-A +A

arbitrage, erkenning buitenlandse arbitrageovereenkomsten en uitsluitingen ingevolge de Belgische wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/11/2007
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
635
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van Beroep te Gent (7e Kamer) 19 november 2007

«Net zoals de eerste rechter aanvaardt het hof de rechtsmacht van de Belgische rechter.

«Art. 2, eerste lid, van het Verdrag van New York van 10 juni 1958 betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, goedgekeurd bij de wet van 5 juni 1975, bepaalt dat iedere verdragsluitende Staat de schriftelijke overeenkomst erkent waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen, alle of bepaalde geschillen die tussen hen zijn gerezen of die tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil dat vatbaar is voor arbitrage.

«Art. 2, derde lid, van voormeld verdrag bepaalt dat de rechter van een verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid hebben aangegaan, de partijen op verzoek van één van hen naar arbitrage verwijst, tenzij hij constateert dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.

«Voormelde verwijzingsverplichting geldt enkel voor geschillen die via arbitrage kunnen worden geregeld.

«Art. 2, derde lid, van voornoemd verdrag bepaalt niet op grond van welke wet de rechter de arbitreerbaarheid van het geschil moet nagaan. Die verdragsbepaling stelt de rechter in staat de vraag te beoordelen volgens de lex fori en te bepalen in hoeverre, in bepaalde aangelegenheden, arbitrage kan worden toegestaan.

«Wanneer, zoals in dit geval, de overeenkomst tot arbitrage onderworpen is aan een vreemde wet, moet de rechter die kennisneemt van een exceptie van rechtsmacht, de arbitrage uitsluiten wanneer het geschil krachtens de lex fori niet aan de rechtsmacht van de nationale rechter kan worden onttrokken.

«Wanneer de arbitrageovereenkomst, zoals in deze zaak, aan een vreemde wet is onderworpen, moet de Belgische rechter die kennisneemt van een exceptie van rechtsmacht, de arbitrage uitsluiten wanneer het geschil krachtens zijn eigen rechtsstelsel (lex fori) niet aan zijn rechtsmacht mag worden onttrokken (Cass. 16 november 2006, rolnr. C020445F, www.juridat.be).

«Appellante kan niet worden bijgevallen als zij aanvoert dat de lex fori niet belet dat het voorliggend geschil op grond van het arbitragebeding aan de Belgische rechter kan worden onttrokken. Haar beperkte verwijzing naar art. 6 en 1134 B.W. en art. 1676, 1 en 1676, 3, Ger. W., en de bewering dat er ook geen sprake is van wetsontduiking, volstaan immers niet om te besluiten dat een geldig arbitragebeding werd gesloten op grond waarvan het geschil aan de Belgische rechter kan worden onttrokken.

«Tot het Belgische recht – op grond waarvan in casu de arbitreerbaarheid van het geschil moet worden beoordeeld – behoort immers ook de Belgische wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop.

«Art. 6 van deze wet bepaalt dat de bepalingen van deze wet van toepassing zijn niettegenstaande hiermee strijdige overeenkomsten, en art. 4 bepaalt dat de benadeelde concessiehouder bij de beëindiging van een verkoopconcessie over het hele Belgische grondgebied of een deel ervan, in elk geval de concessiegever in België kan dagvaarden en de Belgische rechter uitsluitend de Belgische wet zal toepassen.

«Deze wet van 27 juli 1961 die niet de interne openbare orde of de internationaal privaatrechterlijke openbare orde raakt, is van dwingende aard door het bijzonder belang dat de Belgische wetgever wenst te beschermen, namelijk een bepaalde economische zekerheid voor de concessiehouder op Belgisch grondgebied.

«Door het daarin opgenomen beschermingsmechanisme maakt deze wet daarenboven een maatregel van Belgisch internationaal privaatrecht uit die, behoudens het geval waarin de concessiehouder van de wettelijke bescherming heeft afgezien – wat in casu niet het geval is –, zich verzet tegen het in aanmerking nemen van een arbitrageovereenkomst die niet in de toepassing van het Belgische recht voorziet (cf. conclusie van advocaat-generaal A. Henkes voorafgaand aan Cass. 16 november 2006, www.juridat.be).

«De door appellante ingeroepen arbitrageovereenkomst kan dan ook niet worden toegepast en maakt het niet mogelijk het geschil aan de rechtsmacht van de Belgische rechter te onttrekken».

 

Noot: 

Zie ook Cass. 14 januari 2010, RW 2010-2011, 1087:

Vennootschap naar Amerikaans recht S.I. Inc. t/ NV C.M.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 november 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Art. 2.1 van het bij de wet van 5 juni 1975 goedgekeurde Verdrag van 10 juni 1958 houdende erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, opgemaakt te New York, bepaalt dat iedere Verdragsluitende Staat de schriftelijke overeenkomst erkent waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidslieden te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil dat vatbaar is voor arbitrage.

Art. 2.3 van dit Verdrag bepaalt dat de rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, partijen op verzoek van één hunner naar arbitrage verwijst, tenzij hij constateert dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.

De verplichting te verwijzen geldt enkel voor geschillen die vatbaar zijn voor arbitrage.

2. Art. 2 van dit Verdrag wijst niet uitdrukkelijk de wet aan op grond waarvan moet worden bepaald of het geschil vatbaar is voor arbitrage.

Die verdragsbepaling laat evenwel toe dat de rechter aan wie de vraag wordt onderworpen, de vraag aan zijn rechtsstelsel toetst en zodoende de grenzen bepaalt waarin private rechtspraak over bepaalde materies verenigbaar is met zijn interne rechtsorde. Zij belet niet dat de rechter de mogelijkheid van het beroep op arbitrage mede laat afhangen van voorwaarden die losstaan van de toestand van partijen of van het voorwerp van het geschil en biedt ook de mogelijkheid aan de rechter de dwingende regels van zijn interne rechtsorde te betrekken.

Wanneer de arbitrageovereenkomst aan een vreemde wet is onderworpen, moet de rechter die kennisneemt van een exceptie van rechtsmacht, de arbitrage uitsluiten wanneer het geschil krachtens alle relevante rechtsregels van de lex fori niet aan de rechtsmacht van de nationale rechter mag worden onttrokken.

3. Het onderdeel dat aanvoert dat de rechter zonder de draagwijdte van het genoemde Verdrag te schenden geen gevolg kan geven aan interne bepalingen die het arbitreerbaar karakter van een geschil zouden laten afhangen van voorwaarden die losstaan van de toestand van de partijen of van het voorwerp van het geschil, faalt naar recht.

...

NOOT – Over de arbitreerbaarheid van concessiegeschillen. Eindelijk een uitgemaakte zaak? Dave Martens, RW 2010-2011, 1087
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 15/12/2009 - 12:45
Laatst aangepast op: do, 03/03/2011 - 15:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.