-A +A

Arbeidsongeval aansprakelijkheidsvordering tegen de werkgever, zijn lasthebbers en aangestelden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/06/2015
A.R.: 
C.14.0169.N

De arbeidsongevallenverzekeraar die de getroffene heeft vergoed en gesubrogeerd is in zijn rechten, beschikt slechts over een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de werkgever, zijn lasthebbers en aangestelden in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet.

Wanneer schade veroorzaakt is door samenlopende fouten van verschillende personen, kan de aansprakelijke persoon die het slachtoffer heeft vergoed en hierdoor van rechtswege in de rechten van het slachtoffer tegen de medeaansprakelijken is gesubrogeerd, verhaal nemen op ieder van de medeaansprakelijke personen die met hem in solidum is of had kunnen worden veroordeeld

Degene die aansprakelijk is voor een arbeidsongeval en de arbeidsongevallenverzekeraar heeft vergoed voor diens uitgaven aan de getroffene en zijn rechthebbenden, beschikt slechts over een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de medeaansprakelijke werkgever van de getroffene in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/3
Pagina: 
166
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V.P. NV / B.-B. A.S.E. NV en A.B. M.E.-C. NV - Rolnr.: C.14.0169.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 maart 2013.

(…)

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen
artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet;
de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, 3° van het Burgerlijk Wetboek;
de artikelen 46 en 47 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Aangevochten beslissingen en motivering
Het aangevochten arrest van 8 maart 2013

verklaart het incidenteel beroep van de eiseres tot cassatie, V.P. NV, ongegrond;
bevestigt het beroepen vonnis van 12 februari 2010 in zover dit de eiseres tot cassatie veroordeelde tot vrijwaring van elk van de twee verweersters in cassatie tot beloop van 20% van de tegen elk van hen uitgesproken veroordeling;
verwijst de eiseres tot cassatie in de kosten van dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring aan de zijde van de tweede verweerster in cassatie;
en verwijst de eiseres tot cassatie in haar eigen gedingkosten in hoger beroep.
Het aangevochten arrest steunt deze beslissingen

• vooreerst op onder andere de overwegingen:

dat op 23 oktober 2006 F.G., werknemer van eiseres tot cassatie, V.P. NV (onderaannemer), het slachtoffer werd van een arbeidsongeval;
dat het slachtoffer G. een fout in causaal verband met zijn schade beging;
dat A.B. NV als arbeidsongevallenverzekeraar het slachtoffer vergoedde en verhaal nam op de verweersters in cassatie, zijnde de veiligheidscoördinator en de hoofdaannemer;
dat de veiligheidscoördinator, B.-B. A.S.E. BVBA, eerste verweerster in cassatie, fouten in causaal verband met het arbeidsongeval en de schade van werknemer G. beging;
dat de hoofdaannemer, A.B. M.E.-C. NV, de tweede verweerster in cassatie, eveneens fouten in causaal verband met het arbeidsongeval en de schade van het slachtoffer G. beging;
dat de eiseres tot cassatie, V.P. NV, onderaannemer was, dat een werknemer van een andere ploeg van haar ook een fout in causaal verband met het arbeidsongeval en de schade van het slachtoffer G. begaan had en dat ten slotte de eiseres tot cassatie zelf ook fouten in causaal verband met het ongeval begaan had, zodat zij ook aansprakelijk was;
• vervolgens op de overwegingen:

“4. Het hof [van beroep] treedt de eerste rechter bij waar de eigen aansprakelijkheid van F.G. werd bepaald op 1/3 en geoordeeld werd dat de fouten van B. BVBA en E.-C. NV in gelijke mate hebben bijgedragen tot het ongeval en de schadelijke gevolgen ervan zodat deze in solidum worden veroordeeld tot 2/3 van de schade en hun wederzijdse tussenvorderingen tot beloop van de helft gegrond zijn.

A.B. NV heeft in deze instantie haar schade-eis herleid tot 68.642,17 EUR, meer kosten en interesten, waaromtrent cijfermatig geen betwisting.

Gelet op de 1/3-aansprakelijkheid van het slachtoffer wordt het schadebedrag dan herleid tot 45.761,44 EUR.

Ook de beoordeling door de eerste rechter van de (gedeeltelijke) gegrondheid van de tussenvorderingen van B. BVBA en E.-C. NV gesteld tegen V.P. NV kan worden bijgetreden zodat deze gegrond zijn tot beloop van 20%”

• en, ten slotte, op volgende overwegingen:

“3.4. De aansprakelijkheid van V.P. NV.

3.4.1. Artikel 46, § 1 arbeidsongevallenwet bepaalt de gevallen waarin, ongeacht de uit die wet voortvloeiende rechten, de getroffene of zijn rechthebbenden een rechtsvordering inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid kunnen instellen.

De civielrechtelijke immuniteit ten gunste van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelden, is enkel tegenwerpelijk tegen de getroffene en zijn rechthebbenden, bedoeld in de artikelen 12 tot 17 arbeidsongevallenwet, die recht hebben op de vergoedingen waarin de wet voorziet.

De voormelde immuniteit geldt niet ten aanzien van andere personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de arbeidsongevallenwet (zie Cass. 21 mei 2002, www.cass.be).

De vrijwaringsvorderingen tegen V.P. NV zijn dus ontvankelijk.”

Grieven

Het aangevochten arrest dat de verweersters in cassatie in solidum veroordeelde tot betaling van 45.761,44 EUR met interesten aan de arbeidsongevallenverzekeraar A.B. NV, verklaart de vorderingen tot vrijwaring van de verweersters in cassatie tegen de eiseres tot cassatie tot beloop van 20% gegrond, i.h.b. op grond van de overweging dat de civielrechtelijke immuniteit waarop eiseres tot cassatie zich als werkgever beriep, niet tegen de verweersters in cassatie kon tegengeworpen worden.

Eerste onderdeel (schending van art. 149 van de gecoördineerde Grondwet)

1. Het aangevochten arrest overweegt dat de civielrechtelijke immuniteit ten gunste van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelden enkel kan tegengeworpen worden aan de getroffene en zijn rechthebbenden, bedoeld in de artikelen 12 tot 17 arbeidsongevallenwet, die recht hebben op de vergoedingen waarin die wet voorziet.

2. Het aangevochten arrest onderzoekt niet en bevestigt noch ontkent dat verweersters in cassatie handelden als gesubrogeerden in de rechten van getroffene F.G.

3. Het aangevochten arrest antwoordt derhalve niet op de “Beroepsconclusie” van de eiseres tot cassatie waarin ingeroepen was dat de vordering tot vrijwaring tegen haar diende afgewezen te worden, omdat de burgerlijke immuniteit waarvan sprake in artikel 46 van de arbeidsongevallenwet niet enkel geldt tegenover het slachtoffer, maar ook tegenover diegene die in de rechten van het slachtoffer gesubrogeerd is, te dezen de verweersters in cassatie.

Het aangevochten arrest is bijgevolg wegens gebrek aan antwoord op dit middel uit de appelconclusie van de eiseres tot cassatie niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Tweede onderdeel (schending van art. 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, 3° van het Burgerlijk Wetboek, van art. 46 en 47 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en van art. 149 van de gecoördineerde Grondwet)

1.A. Inzake vergoeding van arbeidsongevallen kunnen de getroffen werknemer en zijn rechthebbenden aanspraak maken op vaste vergoedingen zoals bepaald in de artikelen 12 tot 17 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Deze wet ontneemt hen de mogelijkheid een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de persoon die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval, behoudens de in artikel 46, § 1 van deze wet vermelde personen.

Uit dit artikel 46, § 1 volgt dat in bepaalde gevallen de werkgever die naar gemeen recht aansprakelijk zou zijn (op grond van art. 1382 Burgerlijk Wetboek wegens een eigen fout of op grond, van art. 1384, 3° Burgerlijk Wetboek wegens fout van een andere werknemer), zijn civielrechtelijke immuniteit kan inroepen tegen de getroffen werknemer of zijn rechthebbenden.

1.B. De civielrechtelijke immuniteit waarvan sprake in genoemd artikel 46, § 1, kan ook ingeroepen worden tegen de verzekeringsonderneming (arbeidsongevallenverzekeraar) of het Fonds voor Arbeidsongevallen die overeenkomstig artikel 47 van de arbeidsongevallenwet gesubrogeerd worden in de rechten van “de getroffene of zijn rechthebbenden”.

1.C. Uit voorgaande regels volgt dat wanneer de werkgever aansprakelijk zou zijn voor de schade van zijn werknemer (op grond van art. 1382 Burgerlijk Wetboek wegens de eigen fout van de werkgever of op grond van art. 1384, 3° Burgerlijk Wetboek wegens de fout van een andere werknemer), de civielrechtelijke immuniteit van de werkgever waarvan sprake in artikel 46, § 1 van de arbeidsongevallenwet, belet dat de getroffen werknemer of de in zijn rechten gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar de schade van de getroffen werknemer kan verhalen op de werkgever.

2.A. Wanneer twee of meer personen elk een fout in causaal verband met de schade van het slachtoffer begingen, dan is elk van hen - overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek - gehouden tot het vergoeden van de totaliteit van de schade van het slachtoffer (behoudens het eigen aandeel van het slachtoffer in het ontstaan van zijn schade).

3. Onder deze jegens het slachtoffer in solidum aansprakelijke personen geldt in gemeen recht een verdeling van aansprakelijkheid volgens ieders bijdrage in de schade.

4. Overeenkomstig artikel 1251, 3° van het Burgerlijk Wetboek geschiedt indeplaatsstelling van rechtswege ten voordele van hem die, met anderen of voor anderen tot betaling van een schuld gehouden zijnde, er belang bij had deze te voldoen.

Een in solidum gehouden aansprakelijke derde die het slachtoffer (of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar) volledig vergoedde, heeft overeenkomstig dat artikel 1251, 3°, tegen elke in solidum medeaansprakelijke derde een regresrecht ten belope van de bedragen die overeenstemmen met het aandeel van die medeaansprakelijke in de schade.

Een in solidum gehouden aansprakelijke derde die het slachtoffer (of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar) volledig vergoedde, kan bijgevolg - als gesubrogeerde in de rechten van de schuldeiser (zijnde het slachtoffer of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar) - de in solidum medeaansprakelijke derde aanspreken voor diens aandeel in de totstandkoming van de schade van het slachtoffer.

5. Uit de samenlezing van alle voorgaande regels volgt dat de arbeidsongevallenverzekeraar (gesubrogeerd in de rechten van de getroffen werknemer) de voor het ongeval aansprakelijke derden voor de totaliteit van de gedane uitgaven en kosten (behoudens het eigen aandeel van de getroffen werknemer in de totstandkoming van zijn schade) in solidum kan aanspreken met inbegrip van het aansprakelijkheidsdeel van de werkgever (die op grond van art. 1382 Burgerlijk Wetboek wegens eigen fout of op grond van art. 1384, 3° van het Burgerlijk Wetboek wegens fout van een andere werknemer medeaansprakelijk is voor de schade van zijn getroffen werknemer).

Uit de samenlezing van voorgaande regels volgt tevens dat een in solidum gehouden aansprakelijke derde die de arbeidsongevallenverzekeraar (gesubrogeerd in de rechten van de getroffen werknemer) volledig vergoedde, als gesubrogeerde in de rechten van de schuldeiser (te dezen uiteindelijk de getroffen werknemer) voor alle aan de getroffen werknemer uitgekeerde vergoedingen (behoudens het eigen aandeel van de getroffen werknemer in de totstandkoming van zijn schade) overeenkomstig artikel 1251, 3° van het Burgerlijk Wetboek verhaal kan nemen op een in solidum medeaansprakelijke derde, doch niet op de werkgever die civielrechtelijke immuniteit geniet in de zin van artikel 46, § 1 van de arbeidsongevallenwet.

Wanneer een arbeidsongeval veroorzaakt wordt door samenlopende fouten van de werkgever en van derden, beschikken deze derden derhalve niet over regres tegen de werkgever (ten belope van zijn aandeel in de aansprakelijkheid).

Deze derden die samen met de werkgever aansprakelijk worden gesteld voor een arbeidsongeval, en tegen wie de arbeidsongevallenverzekeraar een rechtsvordering instelt tot beloop van de krachtens artikel 46, § 2, eerste lid gedane vergoedingen, kunnen bijgevolg - behoudens de in artikel 46, § 1 vermelde gevallen - geen rechtsvordering instellen tegen de werkgever tot betaling van het deel van de schade waarvoor die aansprakelijk is.

6. Uit het aangevochten arrest van 8 maart 2013 blijkt dat:

werknemer F.G. het slachtoffer werd van een arbeidsongeval waarvoor hij zelf wegens zijn eigen fout voor 1/3 aansprakelijk was;
de verweersters in cassatie, respectievelijk veiligheidscoördinator en hoofdaannemer, fouten in causaal verband met het arbeidsongeval en de schade begaan hadden;
ook de eiseres tot cassatie, onderaannemer en werkgever van de getroffen werknemer G., alsook een van haar andere werknemers fouten in causaal verband met het arbeidsongeval en de schade begaan hadden;
de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar die de getroffen werknemer G. vergoed had, na aanrekening van het eigen aandeel van het slachtoffer, voor 2/3 gegrond was jegens verweersters in cassatie die in solidum veroordeeld werden om deze 2/3 aan de arbeidsongevallenverzekeraar terug te betalen;
de verweersters in cassatie een vordering tot vrijwaring ingesteld hadden tegen de eiseres tot cassatie omdat zij zelf en een andere werknemer van haar eveneens fouten in causaal verband met het arbeidsongeval en de schade begaan hadden.
7. Op grond van deze vaststellingen kon het aangevochten arrest niet wettig besluiten dat de eiseres tot cassatie de civielrechtelijke immuniteit ten gunste van de werkgever niet vermocht in te roepen tegen verweersters in cassatie, en dat zij deze immuniteit enkel aan de getroffene (werknemer G.) kon tegenwerpen, doch niet aan andere personen (de verweersters in cassatie) die geen recht hadden op vergoedingen krachtens de arbeidsongevallenwet.

Het arrest is derhalve niet wettelijk verantwoord en schendt de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, 3° van het Burgerlijk Wetboek alsook de artikelen 46 en 47 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Minstens laat het arrest na aan te geven dat en waarom de verweersters in cassatie die in solidum veroordeeld werden tegenover de arbeidsongevallenverzekeraar die (conform art. 47 van de arbeidsongevallenwet) gesubrogeerd was in de rechten van de getroffen werknemer G., op hun beurt en bij toepassing van artikel 1251, 3° van het Burgerlijk Wetboek niet gesubrogeerd zouden geweest zijn in de rechten van de getroffen werknemer.

Bij gebrek aan deze vaststellingen kan Uw Hof zijn controlebevoegdheid niet uitoefenen en is het arrest niet regelmatig gemotiveerd (schending van art. 149 van de gecoördineerde Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Tweede onderdeel
1. Krachtens artikel 47, eerste en tweede lid arbeidsongevallenwet kunnen de verzekeringsonderneming en het Fonds voor Arbeidsongevallen een rechtsvordering instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke tot beloop van de krachtens artikel 46, § 2, eerste lid gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld bij de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. Zij kunnen die burgerlijke vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 46, § 2, eerste lid krachtens het gemeen recht hadden kunnen uitoefenen.

Krachtens artikel 46, § 1 arbeidsongevallenwet is, ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten, de rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de werkgever, zijn lasthebbers en aangestelden slechts mogelijk voor de getroffene of zijn rechthebbenden in de in deze bepaling opgesomde gevallen.

Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat de arbeidsongevallenverzekeraar die de getroffene heeft vergoed en gesubrogeerd is in zijn rechten, slechts over een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de werkgever, zijn lasthebbers en aangestelden beschikt in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1 arbeidsongevallenwet.

2. Wanneer schade veroorzaakt is door samenlopende fouten van verschillende personen, kan de aansprakelijke persoon die het slachtoffer heeft vergoed en hierdoor van rechtswege in de rechten van het slachtoffer tegen de medeaansprakelijken is gesubrogeerd, verhaal nemen op ieder van de medeaansprakelijke personen die met hem in solidum is of had kunnen worden veroordeeld.

3. Uit wat voorafgaat volgt dat degene die aansprakelijk is voor een arbeidsongeval en de arbeidsongevallenverzekeraar heeft vergoed voor diens uitgaven aan de getroffene en zijn rechthebbenden, slechts over een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de medeaansprakelijke werkgever van de getroffene beschikt in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1 arbeidsongevallenwet.

4. De appelrechter stelt vast en oordeelt, mede met overname van de redenen van het beroepen vonnis, dat:

een werknemer van de eiseres op 23 oktober 2006 slachtoffer werd van een arbeidsongeval;
het ongeval te wijten is aan de fouten van zowel het slachtoffer, de eerste en tweede verweersters, als de eiseres;
de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar die het slachtoffer heeft vergoed, gegrond is jegens de verweersters die, onder aftrek van het aandeel van het slachtoffer in de schadelast, in solidum gehouden zijn tot hetgeen deze aan het slachtoffer heeft betaald;
de door de verweersters tegen de eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring ontvankelijk is en gedeeltelijk gegrond, tot beloop van 20% van de tegen hen uitgesproken veroordeling.
5. De appelrechter die oordeelt dat de burgerrechtelijke immuniteit bepaald in artikel 46, § 1 arbeidsongevallenwet enkel tegenwerpelijk is aan de getroffene en (zoals verbeterd bij arrest van 17 september 2015) zijn rechthebbenden en niet aan andere personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de arbeidsongevallenwet en op deze grond de eiseres veroordeelt tot vrijwaring van de verweersters, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk verklaart en oordeelt over de tegen haar ingestelde vordering tot vrijwaring van de verweersters.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen (zoals verbeterd bij arrest van 17 september 2015).

C.14.0169.N
Conclusie van de advocaat-generaal Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan werd een werknemer van eiseres het slachtoffer van een arbeidsongeval op een werf van in aanbouw zijnde appartementen.

De arbeidsongevallenverzekeraar betaalde diverse vergoedingen aan de getroffen werknemer en wenste deze te verhalen op eerste verweerster als veiligheidscoördinator en op tweede verweerster als hoofdaannemer.

Eerste en tweede verweerster stelden op hun beurt een vordering tot vrijwaring in tegen eiseres als onderaannemer, op grond van fouten van andere werknemers van eiseres en van eiseres zelf in causaal verband met het ongeval.

2. Het hof van beroep te Gent bevestigde bij arrest van 8 maart 2013 het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 12 februari 2010 waarbij de aansprakelijkheid voor 6/18 op het slachtoffer werd gelegd, voor 5/18 op eerste verweerster als veiligheidscoördinator, voor 5/18 op tweede verweerster als hoofdaannemer en voor 2/18 op eiseres als werkgever.

Verweersters werden in solidum veroordeeld tot terugbetaling aan de arbeidsongevallenverzekeraar van twee derden van diens uitkeringen aan de getroffene en eiseres werd veroordeeld tot vrijwaring van verweersters ten belope van 20 procent van hun aandeel.

Wat de vrijwaringsvordering van verweersters ten aanzien van eiseres betreft, stelde de appelrechter dat de civielrechtelijke immuniteit ten gunste van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelden, enkel tegenwerpelijk is tegen de getroffene en zijn rechthebbenden, bedoeld in de artikelen 12 tot 17 van de Arbeidsongevallenwet, die recht hebben op de vergoeding waarin de wet voorziet. De voormelde immuniteit geldt volgens de appelrechter niet ten aanzien van andere personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet.

3. Het cassatieberoep van eiseres tegen het bestreden arrest maakt het voorwerp uit van de huidige procedure. Eiseres komt daarmee op tegen haar veroordeling tot vrijwaring van eerste en tweede verweersters.

Het enig cassatiemiddel

4. Eiseres komt met haar enig cassatiemiddel op tegen het bestreden arrest dat haar veroordeelde tot vrijwaring van eerste en tweede verweersters, in het bijzonder op grond van de overweging dat de civielrechtelijke immuniteit waarop eiseres zich als werkgever beriep, niet tegen verweersters kon tegengeworpen worden.

5. In het eerste onderdeel van het cassatiemiddel voert eiseres een motiveringsgebrek aan omdat het bestreden arrest volgens eiseres niet heeft onderzocht of verweersters handelden als gesubrogeerden in de rechten van van het slachtoffer en aldus niet heeft geantwoord op haar beroepsconclusie waarin zij had ingeroepen dat de vordering tegen haar diende afgewezen te worden, omdat de burgerlijke immuniteit waarvan sprake in artikel 46 van de Arbeidsongevallenwet niet enkel geldt tegenover het slachtoffer, maar ook tegen diegene die in de rechten van het slachtoffer gesubrogeerd is.

6. In het tweede onderdeel voert eiseres schending aan van de artikelen 1251, 3°, 1382, 1383 en 1384, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, van de artikelen 46 en 47 van de Arbeidsongevallenwet en van artikel 149 van de Grondwet.

7. Zij voert daarin aan dat een in solidum gehouden aansprakelijke derde die de in de rechten van de getroffen werknemer gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar volledig vergoedde, als gesubrogeerde in de rechten van de schuldeiser (te dezen uiteindelijk de getroffen werknemer) voor alle aan de getroffen werknemer uitgekeerde vergoedingen (behoudens het eigen aandeel van de getroffen werknemer in de totstandkoming van zijn schade), overeenkomstig artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek verhaal kan nemen op een in solidum medeaansprakelijke derde, doch niet op de werkgever die civielrechtelijke immuniteit geniet in de zin van artikel 46, §1, van de Arbeidsongevallenwet.

Wanneer een arbeidsongeval veroorzaakt wordt door samenlopende fouten van de werkgever en van derden, beschikken deze derden volgens eiseres derhalve niet over regres tegen de werkgever. Deze derden die samen met de werkgever aansprakelijk worden gesteld voor een arbeidsongeval, en tegen wie de arbeidsongevallenverzekeraar een rechtsvordering instelt tot beloop van de krachtens artikel 46, §2, gedane vergoedingen, kunnen bijgevolg volgens eiseres, behoudens de in artikel 46, §1, vermelde gevallen, geen rechtsvordering instellen tegen de werkgever tot betaling van het deel van de schade waarvoor die aansprakelijk is.

Eiseres acht dan ook dat het arrest, dat het tegendeel beslist, niet wettelijk verantwoord is.

8. Minstens laat het bestreden arrest volgens eiseres na aan te geven dat en waarom verweersters die in solidum veroordeeld werden tegenover de in de rechten van de getroffen werknemer gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar op hun beurt niet gesubrogeerd zouden zijn in de rechten van het slachtoffer; bij gebreke aan deze vaststellingen kan het Hof volgens eiseres zijn controlebevoegdheid niet uitoefenen, wat een schending van artikel 149 van de Grondwet uitmaakt.

Bespreking van het tweede onderdeel van het enig cassatiemiddel

9. Krachtens artikel 46, §1, van de Arbeidsongevallenwet zijn de werkgever en diens lasthebber of aangestelde, behoudens de in dit artikel opgesomde uitzonderingen, burgerrechtelijk immuun ten aanzien van de getroffene of zijn rechthebbenden.

10. De vergoedingen die krachtens de Arbeidsongevallenwet worden toegekend zijn beperkt en forfaitair van aard. Zij bedragen vaak minder dan de vergoeding waarop de benadeelden naar gemeen recht aanspraak zouden kunnen maken. Wanneer het ongeval te wijten is aan de fout van een andere persoon, hebben de benadeelden er dan ook belang bij op grond van het gemene recht een vergoeding te kunnen vorderen van de aansprakelijke, als aanvulling op de hen toekomende arbeidsongevallenvergoeding.

Indien de aansprakelijkheid voor het arbeidsongeval op de werkgever van de getroffene rust of op zijn aangestelde of lasthebber, kunnen de getroffene en zijn rechthebbenden aldus geen aansprakelijkheidsvordering instellen, behoudens in de gevallen opgesomd in artikel 46, §1, van de Arbeidsongevallenwet: in geval van opzet, voor schade aan goederen, wanneer het ongeval zich voordoet op de weg naar en van het werk, wanneer het ongeval een verkeersongeval betreft of in geval van ernstige inbreuk op de veiligheidsreglementering. Buiten deze gevallen zal de getroffene of zijn rechthebbende zich wegens de immuniteit tevreden moeten stellen met de beperkte arbeidsongevallenvergoeding

11. Procureur-generaal DU JARDIN wees er in zijn conclusie voor 's Hofs arrest van 21 mei 2002 op dat de civielrechtelijke immuniteit de tegenhanger vormt van de op de werkgever rustende verzekeringsplicht. Zij beantwoordt tevens aan de bekommernis om de sociale vrede in het bedrijf te handhaven. Die zou immers in het gedrang komen bij vorderingen jegens de werkgever of de medewerknemers.(1)

Ook BOONE wijst erop dat de bekommernis om de sociale rust binnen het bedrijf te handhaven en de verstoring van de arbeidsrelatie te voorkomen traditioneel als rechtvaardiging wordt aangevoerd voor de immuniteit die in verschillende landen is toegekend aan de werkgever van het slachtoffer en zijn werkmakkers bij professionele risico's, met name bij arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het behoud van de sociale vrede en de bedrijfsrust houdt in dat men processen tussen werkgever en werknemer zo veel mogelijk wil vermijden.

Deze auteur voegt daaraan toe dat met betrekking tot de werkgever naast dit "bedrijfsvrede-argument" ook het "financierings- of premie-argument" speelt. De arbeidsongevallenverzekering en de beroepsziektenregeling worden uitsluitend gefinancierd door premies of bijdragen van de werkgevers, die daarmee de dekking van deze risico's bekostigen voor al hun werknemers. Aangenomen wordt dan ook dat het niet opgaat de werkgever vervolgens, op grond van zijn aansprakelijkheid, te laten betalen voor precies die uitkeringen waarvoor hij de premies heeft betaald.(2)

Ook VAN GOSSUM stelt dat de wettelijke immuniteit van de werkgever berust op twee gedachten, met name de tegenpool voor de verzekeringsplicht en het behoud van de sociale vrede.(3)

In bepaalde rechtsleer wordt dan weer gesteld dat het behoud van de sociale vrede een zeer smalle basis is voor de immuniteit van de Arbeidsongevallenwet en dat ook het belang van de bedrijfssolidariteit sterk afgenomen is.(4)

12. In zijn voormeld arrest van 21 mei 2002 besliste Uw Hof dat het begrip ‘rechthebbenden' bedoeld in voormeld artikel 46, §1, van de Arbeidsongevallenwet enkel betrekking heeft op de personen, bedoeld in de artikelen 12 tot 17 van die wet, die recht hebben op de vergoedingen waarin die wet voorziet. Hierdoor geldt de immuniteit volgens het Hof niet ten aanzien van personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet.(5)

13. Het onderdeel nodigt het Hof uit een antwoord te verstrekken op de rechtsvraag of deze burgerlijke immuniteit, behoudens de in dit artikel voormelde uitzonderingen, ook geldt tegenover diegenen die in de rechten van het slachtoffer zijn gesubrogeerd, ten dezen de verweersters.

14. De immuniteit geldt eveneens ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar of het Fonds voor Arbeidsongevallen die ingevolge vergoeding van het slachtoffer, op grond van artikel 47, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet gesubrogeerd worden in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 46, §2, eerste lid, krachtens het gemene recht hadden kunnen uitoefenen. Aangezien zij gesubrogeerd worden in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden, kunnen zij slechts hun uitgaven verhalen op de aansprakelijke in de gevallen waarin het slachtoffer zelf beschikt over een vordering tegen de aansprakelijke.(6)

In de rechtsleer wordt weliswaar erop gewezen dat het in feite gaat om een "quasi-subrogatie" en niet om een "echte subrogatie" vermits de arbeidsongevallenverzekeraar niet de schuld van een ander, maar een eigen schuld betaalt(7); BOONE wijst er echter terecht op dat de exacte kwalificatie in de praktijk niet zo een groot verschil uitmaakt: eigenlijk vormen de gevallen van wettelijke subrogatie ten voordele van de verzekeraar en andere uitkeringsinstanties slechts de bevestiging van het beginsel, neergelegd in artikel 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek.(8)

15. De casus die in deze zaak aan bod komt roept de vraag op of de immuniteit van de werkgever ook tegenstelbaar is ten aanzien van medeaansprakelijke-derden, in casu de verweersters, die gesubrogeerd zijn in de rechten van de arbeidsongevallenverzekeraar, die op zijn beurt gesubrogeerd is in de rechten van de getroffene of zijn rechthebbenden.

16. Deze vraag moet naar mijn mening bevestigend beantwoord worden. De burgerrechtelijke immuniteit lijkt mij eveneens tegenstelbaar te zijn aan de personen die gesubrogeerd zijn in de rechten van de getroffene of zijn rechthebbenden, en ook aan degenen die gesubrogeerd zijn in de rechten van de krachtens artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden gesubrogeerde arbeidsongevallenverzekeraar. Uiteindelijk zijn de rechten waarin de mede-aansprakelijke derden gesubrogeerd zijn beperkt tot deze waarover het slachtoffer of zijn rechthebbenden beschikten.

17. De arbeidsongevallenverzekeraar die aan het slachtoffer de wettelijke arbeidsongevallenvergoedingen heeft uitbetaald, wordt immers gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden tegen de aansprakelijke derde; hij kan de aan het slachtoffer uitbetaalde arbeidsongevallenvergoeding terugvorderen van die aansprakelijke derde.(9) Wanneer de arbeidsongevallenverzekeraar zijn subrogatoire vordering uitoefent tegen een medeaansprakelijke-derde, wordt deze laatste door zijn betaling of veroordeling op zijn beurt gesubrogeerd in de rechten van de arbeidsongevallenverzekeraar en uiteindelijk dus in de rechten van het slachtoffer of zijn rechthebbenden.

18. Naar mijn mening kan de werkgever die op zijn beurt aangesproken wordt door die medeaansprakelijke derde, aan deze met succes de burgerlijke immuniteit, die hij tegenover het slachtoffer, zijn rechthebbenden, de arbeidsongevallenverzekeraar en het Fonds voor Arbeidsongevallen geniet, tegenwerpen. Het regres van de derde tegen de medeaansprakelijke werkgever of collega-werknemer zal dus verhinderd worden door hun immuniteit, met uitzondering van de situaties van artikel 46 van de Arbeidsongevallenwet.(10) Alle verweer dat de werkgever kan ontlenen aan zijn rechtsbetrekking met het slachtoffer of zijn rechthebbenden, kan hij ook aan de in diens rechten gesubrogeerden tegenwerpen. Zo dit niet het geval zou zijn, zou de civielrechtelijke immuniteit immers worden uitgehold.(11)

De medeaansprakelijke-derde die gesubrogeerd is in de rechten van de (in de rechten van het slachtoffer gesubrogeerde) arbeidsongevallenverzekeraar kan mijns inziens het aandeel van de werkgever in de uiteindelijke schadelast dat hij aan de arbeidsongevallenverzekeraar heeft betaald of waartoe hij ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar werd veroordeeld, bijgevolg niet van de werkgever terugvorderen.(12)

19. Het verhaalsrecht van de gesubrogeerde kan er immers niet toe leiden dat de aansprakelijke (werkgever) in een slechtere positie komt te verkeren dan deze waarin hij zou hebben verkeerd wanneer hij door de benadeelde (het slachtoffer of zijn rechthebbende) zelf tot schadevergoeding zou zijn aangesproken.

Aangezien de civielrechtelijke immuniteit van de werkgever tegenstelbaar is ten aanzien van zowel de getroffene en diens rechthebbenden, als de arbeidsongevallenverzekeraar en het Fonds voor Arbeidsongevallen, is deze bijgevolg ook tegenstelbaar aan de in hun rechten gesubrogeerde personen.

20. Dat een derde die samen met een werkgever aansprakelijk wordt gesteld voor een arbeidsongeval, het aandeel in de uiteindelijke schadelast van de werkgever waartoe hij ten aanzien van de arbeidsongevallenverzekeraar gehouden was, behoudens de in artikel 46 vermelde gevallen, ten aanzien van de werkgever niet kan verhalen, is volgens het Grondwettelijk Hof niet kennelijk onredelijk. Volgens het Grondwettelijk Hof had de wetgever bij het regelen van de gevolgen van arbeidsongevallen niet als enige bekommernis de arbeidsverhoudingen niet te verstoren. De in het geding zijnde bepaling beoogt tevens de financiële last die werkgevers dragen door het betalen van de premies voor de verplichte arbeidsongevallenverzekering, niet te verzwaren door een eventuele gemeenrechtelijke vergoedingsverplichting. Indien de derde-aansprakelijke een rechtsvordering zou kunnen instellen tegen de werkgever ten belope van het deel van de schade waarvoor deze aansprakelijk zou zijn, komt de doelstelling van de wetgever volgens het Grondwettelijk Hof in het gedrang.(13)

21. De appelrechter stelt vast dat een werknemer van eiseres op 23 oktober 2006 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval, en oordeelt, mede met overname van de redenen van het beroepen vonnis, dat:het ongeval te wijten is aan de fouten van zowel het slachtoffer, eerste en tweede verweersters, als eiseres;
de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar die het slachtoffer heeft vergoed, gegrond is jegens verweersters die, onder aftrek van het aandeel van het slachtoffer in de schadelast, in solidum gehouden zijn tot hetgeen deze arbeidsongevallenverzekeraar aan het slachtoffer heeft betaald;
de door verweersters tegen eiseres ingestelde vordering tot vrijwaring ontvankelijk is en gedeeltelijk gegrond, tot beloop van 20 procent van de tegen hen uitgesproken veroordeling.

22. De appelrechter die oordeelt dat de tegen eiseres ingestelde vorderingen tot vrijwaring ontvankelijk zijn omdat "de civielrechtelijke immuniteit ten gunste van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelden, enkel tegenwerpelijk (is) tegen de getroffene en zijn rechthebbenden, bedoeld in de artikelen 12 tot 17 van de Arbeidsongevallenwet, die recht hebben op de vergoedingen waarin die wet voorziet", en dat "de voormelde immuniteit niet geldt ten aanzien van andere personen die geen recht hebben op vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet", verantwoordt zijn beslissing naar mijn mening niet naar recht.

De overige grieven

23. De overige grieven lijken mij niet tot ruimere cassatie te kunnen leiden en derhalve geen antwoord te behoeven.

Conclusie:

24. Vernietiging in zoverre het bestreden arrest oordeelt over de vrijwaringsvorderingen van verweersters tegen eiseres en over de kosten.
_________________________
(1) Concl. van procureur-generaal J. DU JARDIN voor Cass. 21 mei 2002, AR P.00.1635.N, AC 2002, nr. 307.
(2) I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia 2009, 614.
(3) L. VAN GOSSUM, noot onder GwH 17 januari 2008, De Verz. 2008, 278.
(4) B. LIETAERT, "Is de immuniteit van de arbeidsongevallenwetten en de beroepsziektenwet aan eenieder tegenwerpelijk?", TSR 1996, (147) 166, nr. 16.
(5) Cass. 21 mei 2002, AR P.00.1635.N, AC 2002, nr. 307, met concl. van procureur-generaal J. DU JARDIN.
(6) I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia 2009, 618 en 628-629.
(7) V. VERVLIET, Buitencontractuele aansprakelijkheid bij professionele risico's, Antwerpen, Intersentia 2007, 487, nr. 711; A. VAN OEVELEN, G. JOCQUE, C. PERSYN en B. DE TEMMERMAN, "Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)", TPR 2007, (933) 1405.
(8) I. BOONE, "De verschillende belangen van slachtoffers en regresnemers: uitgangspunt voor een verschillend aansprakelijkheidsrecht?", TPR 2003, (929) 947-949; A. VAN OEVELEN, G. JOCQUE, C. PERSYN en B. DE TEMMERMAN, "Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad: schade en schadeloosstelling (1993-2006)", TPR 2007, (933) 1405.
(9) V. VERVLIET, Buitencontractuele aansprakelijkheid bij professionele risico's, Antwerpen, Intersentia 2007, 282, nr. 393.
(10) Ibid. 494, nr. 719.
(11) I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia 2009, 639; C. PERSYN, R. JANVIER en W. VAN EECKHOUTTE, "Overzicht van rechtspraak. Arbeidsongevallen 1984-1989", TPR 1990, (1203) 1366; V. VERVLIET, Buitencontractuele aansprakelijkheid bij professionele risico's, Antwerpen, Intersentia 2007, 499, nr. 727.
(12) J. VANHOREN, noot onder Luik 4 oktober 1999, De Verz. 2000, (54) 56.
(13) GwH 17 januari 2008, nr. 7/2008, ro B.5, AGwH 2008, (63) 71; De Verz. 2008, 276, noot L. VAN GOSSUM; NJW 2008, 79, noot I. BOONE.
 

Noot: 

Dooms, V., « De weg van de immuniteit is bezaaid met valkuilen », R.A.B.G., 2016/3, p. 173-177

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 09:26
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 09:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.