-A +A

Arbeidsongeval aanvang herzieningstermijn

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Hasselt
Datum van de uitspraak: 
woe, 15/12/2004
A.R.: 
2003-0066;2003-0106

De onmogelijkheid te berusten in een vonnis dat uitspraak doet over de toepassing van de Arbeidsongevallenwet zorgt er ook voor dat de herzieningstermijn niet kan aanvangen vanaf de dag van de uitspraak van dat vonnis, maar pas nadat het in kracht van gewijsde is gegaan (C. PERSYN, R. JANVIER en W. VAN EECKHOUTTE, 1. c. nr. 18, blz. 1228 en de aangehaalde rechtspraak cass. 17 oktober 1988, Arr. Cass. 1988-1989; RW 1998-89, 982, noot; TSR 1989, 47; JTT 1987, 105, noot; Pas. 1989, I, 165).

Aldus mag de figuur van de rechtsverwerking evenmin worden aangegrepen. Hieruit volgt dat de beslissingen van zulk vonnis slechts in kracht van gewijsde kunnen gaan na betekening van het vonnis en bij ontstentenis van hoger beroep (Cass. 27 november 2000, Arr. Cass. 2000/9, nr. 645; J.T.T. 2001, 58; Cass. 04 september 2000, Arr. Cass. 2000/7, nr. 438; J.T.T. 2000, 461).

De herzieningstermijn van drie jaar is geen verjarings- noch een rechtsplegings-termijn, maar een vooraf bepaalde vaste termijn, die de openbare orde raakt en waarvan het verstrijken het verval van het recht zelf tot gevolg heeft en die niet kan worden gestuit of geschorst (Cass. 1 maart 1993, Arr. Cass. 1993/II, nr. 122; SRK 1993, 308; Cass. 23 januari 1995, SRK 1995, 166; JTT 1995, 236; RW 1996-96, 499; Cass. 13 mei 2002, RW 2003-04, 1061).

De vaststelling van de consolidatiedatum en alle elementen ter berekening van de jaarlijkse arbeidsongevallenvergoeding zoals de graad van arbeidsongeschiktheid en het basisloon werden bepaald in het vonnis van 20 mei 1980, zodat dit vonnis slechts in kracht van gewijsde kan gaan na betekening van het vonnis en bij ontstentenis van hoger beroep.

Tegen het vonnis van 20 mei 1980 werd geen hoger beroep ingesteld. Het werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder op 17 januari 1997, zodat het vertrekpunt van de driejaarlijkse herzieningstermijn aanvangt op 18 februari 1997.

De eis tot herziening ingesteld op 08 december 1997 werd tijdig ingesteld, zodat de oorspronkelijke vordering van appellante M. ontvankelijk diende verklaard.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Intersentia
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

ARREST
A.R. 2030066 en A.R. 2030106
OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER
In de zaak: A.R. 2030066
M M
wonende te ,
appellante,
tegen :
1. I NV,
met maatschappelijke zetel gevestigd te
eerste geïntimeerde,
2. FAO,
met maatschappelijke zetel gevestigd te
tweede geïntimeerde,
3. NVSM,
met maatschappelijke zetel gevestigd te
derde geïntimeerde,

In de zaak: A.R. 2030106
NVSM,
met maatschappelijke zetel gevestigd te
appellant,
tegen :
I NV,
met maatschappelijke zetel gevestigd te ,
geïntimeerde,

Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest:

In de zaak gekend onder A.R. nr. 2030066

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden eindvonnis op 10 januari 2003 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren, onder A.R. nr. 4121/97 waartegen tijdig en geldig naar vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 februari 2003 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen.

In de zaak gekend onder A.R. nr. 2030106

Gelet op het verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 31 maart 2003, waarbij het NVSM hoger beroep instelt tegen het eindvonnis op 10 januari 2003 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Tongeren onder A.R. nr. 4121/97 en regelmatig en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek alsmede de conclusies en stavingstukken voor partijen.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE PRINCIPAAL INGESTELDE HOGERE BEROEPEN

Het principaal hoger beroep van M M en van het NVSM werden naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist, zodat deze principaal ingestelde hogere beroepen ontvankelijk dienen te worden verklaard.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het FAO stelt bij synthesebesluiten, neergelegd ter griffie van het Hof d.d. 20 januari 2004 incidenteel hoger beroep in tegen het NVSM in de zaak gekend onder

A.R. nr. 2030066.

Het incidenteel hoger beroep strekt ertoe het vonnis van 10 januari 2003, alwaar het FAO werd veroordeeld tot betaling aan het NVSM de som van 7.536,78 EUR meer de interesten en de kosten te horen hervormen.

Het NVSM werpt op dat het incidenteel hoger beroep namens het FAO onontvankelijk is om volgende redenen:

Tegen het vonnis a quo werd hoger beroep ingesteld:
- enerzijds door M M (A.R. nr. 2030066) tegen ING en het FAO. Het NVSM stelt geen partij te zijn in deze procedure;
- anderzijds door het NVSM (A.R. 2030106) enkel tegen I. Het FAO is geen partij in deze procedure.

M.a.w. het FAO is volgens het NVSM enkel partij in de zaak gekend onder A.R. nr. 2030066 bij dewelke het NVSM geen partij is.

Het Hof treedt dit standpunt niet bij en is van oordeel dat het incidenteel hoger beroep namens het FAO ontvankelijk voorkomt en dit onder verwijzing naar het verzoekschrift tot hoger beroep, per gewone post ontvangen ter griffie van het Arbeidshof alhier op 25 februari 2003 (A.R. 2030066) en de daarin aangehaalde partijen.

Verder verwijst het Hof naar de proceduriële antecedenten in toepassing van artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede naar de aard van huidige betwisting (onsplitsbaarheid geschil - cfr. infra: samenvoeging).

Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2004 van deze kamer.

PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN

Op 9 september 1977 was M M het slachtoffer van een arbeidsongeval tijdens haar tewerkstelling bij de BVBA BV, gevestigd te M.

Na aanstelling van dokter Th als deskundige kende de Arbeidsrechtbank te Tongeren bij vonnis van 20 mei 1980 M een blijvende arbeidsongeschiktheid toe van 7 % met als consolidatiedatum 9 september 1979.

Tevens werd de arbeidsongevallenverzekeraar NV D V (thans NV I) veroordeeld om aan M te betalen een jaarlijkse vergoeding van 256.644 BEF x 7 % = 17.965 BEF, betaalbaar per vierde en per kwartaal, na vervallen tijd te beginnen vanaf de consolidatiedatum, en verhoogd met de intresten vanaf hun eisbaarheid.

Bij schrijven van 15 juni 1983 meldde de verzekeringsmaatschappij NV D V aan het FAO dat de herzieningtermijn verstrijkt op 20 mei 1983 (stuk 10 FAO).
Voormeld vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 20 mei 1980 werd bij exploot d.d. 17 januari 1997 betekend aan de verzekeringsonderneming NV D V (stuk 1 appellante).

Op 8 december 1997 dagvaardde M de arbeidsongevallen-verzekeraar N.V. D V (thans NV I) en stelde een eis tot herziening van vergoedingen in, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsongeschiktheid.

Uit de bijgebrachte medische attesten bleek dat de toestand van M is verergerd, zodat een blijvende invaliditeit van 35 % wordt geraamd (stukken 4 en 5 appellante).

Op 23 december 1997 besliste het FAO om aan M een bijslag wegens verergering - door haar aangevraagd op 10 september 1996 - toe te kennen vanaf 1 september 1996 (stuk 8 FAO).

Bij vonnis van 3 februari 1998 heropende de Arbeidsrechtbank de debatten teneinde verstekdoende verweerster (de NV D V) toe te laten het betreffende dossier van M in de archieven op te sporen stuk 5 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank).

Bij exploot van 6 oktober 1998 dagvaardde de NV D V het FAO tussen te komen in het geding hangende tussen M en NV D V, teneinde de tegen haar ingestelde vordering in herziening of hoofdeis te horen afwijzen (stuk 11 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank).

Op 30 oktober 1998 werd M door het FAO in kennis gesteld dat de reeds toegekende verergeringsbijslag vanaf de maand oktober 1998 wordt geschorst (stuk 1 FAO).

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 14 januari 1999 kwam het NVSM vrijwillig tussen in de zaak hangende voor de Arbeidsrechtbank en stelde in hoofdorde tussenvorderingen in tegen NV D V teneinde betaling te bekomen van een bedrag van 748.379 BEF provisioneel meer de vergoedende intresten vanaf 1 januari 1996 en de gerechtelijke intresten; in ondergeschikte orde tegen het FAO, in de hypothese dat de vordering tot herziening van M onontvankelijk zou zijn, teneinde betaling te bekomen van de nog niet vergoede kostenstaten, zijnde 283.633 BEF provisioneel, méér de vergoedende intresten vanaf 1 december 1996 en de gerechtelijke intresten (stuk 19 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank).

Bij vonnis van 10 januari 2003 verklaarde de eerste rechter de vordering in herziening van M niet ontvankelijk;
- de tussenvordering in ondergeschikte orde van M opzichtens het FAO ontvankelijk en gegrond en zegde voor recht dat de verergeringsbijslag door het FAO gehandhaafd dient te worden met inbegrip van de periode gedurende dewelke deze uitkering geschorst was;
- de tegenvordering van het FAO opzichtens M en de vrijwillig tussenkomende partij, het NVSM, ontvankelijk doch ongegrond;
- de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij, het NVSM, opzichtens NV I, ontvankelijk doch ongegrond;
- de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij, het NVSM opzichtens het FAO, ontvankelijk en gegrond en veroordeelde het FAO in betaling aan het NVSM van de som van 7.031,O8 EUR provisioneel en van de som van 505,70 EUR provisioneel, méér de vergoedende intresten vanaf 1 december 1996 en de gerechtelijke intresten.

VOORWERP VAN HET GESCHIL

De betwisting in hoger beroep betreft de ingangsdatum van de verjaringstermijn van de eis tot herziening van de vergoedingen gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsongeschiktheid van M, zoals bepaald in artikel 72, eerste lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

SAMENVOEGING

Het Hof stelt vast dat de rechtsvorderingen onder A.R. 2030066 en A.R. 2030106 zeer nauw met elkaar verbonden zijn en minstens in verband staan met dezelfde oorzaak.

De beide vorderingen zijn gelijklopend of verknocht zodat het in het belang van een goede rechtsbedeling en teneinde tegenstrijdige oplossingen te voorkomen past beide zaken samen te voegen teneinde er in één arrest uitspraak over te doen.

In tegenstelling tot de aanhangigheid staat de samenhang ter vrije beoordeling van de rechter, zulks ongeacht het voorwerp of de oorzaak waarop de rechtsvorderingen betrekking hebben, of de identiteit van de gedingvoerende partijen (Cass. 15 mei 1981, Arr.Cass. 1980-1981, 1073;Cass. 28 september 1984, Arr. Cass. 1984-1985, 165).

Het Hof voegt de zaken gekend onder A.R. nrs. 2030066 en 2030106 samen overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek.
MIDDELEN VAN PARTIJEN

M M postuleert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en verzoekt het Hof, opnieuw recht doende, de vordering van M M ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens een geneesheer-deskundige aan te stellen met als opdracht na te gaan in welke mate de blijvende fysische en economische arbeidsongeschiktheid van M verergerd is.

Ondergeschikt, indien het Hof het hoger beroep van M als ongegrond zou afwijzen, het vonnis van de eerste rechter te bevestigen en te zeggen voor recht dat de verergeringsbijslag door het FAO gehandhaafd dient te worden, met inbegrip van de periode gedurende dewelke deze uitkering geschorst werd.

I NV te veroordelen tot de kosten van het geding.

In zoverre het Hof het vonnis a quo zou vernietigen, de vordering van M ontvankelijk zou verklaren en een geneesheer-deskundige zou aanstellen, gedraagt M zich naar de wijsheid van het Hof voor wat betreft de tegenvordering van het FAO.

- I NV concludeert in hoofdorde tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

In ondergeschikte orde en voor zover de lastens I ingestelde vordering geheel of ten dele gegrond zou worden verklaard, te horen zeggen voor recht dat het FAO gehouden is het resterend gedeelte van het kapitaal aan I terug te storten, indien op de vordering tot herziening zou beslist worden dat de BWO waardoor M beweert thans aangedaan te zijn 10% zou overstijgen.

Een eventuele herziening van de BWO zou evenwel betekenen dat het FAO het resterend gedeelte van het kapitaal dient terug te storten aan I, indien op de vordering van M zou beslist worden dat de BWO waardoor zij beweert thans aangedaan te zijn 10% zou overstijgen.
I stelt incidenteel hoger beroep in.

- Het FAO postuleert in hoofdorde het hoger beroep van M tegen I ongegrond te verklaren; dienvolgens het eerste vonnis te bevestigen in zoverre de vordering van M tegen I onontvankelijk werd verklaard.

Het incidenteel hoger beroep van het FAO tegen het NVSM ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het FAO voorbehoud te verlenen om na te gaan of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de uitgaven van het NVSM en het arbeidsongeval van 1977.

I te veroordelen tot de kosten van het geding.

Subsidiair, in de mate het arbeidshof zou oordelen dat de herzieningstermijn nog niet was beginnen lopen, het incidenteel hoger beroep van het FAO ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens:

1) M te veroordelen om aan het FAO te betalen de bedragen van
662,62 EUR (26.730 BEF) en 990,76 EUR(39.967 BEF)

2) het NVSM te veroordelen om aan het FAO te betalen het bedrag van 11.565,27 EUR (466.542 BEF),

3) I te veroordelen om aan het FAO terug te betalen het eventueel te vestigen prothesekapitaal voor de endogene knieprothese.

Uiterst subsidiair, een arts-deskundige aan te stellen.

Het FAO stelt in ondergeschikte orde incidenteel hoger beroep in tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank en vraagt de veroordeling van:

1) M tot de terugbetaling van verergeringsbijslag die reeds werd toegekend voor de periode van januari tot september 1998 ten bedrage van 662,62 EUR (26.730 BEF), en tot terugbetaling van de medische kosten ten bedrage van 990,76 EUR(39.967 BEF),

2) het NVSM tot de betaling van een bedrag van 11.565,27 EUR (466.542 BEF),

3) I voor een eventueel te vestigen prothesekapitaal voor de endogene knieprothese.

In uiterst ondergeschikte orde, voor zover het arbeidshof van oordeel is dat de herzieningstermijn is beginnen lopen vanaf 17.02.1997, quod certe non, en niet zeker is of de wijziging van de arbeidsgeschiktheid zich voor het begin van de herzieningstermijn heeft voorgedaan dient een deskundige te worden aangesteld (zie hoger: postulering FAO).

- Het NVSM postuleert het hoger beroep in de zaak gekend onder A.R. 2030066 gegrond te verklaren en samen te voegen met de zaak gekend onder A.R. 2030106.

In hoofdorde het eerste vonnis te hervormen en verzoekt het Hof, opnieuw recht doende, de vordering van het NVSM opzichtens I ontvankelijk en gegrond te verklaren. Vervolgens I te veroordelen tot betaling aan het NVSM de som van 19.056, 78 EUR meer de vergoedende interesten vanaf 01.01.1996 en de gerechtelijke interesten.

Ondergeschikt het vonnis a quo te bevestigen. Het incidenteel hoger beroep van het FAO onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en het FAO te veroordelen tot de kosten van het geding.

Ondergeschikt indien het Hof zou beslissen dat de herzieningstermijn verstreken is dient het vonnis a quo bevestigd.

Ondergeschikt, in de zaak gekend onder A.R. nr. 2030106, indien het Hof zou beslissen dat de herzieningstermijn verstreken is vraagt het NVSM het vonnis a quo te bevestigen in die zin dat het FAO zou worden veroordeeld tot betaling aan het NVSM de som van 7.536,78 EUR provisioneel, meer de vergoedende interesten vanaf 01.12.1996, meer de gerechtelijke interesten.

Het FAO stelt incidenteel hoger beroep in ertoe strekkende het vonnis van 10.01.2003 alwaar zij werd veroordeeld tot betaling aan het NVSM de som van 7.536,78 EUR meer de interesten en de kosten, te horen hervormen.

Het NVSM meent dat het incidenteel hoger beroep namens het FAO onontvankelijk is. Tegen het vonnis a quo werd hoger beroep ingesteld:
- enerzijds door Monnissen (A.R. 2030066) tegen ING en het FAO. Het NVSM stelt geen partij te zijn in deze procedure;
- anderzijds door het NVSM (A.R. 2030106) enkel tegen ING. Het FAO is geen partij in deze procedure.

M.a.w. het FAO is enkel partij in de zaak gekend onder A.R. nr. 2030066 bij dewelke het NVSM geen partij is.

MOTIVERING ARREST - BEOORDELING

1. De cruciale rechtsvraag is in casu het vaststellen van het vertrekpunt van de driejaarlijkse herzieningstermijn zoals bepaald in artikel 72 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

2. De volgende data zijn belangrijk om de rechtsregels toe te passen:

- 9 september 1977: arbeidsongeval;
- 9 september 1979: datum van consolidatie vastgesteld door het vonnis;
- 20 mei 1980: vonnis waarbij de consolidatie werd bepaald en de
blijvende arbeidsongeschiktheid werd toegekend op 7%;
- 17 januari 1997: betekening van het vonnis van 20 mei 1980;
- 8 december 1997: de eis tot herziening ingesteld bij dagvaarding.

3. Het Hof merkt vooreerst op dat interpretatieve beschouwingen aan de hand van rechtsleer en rechtspraak niets opleveren, indien een wettekst zelf duidelijk genoeg is.

4. Op het ogenblik van de vaststelling in het vonnis van 20 mei 1980 van de datum van consolidatie op 9 september 1979 van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid van appellante op 7 % en het basisloon, luidde artikel 72, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 als volgt:

" De eis tot herziening van de vergoedingen, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsongeschiktheid van de getroffene of op zijn overlijden aan de gevolgen van het ongeval, kan ingesteld worden binnen drie jaar die volgen op de datum van de homologatie van de overeenkomst tussen de partijen of van de in artikel 24 bedoelde beslissing."

(De Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, B.S. 24.04.1971 (blz. 5201), is van kracht vanaf 1 januari 1972. Artikel 72 AOW werd gewijzigd bij artikel 110 en 111 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen (B.S. 06.08.1985,blz.11374), met ingang van 6 augustus 1985, bij artikel 31 van het K.B.nr.580 van 31 maart 1987 (B.S.16 april 1987, blz. 5653, met ingang van 1 januari 1988 en bij artikel 145 van de Programmawet van 24 december 2002 (B.S.31 december 2002,eerste editie, blz. 58716), met ingang van 31 december 2002).

4.2. De in artikel 24 bedoelde beslissing wordt het vertrekpunt ("vanaf de dag waarop de ongeschiktheid een bestendig karakter vertoont") vastgesteld bij een overeenkomst tussen partijen of bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

4.3. Onder de notie "in kracht van gewijsde gegane beslissing" moet worden verstaan een in kracht van gewijsde beslissing die de elementen vastlegt nodig voor de berekening van de verschuldigde arbeidsongevallenvergoedingen.

Krachtens artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek gaat iedere beslissing in kracht van gewijsde zodra zij niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen.

Het begrip "kracht van gewijsde" wordt gedefinieerd als "het verworven zijn door een (gerechtelijke) beslissing die volle uitvoeringsmogelijkheden, zodat ze niet meer kan bestreden worden door verzet of hoger beroep, noch door een buitengewoon rechtsmiddel dat - op het vlak van de tenuitvoerlegging - van rechtswege een schorsende werking heeft." ( P. TAELMAN, " Het gezag van het rechterlijk gewijsde, een begrippenstudie", Kluwer 2001, nr.197, blz.146 en 147).

4.5. Verwijzend naar bepaalde rechterlijke uitspraken (Arbeidshof Antwerpen 9.11.1976; Arbeidsrechtbank Luik 22.12.1972 en Arbeidshof Bergen 13.6.1983) oordeelt de eerste rechter dat de nieuwe bepaling van artikel 72,eerste lid, A.O.W. geen wijziging brengt aan een vroegere regeling die geacht wordt van toepassing te blijven, namelijk dat de herzieningstermijn liep vanaf het vonnis dat de blijvende arbeidsongeschiktheid vaststelde, in casu 20 mei 1980.

5. Het kan naar het oordeel van het Hof niet worden ontkend dat in de praktijk talrijke vonnissen vóór 1984 niet werden betekend, hetgeen heel wat moeilijkheden teweegbracht, zowel voor de verzekeraars en de getroffenen, die het risico liepen dat de rechter zou opwerpen dat de herzieningstermijn nog niet begonnen was te lopen, als voor het Fonds voor Arbeidsongevallen dat het risico liep kapitalen te moeten terugbetalen die werden gestort bij het verstrijken van de drie jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis.

Deze zienswijze bracht uiteraard moeilijkheden met zich mee om de het vertrekpunt van de termijn te bepalen, datum die afhangt van de wil van partijen zelf. (L. VAN GOSSUM & J. VAN MOLLE, "Arbeidsongevallen", Uitg.
MIM N.V., Deurne, 1991, blz.99,in fine. L. VAN GOSSUM, "Les accidents du travail", De Boeck, Brussel, 1989,83).

6.1. Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 4 juni 1984 de gevestigde praktijk verworpen (P.POTS, Arbeidsongevallen, deel I, in Recente Ontwikkelingen van de sociale zekerheid 1980-1986, Reeks Sociaal Recht, nr.31, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen, blz.245 en 246) en in eerste instantie duidelijk gemaakt dat de herzieningstermijn overeenkomstig artikelen 24 en 72 van de AOW slechts kan beginnen lopen vanaf een beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over het recht van de getroffene op een jaarlijkse vergoeding bepaald door de AOW (Cass. 7 november 1983, Arr.Cass. 1983-1985,269; R.W.1984/1985, 1804; Soc.
Kron.1984,27; J.T. 1984, 656; J.T.T. 1985, 256 met noot; Pas 1984,I,248).

6.2. Het Hof oordeelde dat de termijn voor de eis tot herziening slechts begint te lopen vanaf de dag waarop het vonnis, waarbij wordt vastgesteld dat een arbeidsongeschiktheid blijvende is geworden, in kracht van gewijsde is getreden. (Cass. 4 juni 1984 verbreekt het geciteerde arrest van het Arbeidshof te Bergen van 13 juni 1983; T.S.R.1983,533,R.G.A.R.1984,10.839), Arr. Cass. 1983/1984, 1303; R.W.1984/1985, 1776, met noot K. VAN BULCK; B.T.S.Z. 1985, 428 commentaar van P.POTS; De Verzekering, 1984, nr.270, 353, met opmerkingen van L.V.G; T.S.R.1984,575; J.T. 1984,656; J.T.T.1986,255,noot; R.G.A.R.1986, 11020; Pas.1984,I,1214.

Zie commentaar en bedenkingen bij het arrest door A. LINDEMANS, "Verjaring en herzieningstermijn bij arbeidsongevallen: overzicht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie, T.S.R.1996/2, blz. 238 tot 240.

C.PERSYN,R.JANVIER en W. VAN EECKHOUTTE, "Overzicht van rechtspraak - Arbeidsongevallen 1984-1989", T.P.R 1990, nr. 163,blz. 1428 en 1429).

6.3. Na analyse van de voorbereidende teksten blijkt dit arrest daarenboven overeen te stemmen met de bedoeling van de wetgever.(Gedr. St. Senaat, 1969-1970, nr. 328, blz. 18 en 1970-1971, nr. 215, Memorie van Toelichting, blz. 96).
Dit veronderstelt dat alle vonnissen in consolidatie moeten worden betekend.

7. Aan appellante kan niet worden verweten dat zij het initiatief heeft genomen om het vonnis van 20 juni 1980 te betekenen, daar waar de geïntimeerde, de N.V. ING, blijkbaar toepassing heeft gemaakt van de "gangbare praktijk" en derhalve nagelaten heeft de bepaling van artikel 72,eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet toe te passen.

8.1. De bedenkingen van de eerste rechter over de werking in de tijd van een nieuwe wet en het rechtszekerheidsbeginsel zijn, zoals reeds aangehaald sub 3, ter zake niet relevant, nu artikel 72, eerste lid van de Arbeidsongevallenwet van toepassing was op het ogenblik van de uitspraak omtrent de rechtsgevolgen van het arbeidsongeval op 9 september 1977.

Oordelen over een rechtstoestand binnen het toepassingsgebied van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 met rechtspraak en rechtsleer gebaseerd op interpretaties van de bepalingen van de oorspronkelijke Arbeidsongevallenwet van 24 december 1903, is in casu niet gepast.

8.2. Het is immers ondenkbaar dat het duidelijke artikel 72,eerste lid Arbeidsongevallenwet niet zou kunnen toegepast worden op een "gangbare praktijk" van betekening van het vonnis van 20 mei 1980, omdat in die bewuste periode er geen vaste praktijk zou zijn geweest om een regelingsvonnis te betekenen. De basisregel van de interpretatiebenadering is het principe "interpretatio cessat in claris". Zo de woorden van de wet duidelijk zijn mogen geen andere elementen bij de wettekst betrokken worden om deze te interpreteren.

Een duidelijke wettekst moet niet geïnterpreteerd worden (M. VAN HOECKE, "De interpretatievrijheid van de rechter", Bibliotheek van Gerechtelijk Recht,
Kluwer Rechtswetenschappen,Antwerpen, 1979, nr.83, blz.83 en 84).

8.3. De onmogelijkheid te berusten in een vonnis dat uitspraak doet over de toepassing van de Arbeidsongevallenwet zorgt er ook voor dat de herzieningstermijn niet kan aanvangen vanaf de dag van de uitspraak van dat vonnis, maar pas nadat het in kracht van gewijsde is gegaan (C. PERSYN,R. JANVIER en W. VAN EECKHOUTTE, l.c. nr.18, blz. 1228 en de aangehaalde rechtspraak. Cass. 17 oktober 1988, Arr.Cass. 1988-1989; R.W.1988/1989,982,noot;
T.S.R.1989,47; J.T.T.1987, 105,noot; Pas.1989,I,165).

Aldus mag de figuur van de rechtsverwerking evenmin worden aangegrepen.

Hieruit volgt dat de beslissingen van zulk vonnis slechts in kracht van gewijsde kunnen gaan na betekening van het vonnis en bij ontstentenis van hoger beroep (Cass. 27 november 2000, Arr.Cass. 2000/9, nr.645;
J.T.T. 2001,58; Cass. 4 september 2000,Arr.Cass. 200/7, nr.438; J.T.T.2000, 461).

8.4. De herzieningstermijn van drie jaar is geen verjarings- noch een rechtsplegings-termijn, maar een vooraf bepaalde vaste termijn, die de openbare orde raakt en waarvan het verstrijken het verval van het recht zelf tot gevolg heeft en die niet kan worden gestuit of geschorst(Cass. 1 maart 1993, Arr. Cass.
1993/II,nr.122; Soc. Kron. 1993,308 ; Cass. 23 januari 1995, Soc. Kron.1995,166; J.T.T.1995,236; R.W.1995-1996, 499; Cass. 13 mei 2002, R.W.2003/2004, 1061).

9. De vaststelling van de consolidatiedatum en alle elementen ter berekening van de jaarlijkse arbeidsongevallenvergoeding zoals de graad van arbeidsongeschikheid en het basisloon werden bepaald in het vonnis van 20 mei 1980, zodat dit vonnis slechts in kracht van gewijsde kan gaan na betekening van het vonnis en bij ontstentenis van hoger beroep.

10. Tegen het vonnis van 20 mei 1980 werd geen hoger beroep ingesteld. Het werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder op 17 januari 1997, zodat het vertrekpunt van de driejaarlijkse herzieningstermijn aanvangt op 18 februari 1997.

11. De eis tot herziening ingesteld op 8 december 1997 werd tijdig ingesteld, zodat de oorspronkelijke vordering van appellante Monnissen ontvankelijk diende verklaard.

12. Oordelend over de gegrondheid van de eis tot herziening acht het Hof het aangewezen een geneesheer-deskundige aan te stellen om na te gaan en te bepalen, na kennis te hebben genomen van alle geneeskundige bescheiden, of er een wijziging van het verlies van arbeidsongeschiktheid van appellante is vast te stellen, vergeleken met de toestand die beschreven is in het vonnis van 20 mei 1980 (blijvende arbeidsongeschiktheid van 7%;
consolidatiedatum 9 september 1979); in voorkomend geval, de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid en de datum van de wijziging van het verlies van arbeidsongeschiktheid te bepalen.

Na te gaan of er zich periodes van herval in tijdelijke arbeidsongeschiktheid hebben voorgedaan vanaf de consolidatie op 09.09.1979 evenals de graden van deze periodes van herval in TAO te bepalen, hij dient tevens na te gaan vanaf wanneer er een wijziging in de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid is opgetreden en het nieuwe percentage BAO te bepalen.

OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2004
Beslissend op tegenspraak na beraadslaging.
Voegt de zaken, overeenkomstig art. 30 Ger. W., gekend onder A.R. nr. 2030066 en A.R. nr. 2030106 samen onder A.R. nr. 2030066.
Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond.
Verklaart het hoger beroep van appellante M. M. ontvankelijk en reeds deels gegrond in de volgende mate.

Hervormt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 10 januari 2003, gewezen onder A.R.
nr. 4121/97.

En opnieuw recht doende;

Verklaart de oorspronkelijke eis tot herziening ontvankelijk.
Verklaart het principaal hoger beroep van het NVSM ontvankelijk.
Verklaart het door het FAO ingestelde incidenteel hoger beroep ontvankelijk.
Alvorens nader recht te doen over de eis tot herziening van de vergoedingen, gegrond op een wijziging van het verlies van arbeidsgeschiktheid van de getroffene Madeleine Monnissen, benoemd als deskundige dokter L. DESSERS, Tenierslaan 4 te 3500 Hasselt, om dit onderzoek uit te voeren volgens de voorschriften van de artikelen 962 tot en met 991 van het Gerechtelijk Wetboek.

Binnen de acht dagen na de ontvangst van dit arrest, dat hem door de griffier is toegezonden na verzoek van één der partijen, geeft de deskundige aan de rechter, aan de partijen en aan hun (technische) raadslieden per brief kennis van de plaats en van de dag en het uur waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten.

Verzoekt de deskundige, na eerst kennis te hebben genomen van alle informatie en van alle stukken, die de partijen en/of hun raadslieden hem aanbrengen en na Madeleine Monnissen eerst te hebben onderzocht, de volgende opdracht uit te voeren:

"1. Na te gaan en te bepalen of er een wijziging van het verlies van arbeidsongeschiktheid van de getroffene is vast te stellen, vergeleken met de toestand die beschreven is in het vonnis van 20 mei 1980 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren naar aanleiding van het arbeidsongeval waarvan Madeleine Monnissen op 9 september 1977 het slachtoffer werd (=7% bestendige arbeidsongeschiktheid, consolidatiedatum 09.09.1979), te bepalen op de datum van herziening, namelijk op 8 december 1997, rekening houdend met het sub 11 en sub 12 in dit arrest overwogene en, rekening houdend met de weerslag die voormeld arbeidsongeval op de algemene beroepsactiviteit van de getroffene M. M.heeft gehad;

2. na te gaan of er zich periodes van herval in tijdelijke arbeidsongeschiktheid hebben voorgedaan vanaf de consolidatie op 9/9/1979 evenals de graden van deze periodes van herval in TAO te bepalen, (hij dient tevens) na te gaan vanaf wanneer er een wijziging in de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid is opgetreden en het nieuwe percentage BAO te bepalen; tevens duidelijk de evolutie in de arbeidsongeschiktheid te bepalen;

3. advies te verlenen aangaande een eventueel te vestigen prothesekapitaal voor de endogene knieprothese;

4. te zeggen of de graad van 7% blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, vooropgesteld door Dokter THOMAS dient vermeerderd (of verminderd) te worden ingevolge de eventuele gewijzigde aantasting van het economisch potentieel van Madeleine Monnissen; desgevallend te zeggen hoeveel procent deze wijziging van de arbeidsongeschiktheid bedraagt vanaf de datum van herziening;

5. advies te verlenen opzichtens de medische gronden aangaande de toekenning der verergeringsbijslagen door het FAO vanaf 1 september 1996;
te antwoorden op alle nuttige vragen door partijen of hun raadslieden te stellen.

Machtigt de deskundige bovendien zich te laten bijstaan door specialisten naar eigen keuze, voor zover hij zulks nodig acht voor het uitvoeren van zijn opdracht;.

Na afloop van zijn onderzoek schrijft de deskundige zijn bevindingen én een ontwerp van zijn advies neer in een verslag, dat hij eerst aan de partijen en/of hun raadslieden toezendt voor eventuele opmerkingen.

Na de opmerkingen van de partijen en/of hun raadslieden te hebben genoteerd en na ze te hebben beantwoord, legt de deskundige zijn definitief verslag mét advies neer ter griffie van dit Hot uiterlijk binnen de drie maanden na de aanvaarding van zijn opdracht.

Hij ondertekent dit verslag, voorziet het van de schriftelijke en door de wet vereiste eedformule en hij voegt zijn staat van kosten en erelonen bij.

Hij geeft van dit definitief verslag tenslotte kennis aan de partijen en/of hun raadslieden."

Het Hof verwijst de zaak naar de bijzondere rol van deze Kamer en houdt inmiddels de uitspraak over de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt op de openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren:
 

Noot: 

• LIMBURGS RECHTSLEVEN  2006(00002,P.134-138)
• SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN null 2005(00007,P.416-417)

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 27/12/2017 - 13:06
Laatst aangepast op: wo, 27/12/2017 - 13:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.