-A +A

Arbeidsongevallen-niet verzekerde werkgever

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 15/01/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1445
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Fonds voor Arbeidsongevallen t/ BVBA T.K.

...

3.3. Toepasselijke wettelijke bepalingen

3.3.1. Krachtens art. 49 van de Arbeidsongevallenwet is de werkgever verplicht een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan bij een verzekeringsonderneming voor elke tewerkstelling. De werkgever die geen verzekering heeft aangegaan, is krachtens art. 50 van de Arbeidsongevallenwet ambtshalve aangesloten bij het Fonds voor Arbeidsongevallen, volgens de nadere regelen bepaald door de Koning na advies van het beheerscomité van dit Fonds.

Krachtens art. 59 van de Arbeidsongevallenwet wordt het Fonds voor Arbeidsongevallen gestijfd door, naast onder meer een bijdrage van de werkgevers die correct zijn aangesloten, de bijdragen verschuldigd door de werkgevers die verzuimen een verzekeringscontract aan te gaan bij een verzekeringsonderneming.

Krachtens art. 59 van het KB van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 is de werkgever, die verzuimt een verzekeringscontract aan te gaan bij een verzekeringsonderneming, aan het Fonds een bijdrage voor ambtshalve aansluiting verschuldigd voor iedere werknemer die in de loop van een kalendermaand in dienst is of was.

Deze jaarlijkse bijdrage is gelijk aan een percentage van het bedrag vastgesteld in art. 39, eerste lid van de wet, en berekend per twaalfden. Dit percentage varieert van 2,5% tot 5% naargelang de duur van het verzuim binnen eenzelfde kalenderjaar.

In art. 39, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet wordt het grensbedrag bepaald van het jaarloon dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de vergoedingen en renten.

Naast het opleggen van deze bijdrage wordt de werkgever die verzuimt een arbeidsongevallenverzekering aan te gaan, krachtens art. 91quater, 1o, van de Arbeidsongevallenwet gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en/of met een geldboete van 26 tot 500 fr. (te verhogen met de opdeciemen, thans x 5,5).

Krachtens art. 94 van de Arbeidsongevallenwet is onder meer art. 85 Sw. van toepassing op de in deze wet bepaalde misdrijven.

3.3.2. Aangezien art. 91quater en art. 94 van de Arbeidsongevallenwet deel uitmaken van hetzelfde hoofdstuk «Toezicht en strafbepalingen», terwijl art. 50 van deze wet deel uitmaakt van het hoofdstuk «De verzekering» van de Arbeidsongevallenwet, is het duidelijk dat art. 94 in beginsel enkel van toepassing is op de straffen bedoeld bij art. 91quater.

Art. 100 Sw. verhindert de toepassing van art. 85 Sw. niet, precies omdat art. 94 van de Arbeidsongevallenwet hierop in een uitzondering voorziet.

3.4.1. Over de juridische aard van de ambtshalve veroordeling

Aanvankelijk was er onenigheid tussen het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof over de aard van de ambtshalve veroordeling tot de bijslagen/bijdragen en aanhorigheden.

Terwijl het Hof van Cassatie vroeger (Cass. 16 februari 1993, Pas. 1993, I, 179; Cass. 4 januari 1994, Pas. 1994, I, 2; Cass. 22 februari 1994, Arr.Cass. 1994, p. 188, nr. 87; Cass. 10 december 2002, AR P.011090.N, www.juridat.be) heeft aangenomen dat de ambtshalve veroordeling geen straf is, maar een maatregel van burgerrechtelijke aard (forfaitaire herstelvergoeding), is het toenmalige Arbitragehof van mening dat door het overwegend repressief karakter van de ambtshalve veroordeling, deze van strafrechtelijke aard is (Arbitragehof 15 september 1999, nr. 98/99, BS 27 november 1999, p. 44.214; Arbitragehof 13 juli 2000, nr. 92/2000, BS 30 september 2000, p. 33.520; Arbitragehof 13 juni 2001, nr. 80/2001, BS 11 oktober 2001, p. 35.237).

Deze controverse lijkt tot het verleden te behoren, met dat voorbehoud dat het Grondwettelijk Hof zonder meer aanneemt dat de «vergoeding» (ingevolge ambtshalve veroordeling) een straf is, terwijl het Hof van Cassatie er nog wel een hybride karakter aan geeft, deels burgerlijk deels strafrechtelijk, en men het ook over de gevolgen niet eens is (Cass. 27 juni 2006, Soc.Kron. 2008, 396; Cass. 12 september 2007, AR P.07.0373.F, www.juridat.be; Cass. 26 februari 2008, RW 2008-09, 1220, noot P. Hoet; Cass. 8 april 2008, AR 07.0631.N, onuitgeg.; Cass. 19 november 2007, RW 2008-09, 1219).

3.4.2. De criteria om uit te maken of een ambtshalve veroordeling al dan niet een straf is, worden aangereikt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit zijn geen cumulatieve criteria, maar alternerende referentiepunten (cf. M. Delange, «Les pouvoirs du juge dans le droit de la sécurité sociale», C.U.P., 2002, p. 6-113 en meer bepaald p. 110 en 111), samengevat in drie groepen, namelijk naar de indeling volgens het recht van de betrokken Staat, naar de aard van de begane overtreding en de aard van de sanctie. Als een Staat een sanctie naar zijn intern recht als strafrechtelijk beschouwt, dient dit te worden aanvaard, terwijl sancties die naar nationaal recht niet als strafrechtelijk worden beschouwd, wel als strafrechtelijk kunnen worden beoordeeld, gelet op de aard van de begane overtreding en/of van de sanctie (EHRM 29 augustus 1997, A.P., M.P. en T.P. t/ Zwitserland, 71/ 1996/690/882, http://www.echr.-coe.int./echt/fr/hudoc, overweging 39). Deze laatste twee criteria zijn aan elkaar gekoppeld: de aard van de sanctie is bepalend voor de aard van de begane overtreding. Indien de sancties niet hoofdzakelijk een schadeloosstelling beogen maar een bestraffend en ontradend effect hebben, zijn de overtredingen en de sancties door hun zwaarwegendheid strafrechtelijk, ongeacht de kwalificatie ervan naar nationaal recht (EHRM 29 augustus 1997, A.P., M.P. en T.P. t/ Zwitserland, 71/1996/690/882, http://www.echr.-coe.int./echt/fr/hudoc, overwegingen 40, 41 en 42). Een bijkomend criterium, dat soms mede in overweging wordt genomen, heeft betrekking op de draagwijdte van de sanctie, namelijk of die algemeen dan wel beperkt is. Maar ook dit criterium wordt gekoppeld aan het karakter van de sanctie, namelijk of die al dan niet als schadeherstellend kan worden beschouwd (EHRM 24 februari 1994, Bendenoun t/ Frankrijk, 12547/86, http;//www.echr.- coe.int./echt/fr/hudoc, overweging 47). Dit laatste element zal vooral in de beoordeling worden betrokken met betrekking tot tuchtsancties. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de betrokken criteria niet cumulatief moeten worden toegepast.

3.4.3. Toepassing makend van deze criteria op de ambtshalve bijdrage (wegens niet-verzekering van de werkgever tegen arbeidsongevallen), stelt het arbeidshof vast – met betrekking tot het eerste criterium – dat het nooit de wil van de wetgever is geweest om de ambtshalve bijdragen te kwalificeren als een penale sanctie. Althans blijkt dit niet uit het KB van 21 december 1971 tot uitvoering van sommige bepalingen van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, terwijl art. 91quater van de Arbeidsongevallenwet precies expliciet in straffen heeft voorzien.

Het betreft in elk geval geen verzekeringspremie, die aan het Fonds voor Arbeidsongevallen, bij gebrek aan verzekeraar, wordt gestort. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk geopteerd voor een wettelijk verzekeringsmonopolie voor de private verzekeraars.

Veeleer is de ambtshalve bijdrage onder de administratieve sancties te catalogeren (zie: H. Bosly, Les sanctions en droit pénal belge, p. 276) en is een dergelijke bijdrage ook deels een schadevergoeding, omdat de werkgever niet alleen nagelaten heeft een verzekeringspremie te storten, maar ook ontsnapt aan de bijdrage die elke werkgever dient te betalen aan het Fonds voor Arbeidsongevallen overeenkomstig art. 59, 1o, Arbeidsongevallenwet. Deze schadevergoeding dekt ook het financiële risico voor het Fonds voor Arbeidsongevallen tot vergoeding van eventuele schadegevallen en terugvorderingen van in gebreke zijnde werkgevers.

Beweren dat de ambtshalve veroordeling een geldboete zou zijn of bij wijze van analogie als een geldboete zou moeten worden behandeld, is een brug te ver (zie noot van J. Rozie onder Cass. 26 februari 2008, Nullum Crimen 2009, 39).

Aangezien de ambtshalve bijdrage door de nationale wet (in casu de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971) niet als een straf wordt gekwalificeerd, is niet voldaan aan het eerste criterium.

Met betrekking tot het tweede criterium (om aan te nemen dat de ambtshalve veroordeling een «punitief» karakter heeft), nl. of deze bestraffend of ontradend werkt en het derde criterium, nl. de aard en ernst van de veroordeling, kan uit de recente rechtspraak worden afgeleid dat 1) indien aan een veroordeling geen herstellend of vergoedend karakter kan worden toegekend, zij als straf moet worden beschouwd en 2) indien een veroordeling ook repressief is en een afschrikwekkend karakter heeft, zij als straf dient te worden beschouwd, behoudens dat deel dat als vergoedend kan worden afgezonderd (zie: P. Hoet in noot onder Cass. 26 februari 2008, RW 2008-09, 1221).

Anders dan bij verzekeringspremies bij correcte aansluiting, worden de ambtshalve bijslagen forfaitair berekend op het maximumbedrag van het loon van een voltijdse werknemer. Er kan niet worden ontkend dat deze bijdragen heel wat hoger liggen dan de verzekeringspremies bij normaal aangegeven tewerkstellingen).

In casu gaat het evenwel om een illegale tewerkstelling (zwart circuit), waarbij de beweerde zeer beperkte tewerkstelling (1 u per maand) niet kan worden gecontroleerd, evenmin hoeveel verdoken loon werd betaald, zodat het vermoeden van een voltijdse tewerkstelling tegen een maximum loonbedrag zeker verantwoord is (net als de toegepaste percentages qua berekening van de bijslagen).

In de parlementaire voorbereiding (memorie van toelichting tot invoering van het Sociaal Strafwetboek, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 3059/001, p. 322-325) wordt onderstreept dat de ambtshalve veroordeling tot betaling van niet-betaalde bedragen een burgerrechtelijke veroordeling is die door de rechter in het algemeen belang wordt uitgesproken. Deze rechtsfiguur wordt beschouwd als een specifieke vorm van «teruggave» (zie: J. Rozie, noot onder Cass. 26 februari 2008, Nullum Crimen 2009, 41 e.v.).

Anders dan de eerste rechter, besluit het arbeidshof op basis van deze criteria dat de ambtshalve bijdragen niet als strafrechtelijk kunnen worden beschouwd.

3.5. Aangezien in sub 3.5.3. besloten wordt dat de forfaitaire berekening van de ambtshalve bijdragen verantwoord is (zowel qua bedrag als qua toegepaste percentages), is art. 59 van het KB van 21 december 1971 niet in strijd met art. 10 en 11 van de Grondwet. Bovendien worden alle werkgevers die zich in een toestand van niet-verzekering bevinden, op dezelfde wijze behandeld en gebeurt de berekening van de ambtshalve aansluiting als administratieve geldboete voor het niet-verzekerd zijn, op basis van objectieve gegevens (cf. Arbh. Gent, afd. Brugge 11 juni 2009, A.R. 08/158, onuitgeg.).

Er is dan ook geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Met betrekking tot de verwijzing door geïntimeerde naar art. 50 van de Arbeidsongevallenwet dient te worden vastgesteld dat in dit artikel enkel het principe wordt verwoord dat bij niet-verzekering de werkgever ambtshalve zal worden aangesloten bij het Fonds voor Arbeidsongevallen.

Ook hier is evenmin sprake van de schending van het gelijkheidsbeginsel.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/05/2011 - 15:23
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2011 - 13:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.