-A +A

art. 19 gerechtelijk wetboek laat geen verkapte vordering ten gronde toe bij wijze van voorlopige maatregel

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 18/02/2015

Zonder gebonden te zijn door het zgn. urgentievereiste van het kort geding, kan de rechter ten gronde dezelfde voorlopige maatregelen nemen als eerstgenoemde. Vanzelfsprekend zal voor het inwilligen van een verzoek daartoe wel aangetoond moeten worden dat de toestand van de partij zo’n tussentijdse en voorlopige beslissing vereist. In feite moet een specifiek belang worden aangetoond bij het nemen van een dergelijke maatregel.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1225
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

K. t/ M.

...

Procedure

1. Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het verzoekschrift art. 19, tweede lid Ger.W., neergelegd op 10 december 2014, waarmee onderhavige procedure werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2. Het verzoek van de heer K.K. (hierna: “de man ”) strekt ertoe de maandelijkse onderhoudsbijdrage per kind, waartoe hij werd veroordeeld door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren bij beschikking van 14 mei 2012 ten aanzien van zijn ex-echtgenote mevrouw A.M. (hierna: “de vrouw ”), voorlopig te herleiden tot 50 euro per maand.

Feiten en retro-acten

3. Partijen zijn gehuwd te (...) op 2 september 1995, onder het stelsel van scheiding van goederen, ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris (...) te Antwerpen op 31 augustus 1995.

Zij hebben drie kinderen: P., geboren in 1997, T. in 1999 en D. in 2003.

Er kwamen echtelijke moeilijkheden en sedert 17 september 2011 leven partijen feitelijk gescheiden.

Op 21 december 2011 bracht de man een dagvaarding uit met volgende vorderingen: echtscheiding, vereffening en verdeling van de onverdeeldheden en voorlopige maatregelen.

Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 15 mei 2012 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Dit vonnis werd betekend op 7 juni 2012. Er werd tegen dit vonnis geen rechtsmiddel aangewend, zodat de echtscheiding definitief is geworden.

4. Bij beschikking van de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 14 mei 2012 werd de man veroordeeld tot een voorlopige onderhoudsbijdrage van 250 euro per maand en per kind.

5. Tegen deze beschikking tekende de man beroep aan, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 juni 2012. Hij vorderde o.a. de onderhoudsbijdrage voor de kinderen te herleiden tot een bedrag van 150 euro per maand en per kind.

6. De man voert aan dat er in voormelde zaak, hangende voor dit hof, nog steeds geen eindarrest is tussengekomen, nadat er een deskundigenonderzoek werd bevolen.

In het tussenarrest van 10 oktober 2012 heeft dit hof inzake de onderhoudsbijdrage ten laste van de man voor de kinderen als volgt overwogen: “Beide ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen, en daarbij dient rekening gehouden te worden met o.m. de leeftijd en de daaraan verbonden specifieke behoeften van die kinderen, die in principe recht hebben op dezelfde levensstandaard die zij zouden gehad hebben indien er geen scheiding van hun ouders was geweest. De onderhoudsbijdrage is mede afhankelijk van de verblijfsregeling en de daaraan gekoppelde bijdragen in natura. Bijgevolg kan, in afwachting van een definitieve regeling op dat punt en rekening houdend met het feit dat de kinderen momenteel exclusief bij de moeder verblijven, thans slechts een voorlopige onderhoudsbijdrage bepaald worden. In de bestreden beschikking heeft de eerste rechter, op grond van een oordeelkundige motivering, die door het hof wordt bijgevallen en overgenomen, terecht geoordeeld dat de onderhoudsbijdrage voorlopig kan worden bepaald op 250 euro per maand en per kind, te vermeerderen met de helft van de buitengewone kosten.”

7. De man voert aan dat hij intussen sedert 18 september 2012 en alleszins tot 30 juni 2015 meer dan 66% arbeidsongeschikt is verklaard en slechts kan beschikken over een dagvergoeding, uitgekeerd door het ziekenfonds, zodat hij niet langer beschikt over de inkomsten en mogelijkheden zoals aangenomen in de beschikking in kort geding, gewezen voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 14 mei 2012.

Beoordeling

8. Met toepassing van art. 19, tweede lid Ger.W. kan de rechter, alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel bevelen om bijvoorbeeld de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Dit is wat de man beoogt in huidige zaak.

9. De man voert aan dat hij intussen sedert 18 september 2012 en alleszins tot 30 juni 2015 meer dan 66% arbeidsongeschikt is verklaard en slechts kan beschikken over een dagvergoeding, uitgekeerd door het ziekenfonds zodat hij niet langer beschikt over de inkomsten en mogelijkheden zoals aangenomen in de beschikking in kort geding, gewezen voor de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren van 14 mei 2012. In wezen roept de man een gewijzigde omstandigheid in.

10. De man wenst te verkrijgen dat de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, waartoe hij werd veroordeeld in de door hem bestreden beschikking, zou worden verlaagd, en dit in afwachting van een definitieve uitspraak ten gronde. Dit houdt de facto in dat de uitvoering van de bestreden beschikking deels wordt opgeschort, terwijl hoger beroep niet opschortend werkt tegen uitspraken door de kortgedingrechter, die van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad zijn. Oneigenlijk gebruik van art. 19, tweede lid Ger.W. is uit den boze.

11. Zonder gebonden te zijn door het zgn. urgentievereiste van het kort geding, kan de rechter ten gronde dezelfde voorlopige maatregelen nemen als eerstgenoemde. Vanzelfsprekend zal voor het inwilligen van een verzoek daartoe wel aangetoond moeten worden dat de toestand van de partij zo’n tussentijdse en voorlopige beslissing vereist. In feite moet een specifiek belang worden aangetoond bij het nemen van een dergelijke maatregel.

Een dergelijk bewijs wordt niet afdoende geleverd door de man. De noodzaak tot het nemen van een voorlopige maatregel blijkt nergens uit. Het hof neemt hierbij o.a. in overweging dat:

– de man niet aantoont dat hij, benevens de bewuste uitkering door het ziekenfonds, geen andere middelen heeft om te voorzien in zijn normale levensbehoeften (zo blijkt o.a. dat de man een huis verhuurt en, zelfs na betaling van zijn schuldeisers, nog substantiële bedragen heeft ontvangen uit een dadingsovereenkomst);

– een eventuele herziening van de onderhoudsbijdrage in de procedure ten gronde voor de man een titel tot terugvordering van te veel betaalde onderhoudsbijdrage kan opleveren;

– de aangevoerde medische toestand van de man kennelijk (getuige de voorgelegde stukken, waaronder de attesten van het ziekenfonds) reeds meer dan twee jaar duurt, terwijl het verzoek op grond van art. 19, tweede lid Ger.W. pas in december 2014 werd neergelegd;

– de man o.a. de heropening van het debat had kunnen vragen, gelet op het feit dat het tussenarrest slechts werd uitgesproken op 10 oktober 2012, terwijl de man aanvoert dat zijn arbeidsongeschiktheidsverklaring reeds dateert van 18 september 2012.

12. Feit is ten slotte dat art. 19, tweede lid, Ger.W. niet tot een soort van voorkruipmiddel mag verworden om het formele kader van de normale procedures te omzeilen. Het gaat niet op om, wars van de regels inzake de voorafgaande instaatstelling en de onvermijdelijke wachttermijnen, rechtstreeks voor de rechtbank (thans: het hof) reeds een verkapte procedure ten gronde te voeren, onder het mom van een voorlopige maatregel in de zin van art. 19, tweede lid Ger.W. (vgl. S. Voet, “Het nieuwe art. 19, tweede lid, Ger.W. (versus kort geding)”, RW 2009-10, (1318) 1321).

Het spreekt voor zich dat elke rechtgeaarde rechtzoekende belang heeft bij een snelle afwikkeling van het geding en zijn (per definitie betwiste of onzekere) rechtspositie zo snel mogelijk uitgeklaard wil zien. Deze betrachting kan evenwel onmogelijk een beroep op art. 19, tweede lid Ger.W. rechtvaardigen. Dergelijke “procedures binnen de procedure” werken de overbelasting van de rollen en bijgevolg de gerechtelijke achterstand nog meer in de hand.

Overigens wordt de zaak ten gronde reeds behandeld op de zitting van 7 april 2015, zodat het verzoek van de man op korte termijn binnen het raam van de bodemprocedure kan worden behandeld.

13. Het verzoek wordt afgewezen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 05/05/2017 - 14:13
Laatst aangepast op: vr, 05/05/2017 - 14:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.