-A +A

Arbeidsongeval en gedetacheerde werknemer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 13/10/2011
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013 - 2014
Pagina: 
1346
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA U.B. t/ D.D.

 

1. Feiten

 

D.D. werd aangeworven door de NV R.B. Hij werd als interimarbeider tewerkgesteld bij de BVBA CM E. Deze onderneming stelde D.D. echter onmiddellijk ter beschikking van de BVBA P., thans BVBA U.B. genaamd, huidige appellante. Op 19 juli 2001 werd hij daar het slachtoffer van een arbeidsongeval. Hij viel er bij het afbreken van een filterinstallatie door een zoldervloer. De vloer uit vezelplaat was op verschillende plaatsen rot. Het slachtoffer liep zware rugletsels op. De technische inspectie stelde enkele overtredingen van de veiligheidsreglementering vast. Daarom werd de BVBA U.B. een administratieve geldboete opgelegd.

 

De arbeidsongevallenverzekeraar van R.B., de NV A.B., erkende het ongeval als een arbeidsongeval en betaalde reeds een aanzienlijke provisie uit.

 

D.D. onderging verschillende operatieve ingrepen. De NV A.B. nam deze ingrepen en de daaruit voortvloeiende kosten ten laste. De arbeidsongevallenverzekeraar verbond zich ertoe de kosten van revalidatie na operatie, en de huur of aankoop van hulpmiddelen te vergoeden. Maar de schade die D.D. lijdt, werd niet integraal vergoed.

 

Arbeidsongevallenverzekeraar NV A.B. heeft de BVBA U.B. gedagvaard voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk. Deze rechtbank verwierp het verweer van de BVBA U.B. dat zij als werkgever “werkgeversimmuniteit” genoot en verklaarde de (subrogatoire) vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar gegrond. De BVBA U.B. ging evenwel in beroep en het Hof van Beroep te Gent oordeelde bij arrest van 11 maart 2010 dat D.D. als een werknemer van de BVBA U.B. moest worden beschouwd. Deze BVBA genoot daardoor wel de werkgeversimmuniteit en was derhalve beschermd tegen vorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid (art. 46 van de Arbeidsongevallenwet). Het vonnis werd op dit punt hervormd en de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar werd derhalve afgewezen.

 

...

 

4. Bespreking

 

...

 

4.2. Gezag van gewijsde

 

De arbeidsongevallenverzekeraar heeft een gerechtelijke procedure ingesteld voor de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk. Het vonnis van 7 november 2007 werd hervormd bij arrest van 11 maart 2010 van het Hof van Beroep te Gent. Dat Hof oordeelde dat de BVBA U.B. niet aansprakelijk kon worden gesteld omdat zij krachtens de Uitzendarbeidswet van 24 juli 1987 geacht wordt werkgever te zijn van D.D. En een werkgever kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade uit arbeidsongevallen: een werkgever geniet immers de immuniteit van art. 46 Arbeidsongevallenwet.

 

Dit arrest werd gewezen ten aanzien van de BVBA U.B. De appellante baseert zich thans op dit arrest: als de arbeidsongevallenverzekeraar haar niet kan aanspreken, dan kan D.D. dat ook niet. Zij wijst op het gezag van gewijsde.

 

Het arbeidshof kan met deze opvatting niet akkoord gaan. Art. 23 Ger.W. vereist voor het gezag van rechterlijk gewijsde dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat zij op eenzelfde oorzaak berust en tussen dezelfde partijen werd gewezen. Alleen al aan dit laatste vereiste is niet voldaan: D.D. was immers niet betrokken in de gerechtelijke procedure voor de rechtbank van koophandel en evenmin in de procedure voor het hof van beroep.

 

De BVBA U.B. merkt nochtans op dat de arbeidsongevallenverzekeraar NV A.B. gesubrogeerd was in de rechten van D.D. Omdat zij hem betaalde, oefent zij dus eigenlijk zijn rechten uit. Daarom zou wel voldaan zijn aan het vereiste van art. 23 Ger.W. dat het moet gaan om dezelfde partijen.

 

Het arbeidshof volgt ter zake de mening van substituut-generaal A. Lievens. De NV A.B. trad inderdaad in de rechten van D.D. voor het deel dat zij hem heeft uitbetaald. De arbeidsongevallenverzekeraar zal aldus de excepties moeten ondergaan die ten aanzien van D.D. kunnen worden uitgeoefend. Het omgekeerde geldt echter niet. D.D. kan niet worden geconfronteerd met een uitspraak die ten aanzien van de NV A.B. werd gewezen. Hij heeft trouwens zijn argumentatie niet kunnen doen gelden in de procedure zoals die werd gevoerd voor het hof van beroep.

 

De uitspraak van het hof van beroep is derhalve niet bekleed met het gezag van gewijsde in de zin van art. 23 Ger.W. Er is niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om dezelfde partijen.

 

4.3. Geniet de BVBA U.B. werkgeversimmuniteit?

 

4.3.1. D.D. werd als uitzendkracht aangeworven door de NV R.B. om ter beschikking te worden gesteld van de BVBA CM E. Deze overeenkomst zou geldig zijn, ware het niet dat de BVBA CM E. de uitzendkracht verder heeft uitgeleend aan de BVBA U.B. Dit was in strijd met de Uitzendarbeidswet van 24 juli 1987. Art. 1 van deze wet staat tijdelijke en uitzendarbeid enkel toe in een aantal welomschreven gevallen (namelijk ter vervanging van een vaste werknemer, in geval van tijdelijke vermeerdering van werk of voor uitzonderlijk werk). Het is niet toegestaan om een uitzendkracht verder uit te lenen aan een ander bedrijf. Dat is nochtans wat de BVBA CM E. heeft gedaan.

 

Substituut-generaal A. Lievens wijst erop dat deze overtreding van de Uitzendarbeidswet tot gevolg had dat de gebruiker (de BVBA CM E.) en de uitzendkracht (D.D.) geacht worden verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst (art. 20, 2o van de Uitzendarbeidswet). Dit art. 20, 2o luidt immers als volgt: “De gebruiker en de uitzendkracht worden beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wanneer (1o ...) en (2o) de gebruiker een uitzendkracht tewerkstelt in strijd met de bepalingen van de artikelen 21 en 23”.

 

Art. 21 van deze wet bepaalt dat uitzendarbeid enkel mag in de in art. 1 van de Uitzendarbeidswet vermelde gevallen. Zoals gezegd, betreft dit de vervanging van een vaste werknemer, de buitengewone vermeerdering van werk of uitzonderlijk werk. De BVBA CM E. heeft echter niet om die reden een beroep gedaan op uitzendarbeid. Zij stelde de uitzendkracht ter beschikking van de BVBA U.B. De BVBA CM E. was aldus te beschouwen als de werkgever van D.D.

 

De geïntimeerde verweert zich tegen deze redenering door aan te voeren dat hij nooit voor de BBA CM E. heeft gewerkt. Hij werd er niet “daadwerkelijk” tewerkgesteld, zodat er geen toepassing kan worden gemaakt van art. 20, 2o van de Uitzendarbeidswet.

 

Het argument dat de BVBA CM E. D.D. niet daadwerkelijk heeft tewerkgesteld, is echter niet doorslaggevend, want de BVBA CM E. gaf D.D. de opdracht te gaan werken bij de BVBA U.B. Hij gaf gevolg aan deze gezagsinstructie en diende tijdens de werken aldaar ook rekening te houden met de mogelijke verdere gezagsuitoefening door de BVBA CM E. Dze BVBA stelde hem dus wel degelijk tewerk: hij opereerde onder het werkgeversgezag van de BVBA CM E. en was bij deze onderneming “in dienst”. De BVBA CM E. oefende het werkgeversgezag over hem uit en kon dat ook blijven doen.

 

4.3.2. Door de geïntimeerde ter beschikking te stellen van de BVBA U.B. beging de BVBA CM E. een overtreding van art. 31, § 1 van de Uitzendarbeidswet. Deze bepaling luidt als volgt: “Verboden is de activiteit die buiten de in de hoofdstukken I en II voorgeschreven regels, door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt”.

 

De BVBA CM E. stelde de geïntimeerde (D.D.) immers ter beschikking van een derde, namelijk de BVBA U.B.

 

De geïntimeerde voert aan dat niet voldaan is aan de voorwaarde van art. 31, § 1 van de Uitzendarbeidswet. Deze bepaling zou enkel het verbod inhouden personeel aan te werven met het doel het ter beschikking te stellen. Maar in casu ontbrak dit doel, aldus de geïntimeerde. Het verbod zou daarom niet gelden.

 

Het arbeidshof volgt deze interpretatie niet. Art. 31, § 1, eerste lid van de Uitzendarbeidswet houdt immers een “algemeen verbod” in van elke terbeschikkingstelling die niet gebeurt conform de regelen inzake tijdelijke arbeid en uitzendarbeid, d.w.z. die andere arbeid als voorwerp heeft dan die welke in de reglementering van de tijdelijke of uitzendarbeid wordt bedoeld. Deze interpretatie vindt weerklank in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 1 december 2008, www.cass.be) en sluit aan bij de bedoeling van de wetgever (memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 762/1-86/87, zitting 11 februari 1987).

 

Zij is ook logisch, gezien in het licht van art. 32 van deze wet. Deze bepaling laat een werkgever toe een vaste werknemer ter beschikking te stellen van een gebruiker. Daar is echter wel een voorafgaande toestemming voor nodig, en er zijn strikte voorwaarden aan verbonden. Mocht art. 31, § 1 van deze wet enkel gelden ingeval een werknemer in dienst werd genomen met het doel ter beschikking te worden gesteld, dan zou het mogelijk zijn vaste werknemers die niet met dat doel zijn aangeworven ter beschikking van derden te stellen. Deze interpretatie is niet houdbaar, omdat dit art. 32 dan maar weinig betekenis zou hebben (voorafgaande toestemming en strikte voorwaarden zijn dan van geen tel). Terecht voegt substituut-generaal A. Lievens daaraan toe dat de voorwaardelijke toelating van art. 32 enkel geldt wat het vast personeel betreft, en dus zeker niet wat uitzendkrachten aangaat.

 

Art. 31, § 3 van de Uitzendarbeidswet bepaalt de gevolgen die gelden ingeval het verbod op het ter beschikking stellen van personeel wordt overtreden. Deze bepaling luidt als volgt: “Wanneer een gebruiker arbeid laat uitvoeren door werknemers die te zijner beschikking werden gesteld in strijd met de bepaling van § 1, worden die gebruiker en die werknemers beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid”.

 

Met substituut-generaal A. Lievens besluit het arbeidshof dat de BVBA U.B. – als gebruiker – en de ter beschikking gestelde werknemer – D.D. – derhalve beschouwd moeten worden als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook het hof van beroep was deze opvatting toegedaan in zijn arrest van 11 maart 2010. Het heropende wel het debat in verband met een mogelijke discussie over vermogensverschuiving zonder oorzaak en wetsovertreding (vgl. M. Kruithof, “De vordering tot voordeelsoverdracht”, TPR 2011, 13 e.v.). Doordat de overtreding van een (strafrechtelijk beteugelde) wet niet meteen opgemerkt werd, betaalde de arbeidsongevallenverzekeraar van NV R.B. de vergoedingen, terwijl het eigenlijk het Fonds voor Arbeidsongevallen dan wel de arbeidsongevallenverzekeraar van de BVBA U.B. was die had moeten worden aangesproken. Deze kwestie is hier niet verder aan de orde.

 

4.3.3. Nu de BVBA U.B. als werkgever moet worden beschouwd, kan zij zich beroepen op de bescherming tegen rechtsvorderingen inzake burgerlijke aansprakelijkheid zoals vastgelegd in art. 46, § 1 van de Arbeidsongevallenwet. Deze wetsbepaling verhindert dat de werkgever burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor arbeidsongevallen.

 

De geïntimeerde beroept zich echter op de uitzondering die vastgelegd werd in art. 46, § 1, 7o van de Arbeidsongevallenwet. Deze bepaling laat de vorderingen inzake burgerlijke aansprakelijkheid toch toe “tegen de werkgever die de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zwaarwichtig heeft overtreden en die daardoor de werknemers aan het risico van arbeidsongevallen heeft blootgesteld, terwijl de ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die bepalingen, in toepassing van artikel 3 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie hem schriftelijk:

 

a) hebben gewezen op het gevaar waaraan hij deze werknemers blootstelt;

 

b) hebben medegedeeld welke overtredingen werden vastgesteld;

 

c) passende maatregelen hebben voorgeschreven;

 

d) hebben meegedeeld dat, indien hij nalaat de onder c) bedoelde maatregelen te treffen, de getroffene of diens rechthebbende, bij gebeurlijk ongeval, over de mogelijkheid beschikt een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen”.

 

D.D. kan op deze uitzondering geen beroep doen omdat zij een voorafgaandelijke interventie van de inspectiediensten vereist. Daar is in casu geen sprake van. De technische inspectie is immers pas nadien langsgekomen.

 

4.3.4. Anders dan de eerste rechter oordeelt het arbeidshof derhalve dat de BVBA U.B. niet kan worden aangesproken op grond van de overtredingen van de veiligheidsreglementering. Als “werkgever” is dit bedrijf immers beschermd tegen aanspraken inzake burgerlijke aansprakelijkheid.

 

D.D. heeft zoals elk slachtoffer van een arbeidsongeval enkel recht op de vergoedingen van de Arbeidsongevallenwet. Hij kan zijn “werkgever” niet bijkomend aanspreken. Het was de bedoeling van de wetgever elk slachtoffer van een arbeidsongeval een forfaitaire vergoeding toe te kennen, ook als het bv. zelf een fout heeft begaan of als niemand een vastgestelde fout heeft begaan. Het slachtoffer wordt dus altijd vergoed, ongeacht of er een fout is begaan of niet. Als tegenhanger daarvan kan de werkgever niet verder worden aangesproken. D.D. dient zich daarbij neer te leggen.

Het hoger beroep is gegrond; het vonnis dient te worden hervormd.

...
 

Noot: 

Rechtspraak:

• Gent 11 maart 2010, RABG 2010, 903, noot M.C. Vandermeulen

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 30/04/2014 - 11:50
Laatst aangepast op: wo, 30/04/2014 - 11:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.