder welke voorwaarden zij verkregen kunnen worden.

De minister kan een vergunning intrekken wanneer de vennootschap niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning of wanneer zij zware of herhaalde overtredingen van de bepalingen van deze wet begaat of heeft begaan.Het weigeren en het intrekken van de vergunning moeten met redenen worden
omkleed.

De intrekking heeft gevolg na verloop van twee jaar te rekenen van de kennisgeving van de intrekking. De intrekking van de vergunning geldt als ontbinding van de toetredingsovereenkomst of van de overeenkomst waarbij de leden aan de vennootschap machtiging hebben verleend.

Elke toekenning en elke intrekking van een vergunning moet in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.”

Art. 73 “De vennootschappen zijn bevoegd om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de rechten die zij krachtens de statuten beheren.”
 

Art. 74 “Het bewijs van een opvoering, uitvoering, reproductie of enige andere exploitatie, alsook het bewijs van een onjuiste verklaring over de opgevoerde, uitgevoerde of
gereproduceerde werken of over de ontvangsten kan niet alleen door de processen-verbaal van de officieren of de agenten van de gerechtelijke politie worden geleverd, maar ook door de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder of tot het tegendeel bewezen is van een door beheersvennootschappen aangewezen persoon die
erkend is door de minister bevoegd voor het auteursrecht en beëdigd is overeenkomstig artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek.”
(…)

11.Sabam legt haar statuten neer (stuk 20 van haar dossier). X betwist de geldigheid van deze statuten niet, net zo min als er discussie is om de eventuele rechtsgeldige vergunning van Sabam. Er mag dan ook aangenomen worden dat Sabam in de wettelijke voorwaarden is om de rechten van haar leden-vennoten te innen.

12.Op grond van artikel 66 van de Auteurswet en op grond van artikel 870 Ger.W. heeft Sabam de plicht te bewijzen dat de voorwaarden voor haar vordering vervuld zijn.
De bewijslast berust bij haar. Welnu, Sabam brengt het bewijs niet bij dat de vijf groepen, waarvan met zekerheid vaststaat dat zij opgetreden hebben op het bewuste  othic festival, of minstens dat  muziek van deze vijf groepen is gespeeld, haar verzocht hebben hun rechten te beheren Integendeel, X maakt aannemelijk voor twee groepen dat zij dit beheer niet wensten (zie de niet betwiste citaten op de pagina’s 10 en 11 van de conclusie van X). Op grond van het derde lid van artikel 66 van de eurswet, kan een auteur steeds het beheer van zijn rechten zelf uitoefenen.

Het loutere bestaan van akkoorden tussen Sabam en analoge Duitse en Franse auteursverenigingen is niet voldoende om te bewijzen dat aan Sabam het beheer van de rechten van de groepen werd toevertrouwd. Sabam moet nog steeds aantonen dat de muziekgroepen waarvoor zij vergoedingen voor de reproductie wil innen, bij deze buitenlandse verenigingen aangesloten zijn en deze verzocht hebben hun rechten te beheren. Dit bewijs ontbreekt. Het is niet voldoende dat zij in haar syntheseconclusie
(op p. 5) schrijft: “De gespeelde muziek is wel speciaal doch belet niet dat de auteurs aangesloten zijn voor hun auteursrechten bij zusterorganisaties in andere landen.”.

Ook wat Sabam op pagina 15 van haar syntheseconclusie schrijft, vormt geen bewijs, maar blijft bij een bewering.

Het is evenmin een voldoende bewijs te schrijven: “Dat bij onderzoek heel duidelijk lijkt dat voor verschillende groepen met zekerheld kan gesteld worden dat de componisten aangesloten zijn bij een auteursvereniging waarmede Sabam een wederkerigheidsovereenkomst heeft en dat zij dan recht zullen hebben op auteursrechten
naar gelang de frequentie dat hun repertorium wordt gebruikt (kan natuurlijk door zichzelf gebeuren of met een groep).” (p. 7 van de syntheseconclusie van Sabam).

Sabam moet minstens de stukken van dat “onderzoek” bijbrengen, zodat de tegenpartij en het hof deze kunnen beoordelen.

Sabam werpt op dat er tienduizenden auteurs bij haar aangesloten zijn, met nog veel meer beschermde werken en die lijst bezwaarlijk elke dag meegedeeld kan worden aan alle potentiële organisatoren. Dit is geen rechtsgeldig verweermiddel of argument.

Zij blijft degene die moet bewijzen dat een auteur haar het beheer van zijn rechten heeft toevertrouwd, vooraleer zij van een organisator vergoedingen kan vragen.

Nu daarover betwisting bestaat, moet zij dit bewijs leveren.

Sabam brengt ten slotte de wettelijke basis niet bij op grond waarvan telkens voorafgaand aan een muziekfestival een “voorafgaandelijke aanvraag tot toelating” (p. 5
van de syntheseconclusie van Sabam) zou moeten worden ingediend. Deze voorafgaandelijke aanvraag tot toelating lijkt aldus een praktische werkwijze te vormen
voor Sabam, voor het beheer van de aangesloten auteurs. Dit is evenwel iets anders
dan een juridisch afdwingbare wettelijke verplichting.

Het feit dat Sabam met alle middelen van recht, vermoedens en getuigenissen inbegrepen, het bewijs zou mogen leveren van het feit dat bepaalde muziek daadwerkelijk
gespeeld wordt, is niet relevant, gelet op het voorgaande. Het gaat hier om het bewijs van een opdracht aan de auteursvereniging.

13.De vraag rijst wat de invloed is van het feit dat X op het festival van augustus 2006 vaststellingen door Sabam heeft verhinderd. Nu de wet hiervoor geen sanctie bepaalt, nu het festival op een privéterrein doorging, waarop de uitbater in beginsel niet verplicht is toegang te verlenen en nu Sabam niet de tussenkomst van het publiek gezag evorderd had, blijft dit gedrag zonder sanctie.

Het feit dat X dreigende taal gebruikt, vormt geen rechtsgrond voor het innen van vergoedingen voor auteursrechten en kan desgevallend met de gepaste vordering bestreden worden.

14.Op grond van het voorgaande besluit het hof dat Sabam faalt in haar bewijslast. Het is om die reden niet relevant de overige middelen en argumenten van partijen te onderzoeken en te beoordelen.

Om die redenen is de oorspronkelijke vordering ongegrond.
Het beroep is gegrond in dit onderdeel. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd.

De oorspronkelijke tegenvordering van X15.X brengt geen enkel bewijs bij met betrekking tot de betaling die hij zou verrichthebben aan Sabam. Het hof kan niet nagaan of er werkelijk betaald is, om welke evenementen het zou gegaan zijn en welke artiesten zouden betrokken zijn. X heeft nochtans ruim de gelegenheid gehad zijn dossier samen te stellen en neer te leggen.

Bij gebrek aan voldoende bewijs moet de tegenvordering afgewezen worden als ongegrond. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd, zij het met een andere motivering.

Kosten

15.Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt Sabam tot betaling van de kosten voor de oorspronkelijke hoofdvordering veroordeeld.X wordt veroordeeld tot betaling van de kosten voor zijn oorspronkelijke tegenvordering.

De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt 900 EUR.
De basisvergoeding voor de tegenvordering bedraagt 400 EUR.
Het incidenteel hoger beroep wordt niet apart vergoed, nu het in het verweer tegen het principaal beroep kadert.

OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar enkel het principaal hoger beroep is gegrond in de volgende mate;

Het hof:
– hervormt het bestreden vonnis, behalve voor zover het de vorderingen toelaatbaar verklaarde, de oorspronkelijke tegenvordering ongegrond verklaarde en de kosten bepaalde;
– doet gedeeltelijk opnieuw recht en verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering ongegrond;
– verwerpt het principaal hoger beroep voor het overige als ongegrond;
– verwerpt het incidenteel hoger beroep als ongegrond;
(…)

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 22/12/2009 - 21:20
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.