-A +A

Arbeidsongevallen en hogere vergoedingen dan voorzien in de wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 22/06/2010

Het in artikel 46, § 2, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet omschreven cumulatieverbod houdt in dat de getroffene of zijn rechthebbenden jegens de aansprakelijke derde slechts aanspraak kunnen maken op vergoeding van de lichamelijke schade in zoverre de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de vergoedingen die op grond van de Arbeidsongevallenwet aan de getroffene of aan zijn rechthebbenden worden betaald en enkel voor het verschil; om te bepalen in welke mate de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de vergoedingen die op grond van de Arbeidsongevallenwet aan de getroffene of aan zijn rechthebbenden worden betaald, moet de rechter een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemene recht en de vergoeding berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet (1). (1) Cass., 25 jan. 2010, AR C.09.0203.F, A.C., 2010, nr. 58; Cass., 11 juni 2007, AR C.06.0255.N, A.C., 2007, nr. 315.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.09.1912.N
1. J J C,
beklaagde,
2. TRANS BLUE LINE nv, met zetel te 8620 Nieuwpoort, Noorderhavenoever, Gebouw Noordzee 12,
burgerrechtelijk aansprakelijke partij,
eisers,
tegen
J D,,
burgerlijke partij,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Ieper van 22 oktober 2009.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 46 en 47 Arbeidsongevallenwet: het vonnis laat na voor de inkomstenschade vanaf mei 2005 de toekomstige arbeidsongevallenrente in mindering te brengen en kent aldus aan de verweerster een grotere vergoeding toe dan de vastgestelde schade.

2. Artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat volgens het gemeen recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.
De getroffene of zijn rechthebbenden kunnen aldus aanspraak maken op vergoeding van lichamelijke schade volgens het gemeen recht, in zoverre de op grond van het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene of zijn rechthebbenden worden betaald op grond van de Arbeidsongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil.

3. Om dit verschil te berekenen moet de rechter een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemeen recht en de vergoedingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet.
De omstandigheid dat de gemeenrechtelijke vergoeding voor inkomstenverlies wordt bepaald op grond van de lucratieve levensduur van de getroffene terwijl het kapitaal dat wordt gevestigd op grond van de arbeidsongevallenwet uitgaat van de volledige statistische overlevingsduur, belet niet dat deze vergoedingen dezelfde schade dekken en bij de bepaling van de gemeenrechtelijke vergoeding toekomende aan de getroffene of zijn rechthebbende, dit kapitaal in mindering dient gebracht te worden van deze vergoeding.

4. Door de toekomstige arbeidsongevallenrente die betrekking heeft op de volledige verdere levensduur van de getroffene, niet in mindering te brengen van de gemeenrechtelijke vergoeding voor loonverlies toekomende aan de weduwe, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.

Tweede middel
Tweede onderdeel
5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1153, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 2, § 1, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest: de appelrechters kennen onterecht een gerechtelijke interest toe van 5 procent.

6. De vergoedende interest maakt inherent deel uit van de schadevergoeding die tot herstel van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade wordt toegekend. Zij vergoedt de bijkomende schade ingevolge het uitstel van betaling van de vergoeding waarop de benadeelde op de datum van de schade recht had. Zij loopt tot de datum van de gerechtelijke uitspraak.
Op de bij de gerechtelijke uitspraak vastgestelde schadevergoeding is verwijlinterest verschuldigd vanaf de datum van de uitspraak tot het ogenblik van de betaling. De interestvoet van de verwijlinterest is krachtens artikel 1153 Burgerlijk Wetboek in de regel de wettelijke rentevoet.

7. Door gerechtelijke interest van 5 procent toe te kennen als een voortzetting van de vergoedende interest vanaf de datum van de uitspraak verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.

Eerste onderdeel
8. Het onderdeel dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, behoeft geen antwoord.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over:
- de vergoeding voor inkomensverlies van de verweerster;
- de gerechtelijke interest vanaf de datum van de uitspraak.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.
Veroordeelt de verweerster in de kosten.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Veurne, rechtszitting houdend in hoger beroep.
Bepaalt de kosten op 165,30 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer
 


zie ook Cassatie 25/09/2012, AR P.11.1950.N, juridat

Samenvatting

Krachtens artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet, dat bepaalt dat de volgens het gemene recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen, kunnen de getroffene en diens rechthebbenden aldus aanspraak maken op vergoeding van lichamelijke schade volgens het gemene recht, in zoverre de op grond van het gemene recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de Arbeidsongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil; om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemene recht en de vergoedingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet (1). (1) Cass. 19 dec. 2006, AR P.06.0944.N, AC 2006, nr. 661; Zie: Cass. 24 okt. 2001, AR P.01.0704.N, AC 2001, nr. 568.

Tekst arrest

Nr. P.11.1950.N
S. L.,
burgerlijke partij,
eiseres,

tegen
1. C. P. A. M.,
beklaagde,
2. DEXIA INSURANCE BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Livingsto-nelaan 6,
vrijwillig tussengekomen partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Ieper van 8 september 2011.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

Memorie van antwoord voor Ethias Verzekeringen nv

1. Ethias Verzekeringen nv is geen partij in de cassatieprocedure.
Haar memorie is niet ontvankelijk.
Afstand

2. Krachtens artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering houdt de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshal-ve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft, niet in staat van wijzen is.
Krachtens artikel 4, derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de bur-gerlijke belangen.
Krachtens artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de meest gerede partij op de vastgestelde dag een vonnis op tegenspraak vorderen.

Hieruit volgt dat de strafrechter het vonnis over de burgerlijke belangen in het ka-der van de procedure bepaald in voormeld artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op tegenspraak wijst, ook ten aanzien van de partij die op de vastgestelde dag niet verschijnt.

3. Het bestreden vonnis van 8 september 2011 waarbij de appelrechter uit-spraak doet over de burgerlijke belangen in het kader van de procedure bepaald in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is op tegenspraak ge-wezen, ook ten aanzien van de eerste verweerder die op de vastgestelde dag niet is verschenen.
De afstand kan niet worden verleend.

Middel
4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 203, § 1, eerste lid, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 13, 14, 19 en 46, § 2, Arbeidsongevallenwet: de appelrechters brengen ten onrechte de kapitalen die de arbeidsongevallenverzekeraar heeft gevestigd voor de rente van de kinderen, in mindering van de schadevergoeding van de eiseres.

5. Artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.
De getroffene en diens rechthebbenden kunnen aldus aanspraak maken op ver-goeding van lichamelijke schade volgens het gemeen recht, in zoverre de op grond van het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de Arbeids-ongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil.

Om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemeen recht en de vergoe-dingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet.

6. Wanneer de schadelijder van de aansprakelijke vergoeding vordert voor de schade ingevolge het verlies van de inkomsten van zijn overleden partner, kan de-ze vergoeding het gedeelte van de inkomsten omvatten dat de overleden partner besteedde aan het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen waarvoor de overlevende partner verder instaat.

Hieruit volgt dat de vergoeding die naar gemeen recht aan de partner van een door een arbeidsongeval getroffene wordt toegekend voor de materiële schade ingevol-ge diens overlijden, betrekking kan hebben op dezelfde schade als die welke ge-dekt wordt door de arbeidsongevallenrente toegekend aan de minderjarige kin-deren.

7. De appelrechters oordelen dat:
- de arbeidsongevallenverzekeraar van wijlen J. L. rentes heeft betaald ten voor-dele van zijn kinderen en deze rentes de materiële schade die zij ingevolge het overlijden van hun vader lijden, ondervangen;
- de arbeidsongevallenvergoeding voor de kinderen in eerste instantie strekt tot vergoeding van het aandeel in de kosten van hun onderhoud en hun opvoeding die wijlen J. L. bij leven voor zijn rekening zou genomen hebben;
- geen betwisting bestaat omtrent de materiële schade inkomstenverlies geleden door de eiseres;
- voor de begroting van de vergoeding van deze schade het aandeel van de per-soonlijke uitgaven van het slachtoffer werd berekend op basis van het netto jaarlijks gezinsinkomen van J. L. en de eiseres, waarna dat aandeel werd afge-trokken van het gedeelte van het inkomen van L. waaruit de eiseres voordeel haalde;
- het inkomen van L. niet tot het exclusieve voordeel van de eiseres als levens-partner strekte maar ook ten goede kwam aan de twee kinderen.

8. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de rente die de arbeids-ongevallenverzekeraar heeft betaald voor de kinderen, in mindering moet worden gebracht van de vergoeding die de eiseres uit hoofde van materiële schade inkom-stenverlies vordert, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

9. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de eiseres gerechtigd is op vergoeding voor de materiële schade die zij lijdt ingevolge het verlies van het inkomen van haar partner dat haar tot voordeel strekte, en anderdeels, dat in deze vergoeding ook het deel begrepen zit dat bestemd is voor het onderhoud en de op-voeding van de kinderen.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 72,16 euro waarvan 6,11 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

 

Noot: 

Cassatie 25/09/2012, AR P.11.1950.N, juridat

Samenvatting

Krachtens artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet, dat bepaalt dat de volgens het gemene recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen, kunnen de getroffene en diens rechthebbenden aldus aanspraak maken op vergoeding van lichamelijke schade volgens het gemene recht, in zoverre de op grond van het gemene recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de Arbeidsongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil; om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemene recht en de vergoedingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet (1). (1) Cass. 19 dec. 2006, AR P.06.0944.N, AC 2006, nr. 661; Zie: Cass. 24 okt. 2001, AR P.01.0704.N, AC 2001, nr. 568.

tekst arrest

Nr. P.11.1950.N
S. L.,
burgerlijke partij,
eiseres,
tegen
1. C. P. A. M.,
beklaagde,
2. DEXIA INSURANCE BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Livingsto-nelaan 6,
vrijwillig tussengekomen partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Ieper van 8 september 2011.
...

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Memorie van antwoord voor Ethias Verzekeringen nv
1. Ethias Verzekeringen nv is geen partij in de cassatieprocedure.
Haar memorie is niet ontvankelijk.
Afstand

2. Krachtens artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering houdt de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshal-ve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft, niet in staat van wijzen is.

Krachtens artikel 4, derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de bur-gerlijke belangen.
Krachtens artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de meest gerede partij op de vastgestelde dag een vonnis op tegenspraak vorderen.

Hieruit volgt dat de strafrechter het vonnis over de burgerlijke belangen in het ka-der van de procedure bepaald in voormeld artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op tegenspraak wijst, ook ten aanzien van de partij die op de vastgestelde dag niet verschijnt.

3. Het bestreden vonnis van 8 september 2011 waarbij de appelrechter uit-spraak doet over de burgerlijke belangen in het kader van de procedure bepaald in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is op tegenspraak ge-wezen, ook ten aanzien van de eerste verweerder die op de vastgestelde dag niet is verschenen.
De afstand kan niet worden verleend.

Middel
4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 203, § 1, eerste lid, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 13, 14, 19 en 46, § 2, Arbeidsongevallenwet: de appelrechters brengen ten onrechte de kapitalen die de arbeidsongevallenverzekeraar heeft gevestigd voor de rente van de kinderen, in mindering van de schadevergoeding van de eiseres.

5. Artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.

De getroffene en diens rechthebbenden kunnen aldus aanspraak maken op ver-goeding van lichamelijke schade volgens het gemeen recht, in zoverre de op grond van het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de Arbeids-ongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil.

Om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemeen recht en de vergoe-dingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet.

6. Wanneer de schadelijder van de aansprakelijke vergoeding vordert voor de schade ingevolge het verlies van de inkomsten van zijn overleden partner, kan de-ze vergoeding het gedeelte van de inkomsten omvatten dat de overleden partner besteedde aan het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen waarvoor de overlevende partner verder instaat.

Hieruit volgt dat de vergoeding die naar gemeen recht aan de partner van een door een arbeidsongeval getroffene wordt toegekend voor de materiële schade ingevol-ge diens overlijden, betrekking kan hebben op dezelfde schade als die welke ge-dekt wordt door de arbeidsongevallenrente toegekend aan de minderjarige kinderen.

7. De appelrechters oordelen dat:
- de arbeidsongevallenverzekeraar van wijlen J. L. rentes heeft betaald ten voor-dele van zijn kinderen en deze rentes de materiële schade die zij ingevolge het overlijden van hun vader lijden, ondervangen;
- de arbeidsongevallenvergoeding voor de kinderen in eerste instantie strekt tot vergoeding van het aandeel in de kosten van hun onderhoud en hun opvoeding die wijlen J. L. bij leven voor zijn rekening zou genomen hebben;
- geen betwisting bestaat omtrent de materiële schade inkomstenverlies geleden door de eiseres;
- voor de begroting van de vergoeding van deze schade het aandeel van de per-soonlijke uitgaven van het slachtoffer werd berekend op basis van het netto jaarlijks gezinsinkomen van J. L. en de eiseres, waarna dat aandeel werd afge-trokken van het gedeelte van het inkomen van L. waaruit de eiseres voordeel haalde;
- het inkomen van L. niet tot het exclusieve voordeel van de eiseres als levens-partner strekte maar ook ten goede kwam aan de twee kinderen.

8. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de rente die de arbeids-ongevallenverzekeraar heeft betaald voor de kinderen, in mindering moet worden gebracht van de vergoeding die de eiseres uit hoofde van materiële schade inkom-stenverlies vordert, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

9. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de eiseres gerechtigd is op vergoeding voor de materiële schade die zij lijdt ingevolge het verlies van het inkomen van haar partner dat haar tot voordeel strekte, en anderdeels, dat in deze vergoeding ook het deel begrepen zit dat bestemd is voor het onderhoud en de op-voeding van de kinderen.
Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 72,16 euro waarvan 6,11 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 25/10/2011 - 14:07
Laatst aangepast op: za, 14/09/2013 - 14:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.