-A +A

Arbeidsongeval van en naar het werk door langer op het werk te blijven voor privé-redenen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 31/03/2014
A.R.: 
S.13.0113.F

Onder de weg naar en van het werk wordt volgens artikel 8, §1, tweede lid, van de wet van 10 april 1971 verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd; de arbeidsplaats is in de zin van die bepaling de plaats waar de werknemer onder het gezag staat van zijn werkgever voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst; de arbeidsplaats blijft voor de werknemer dat karakter behouden wanneer hij, na zijn werk, er voor een wettige reden langer dan normaal blijft en er niet meer onder het gezag van zijn werkgever staat

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.13.0113.F
VIVIUM nv,
tegen
B. S.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 25 april 2012 van het arbeidshof te Luik, afdeling Neufchâteau.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepaling

- artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep gegrond en zegt met wijziging van het beroepen vonnis voor recht dat de verweerder op 23 juni 2009 het slachtoffer is geweest van een ongeval naar en van het werk met alle redenen die worden veron-dersteld hier volledig te zijn weergegeven en inzonderheid op grond dat:

"Uit het onderzoek van de stukken blijkt dat:

1. het door de verweerder gevolgde traject het normale traject is tussen de arbeidsplaats, gelegen te Bastenaken, en zijn woonplaats, gelegen te Monceau-en-Ardenne. Het staat niet ter discussie dat het traject het normale traject was en dat het zonder enige onderbreking of omweg werd afgelegd vanaf het ogenblik dat de verweerder zijn arbeidsplaats verlaten heeft,

2. de verweerder om 14 uur 15 geprikt heeft en het ongeval zich om 16 uur 15 heeft voorgedaan, namelijk twee uur na het prikken, terwijl het traject in principe slecht een twintigtal minuten duurt,

3. de verweerder met een collega in de lokalen van zijn werkgever is gebleven om iets af te snijden voor privédoeleinden met gebruik van de machines van de werkgever;

Het arbeidshof oordeelt:

- dat de verweerder zich sinds 14 uur 15 niet meer onder het gezag van de werkgever bevond,

- de verweerder op de arbeidsplaats is gebleven, zonder enig gezag van de werkgever, om een collega een dienst te bewijzen, met name vlees afsnijden voor privédoeleinden,

- dit een wettige reden is om zijn vertrek uit te stellen. Het helpen van een collega is immers een instelling die sterk aanleunt bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In het kader van goede arbeidsverhoudingen, is een dergelijke instelling geheel normaal aangezien de werkgever zijn personeel toestaat zijn machines voor privédoeleinden te gebruiken;

Het bewijs daarvan blijkt voldoende uit de verklaring van de werkgever en de werknemer die vlees heeft afgesneden voor privédoeleinden in de lokalen van het bedrijf: 'ik ondergetekende werkgever verklaar hierbij dat de verweerder op 23 juni 2009, (datum van het ongeval), zich in mijn bedrijf bevond tot ongeveer iets vóór zestien uur. Het is immers zo dat niettegenstaande hij om 14 uur 16 geprikt heeft hij, een werkmakker [...] hielp om vlees voor privédoeleinden af te snijden met gebruik van mijn machines. Dat is de reden waarom hij de arbeidsplaats later verlaten heeft';

Het feit dat de werkgever passief deelneemt aan die wederzijdse hulp, rechtvaardigt des te meer het geoorloofd karakter van de door de werknemer aangevoerde reden om te verantwoorden dat hij gedurende ongeveer anderhalf uur na zijn arbeidsprestaties onder het gezag van de werkgever gebleven is;

Het traject werd onmiddellijk aangevat nadat de beide collega's klaar waren met het afsnijden van het vlees in de lokalen van de werkgever;

Het ongeval dat zich op de terugweg voordeed moet beschouwd worden als een arbeidsongeval in de zin van artikel 8, Arbeidsongevallenwet".

Grieven

1. Volgens 8, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet, wordt als arbeidsongeval aangezien het ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk.
Volgens artikel 8, § 1, tweede lid, van die wet, wordt onder de weg naar en van het werk verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd.

2. De rechter, die moet beoordelen of een ongeval zich heeft voorgedaan op de weg naar en van het werk in de zin van artikel 8, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet, en of het traject dat de werknemer heeft afgelegd om zich van de plaats waar hij werkt naar zijn verblijfplaats te begeven, als normaal kan worden beschouwd in de zin van artikel 8, § 1, tweede lid, van die wet, moet niet enkel beoordelen of het traject zonder onderbreking of verantwoorde (lees onverantwoorde) omweg werd afgelegd vanaf het ogenblik dat de werknemer zijn arbeidsplaats verlaten heeft, maar ook 1° of de vertraging waarmee de verweerder het traject heeft aangevat onbeduidend, niet belangrijk of belangrijk is en 2° in de twee laatste gevallen gerechtvaardigd is door een wettige reden, of zelfs door overmacht.

Als die vertraging noch onbeduidend, noch verantwoord is door, naargelang een wettige reden of overmacht, verliest de plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht en die hij met vertraging verlaat, haar hoedanigheid van de plaats om zijn werk te verrichten in de zin van artikel 8, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet.

Het arrest oordeelt dat uit het onderzoek van de stukken blijkt dat het door de verweerder afgelegde traject "het normale traject is geweest tussen de arbeidsplaats" aangezien "geenszins ter discussie staat dat het traject het normale traject was en dat het traject zonder enige onderbreking of omweg werd afgelegd vanaf het ogenblik dat de verweerder zijn arbeidsplaats verlaten heeft".

Vervolgens, na te hebben vastgesteld en overwogen dat:

- de verweerder om 14 uur 15 geprikt heeft en vanaf dat ogenblik "niet meer onder het gezag van zijn werkgever stond";

- de verweerder "op de arbeidsplaats is gebleven, zonder enig gezag van de werkgever";

- "het ongeval zich om 16 uur 15 heeft voorgedaan, namelijk twee uur na het prikken, terwijl het traject in principe slecht een twintigtal minuten duurt", beslist het arrest dat "het ongeval dat zich op de terugweg voordeed moet beschouwd worden als een arbeidsongeval in de zin van artikel 8, Arbeidsongevallenwet" op grond dat:

- "de verweerder op de arbeidsplaats gebleven is, zonder enig gezag van de werkgever, om een collega een dienst te bewijzen, met name vlees afsnijden voor privédoeleinden",

- "dit een wettige reden is om zijn vertrek uit te stellen. Het helpen van een collega is immers een instelling die sterk aanleunt bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In het kader van goede arbeidsverhoudingen, is een dergelijke instelling geheel normaal aangezien de werkgever zijn personeel toestaat zijn machines voor privédoeleinden te gebruiken",

- "Het feit dat de werkgever passief deelneemt aan die wederzijdse hulp rechtvaardigt des te meer het geoorloofd karakter van de door de werknemer aangevoerde reden om te verantwoorden dat hij gedurende ongeveer anderhalf uur na het einde van zijn arbeidsprestaties onder het gezag van de werkgever gebleven is",

- Het traject werd onmiddellijk aangevat nadat de beide collega's klaar waren met het afsnijden van het vlees in de lokalen van de werkgever",

3.1. Het arrest, dat zijn beslissing enkel steunt op het geoorloofde karakter van de door de verweerder aangevoerde grond en de omstandigheden die met de objectieve duur van zijn traject gepaard gingen, zonder dat het onderzoekt noch vaststelt of de objectieve duur van de vertraging waarmee de verweerder het traject heeft aangevat weinig belangrijk dan wel belangrijk was, miskent bijgevolg het begrip 'normaal traject' in de zin van artikel 8, § 1, tweede lid, Arbeidsongevallenwet (schending van artikel 8, § 1, tweede lid van voornoemde wet) en ook het begrip 'ongeval op de weg naar en van het werk in de zin van artikel 8, § 1, eerste lid, van die wet (schending van artikel 8, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet).

3.2. Als het Hof daarentegen erkent dat het arrest impliciet vaststelt dat de objectieve duur van de vertraging waarmee de verweerder zijn traject heeft aangevat weinig belangrijk was, blijkt uit de voornoemde overwegingen dat het arrest niet op autonome wijze de door de verweerder afgelegde objectieve duur beoordeelt - namelijk twee uur - maar dat het volgens het Hof weinig belangrijke karakter van de vertraging waarmee de verweerder dat traject heeft aangevat steunt op de ermee gepaard gaande omstandigheden en de redenen die eraan ten grondslag lagen en aldus verwarring schept tussen de twee kenmerken die de duur van het traject moet vertonen om in overeenstemming te zijn met het begrip 'normaal traject' van de toepasselijke wetsbepaling (schending van artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, Arbeidsongevallenwet).

- Uit wat voorafgaat kan worden afgeleid dat het arrest dat beslist dat "het ongeval dat zich op de terugweg heeft voorgedaan moet beschouwd worden als een ongeval op de weg naar en van het werk in de zin van artikel 8, Arbeidsongevallenwet" op grond van de vaststelling dat "de verweerder op de arbeidsplaats is gebleven, zonder enig gezag van de werkgever, om een collega een dienst te bewijzen, te weten vlees af te snijden voor privédoeleinden", "dat dit een wettige reden is om zijn vertrek uit te stellen " en "dat het traject onmiddellijk aangevat werd nadat de beide collega's klaar waren met het afsnijden van het vlees in de lokalen van de werkgever", bijgevolg artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, Arbeidsongevallenwet schendt.

Het arrest zegt niet wettelijk voor recht dat de verweerder op 23 juni 2009 het slachtoffer is geweest van een ongeval op de weg naar en van het werk (schending van artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, Arbeidsongevallenwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Krachtens artikel 8, § 1, eerste lid, Arbeidsongevallenwet, wordt als arbeidsonge-val aangezien het ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk.

Volgens het tweede lid van dezelfde paragraaf, wordt onder de weg naar en van het werk verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd.

De arbeidsplaats is in de zin van die bepaling de plaats waar de werknemer onder het gezag staat van zijn werkgever voor de uitvoering van de arbeidsovereen-komst.

De arbeidsplaats blijft voor de werknemer dat karakter behouden wanneer hij, na zijn werk, er om een wettige reden langer dan normaal blijft zonder dat hij er nog onder het gezag van zijn werkgever staat.

Het arrest stelt vast dat de verweerder de uitoefening van zijn werk om veertien uur vijftien beëindigd heeft, dat het ongeval zich om zestien uur vijftien heeft voorgedaan terwijl het normale traject dat hij moest afleggen om zijn verblijfplaats te bereiken slechts een twintigtal minuten duurt en dat niet ter discussie staat dat hij het normale traject zonder enige omweg of onderbreking heeft gevolgd.

Het arrest heeft erop gewezen dat de verweerder vanaf veertien uur vijftien "niet meer onder het gezag van zijn werkgever stond", en geoordeeld, zonder daarin te zijn bekritiseerd, dat "hij een wettige reden had om zijn vertrek uit te stellen" en "gedurende ongeveer anderhalf uur na het einde van zijn arbeidsprestaties onder het gezag van de werkgever te blijven", en bijgevolg verantwoordt het zijn beslis-sing naar recht dat het ongeval zich heeft voorgedaan op de weg naar en van het werk.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum,
Het Hof,
Zonder te letten op de noot en de voor de verweerder overgezonden stukken zon-der bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer


S.13.0113.F
Conclusions de M. l'avocat général J.M. Genicot.

Sur le moyen unique de cassation.

I. En droit.- Rappel.

L'article 8, § 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail définit le chemin du travail comme étant le trajet normal que travailleur doit parcourir pour se rendre de sa résidence au lieu d'exécution du travail, et inversement.

Pour apprécier si le trajet parcouru est normal quant à la durée, la Cour a déjà retenu qu' "... il y a lieu d'examiner aussi si le trajet succède à la période passée par le travailleur sur le lieu de travail pour y exécuter le travail convenu"(1) ou encore qu'il "... il faut tenir compte du temps passé par le travailleur sur le lieu de travail pour exécuter le travail convenu."(2)

Cette "synchronisation" entre la fin de l'"exécution du travail convenu" et le début du "trajet" qui lui succède, traduit les cas de figure les plus courants, plus rares étant en effet les travailleurs qui s'attardent sur les lieux de travail après leurs prestations.

Cette hypothèse n'est cependant pas à exclure et a d'ailleurs expressément été prise en considération dans la définition de la notion de "lieu d'exécution du travail".

En effet, si le lieu de l'exécution du travail est bien l'endroit où le travailleur se trouve, pour l'exécution du contrat de travail sous l'autorité - au moins virtuelle mais certaine - de l'employeur,(3) (4) (5) il "... cesse donc de présenter ce caractère à l'égard du travailleur lorsque celui-ci, après avoir terminé son travail, y demeure sans cause légitime pendant un laps de temps plus long que la normale et ne s'y trouve plus sous l'autorité de son employeur"(6)

Il en résulte que le "lieu d'exécution du travail" ne perd pas nécessairement cette qualité, par la seule circonstance que le travailleur y est demeuré après les heures normales de travail(7), dès lors qu'une cause légitime peut le justifier. Cette cause légitime doit, selon la doctrine, être en relation avec l'exécution du contrat de travail et admise avec bon sens(8).

L'heure de la prise de cours du trajet "normal" à partir du lieu de travail pourra donc, le cas échéant être différée jusqu'au départ effectif, au-delà même du moment où le travailleur a terminé l'exécution de ses prestations sous l'autorité de l'employeur, s'il apparaît qu'une cause légitime a pu le retenir sur place sans cependant y être encore soumis à pareille autorité.

Le chemin du travail qui se définit comme un trajet ‘espace-temps' situé entre le lieu de l'exécution du travail et la résidence, se distingue donc par hypothèse de ces deux notions géographiquement identifiables et ne peut en tout état de cause prendre cours qu'au départ effectif de l'une d'elles.

L'assimilation au "lieu d'exécution du travail" de la présence prolongée et légitime sur place du travailleur même au-delà de la fin de ses prestations conventionnelles, reporte le début du chemin du travail, situé entre le lieu d'exécution et la résidence, au moment du départ effectif du travailleur.

Jusqu'à ce départ, il ne peut être question d'analyser l'importance ou la nature des ‘détours' ou les ‘prolongements' d'un trajet qui, par hypothèse, n'a pas encore pu prendre cours.

Ainsi:

"... la différence qui existe entre la solution en matière d'interruption du trajet... et la solution en matière d'anticipation ou de retardement du trajet est justifiée par les termes mêmes de l'article 8, §1er, alinéa 2 et 4..." "... En effet, le texte légal n'enferme dans une période de temps déterminée ni le départ de la résidence ni, pour autant évidemment qu'y est exercée ou que peut y être exercée l'autorité de l'employeur... le départ du lieu de l'exécution du travail. En revanche, le texte légal se préoccupe de ce qui se passe après que le trajet est entamé parce qu'une fois commencé, le trajet suivi doit être destiné à amener, de façon normale, le travailleur d'un endroit légalement précisé à un autre endroit lui aussi légalement précisé"(9).

II. En l'espèce.

L'arrêt attaqué constate que le défendeur - boucher au service de la sprl Deom assurée en Loi auprès de la demanderesse - , a pointé le jour des faits à 14 heures 15', que l'accident a eu lieu à 16 heures 15, soit 2 heures plus tard alors que le trajet ne dure en principe qu'une vingtaine de minutes, mais qu'il était resté dans les locaux avec un collègue pour effectuer une découpe à des fins privées en utilisant les installations de son employeur. (page 7 de l'arrêt )

Les juges d'appel considèrent sur cette base qu'il s'agit "d'une cause légitime pour retarder son départ" dès lors que le fait de d' "aider un collègue constitue une attitude qui se trouve en relation étroite avec l'exécution du contrat de travail. Dans le cadre de bonnes relations de travail, une telle attitude est normale d'autant plus que l'employeur autorise son personnel à utiliser ses installations à des fins privées."

La demanderesse qui ne critique pas cette considération de l'arrêt, lui fait cependant grief de ne pas avoir examiné ni constaté si la durée objective du retard avec lequel le défendeur avait entamé le trajet était peu importante ou importante et subsidiairement , dans l'hypothèse où l'arrêt aurait implicitement constaté que cette durée était peu importante, de ne pas l'avoir fait de façon autonome mais sur la base des circonstances qui l'ont entouré et des motifs qui l'ont provoqué.

En retenant cependant l'existence d'un motif légitime justifiant la prolongation de la période où le défendeur se trouvait sur le "lieu d'exécution de travail" jusqu'au moment où il l'a quitté pour se rendre sans détour à son domicile, l'arrêt attaqué justifie légalement sa décision de reconnaître l'existence d'un trajet normal et partant les conditions d'un accident survenu sur le chemin du travail.

Le moyen ne peut être accueilli.

Conclusion.

Je conclus au rejet.
_____________________
(1) Cass., 25 avril 1994, Bull. et Pas., 1994, I, n° 196.
(2) Cass., 12 février 1990, Bull et Pas., 1990, I, n° 360 avec les conclusions du procureur général Lenaerts, alors avocat général, dans Arr.Cass.
(3) Cass., 17 avril 1978, Bull. et Pas., 1978, I, 926.
(4) L. Van Gossum, "Les accidents du travail", septième éd., Larcier, 2007, p. 82.
(5) R.P.D.B., compl. T. X, V° Accidents du travail, n° 107 et 108.
(6) Cass., 9 juin 1997, Bull. et Pas., I, n° 266, avec les conclusions de M. le procureur général E. Leclercq, alors avocat général; Cass., 6 novembre 1978, Bull et Pas., 1979, I, n° 278; L. Van Gossum, "Les accidents du travail", op. cit., p. 82.
(7) Cass., 16 octobre 1958, Bull. et Pas., 1959, I, 165.
(8) R.P.D.B., compl. T. X, V° Accidents du travail, n° 108.
(9) R.P.D.B., compl. T. X, V° Accidents du travail, n° 113.
 

Noot: 

• Cass. 9 juni 1997, Pas. 1997, 653, conclusie advocaat-generaal J.F. Leclercq, RW 1997-98, 1387, noot.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 13/06/2016 - 11:06
Laatst aangepast op: vr, 22/07/2016 - 10:05

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.