-A +A

Arbeidsongeval – Subrogatie – Verzekeraar – Aansprakelijke derde

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 28/04/2015
A.R.: 
AR nr. P.13.1010.N

Om te bepalen of de op basis van het gemene recht toe te kennen schadeloosstelling meer bedraagt dan de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde uitkeringen, moet het bedrag van de arbeidsongevallenuitkeringen, inclusief de sociale bijdragen, vergeleken worden met het bedrag van de gemeenrechtelijke vergoedingen. De rechtsvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar tegen de aansprakelijke derde, tot beloop van de gevestigde kapitalen overeenkomstig art. 47, eerste lid Arbeidsongevallenwet, heeft betrekking op de gehele kapitalen en niet enkel op het gedeelte ervan dat overeenkomt met de waarschijnlijk winstgevende overlevingsduur van de getroffene.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
789
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.13.1010.N

K.R. en K.R. t/ NV M.V.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Veurne van 6 februari 2013.

...

II. Beslissing van het Hof

Middel

...

3. Om te bepalen of de op basis van het gemene recht toe te kennen schadeloosstelling meer bedraagt dan de door de arbeidsongevallenverzekeraar verschuldigde uitkeringen, moet het bedrag van de arbeidsongevallenuitkeringen, inclusief de sociale bijdragen, vergeleken worden met het bedrag van de gemeenrechtelijke vergoedingen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Krachtens art. 47, eerste lid Arbeidsongevallenwet 1971 kan de arbeidsongevallenverzekeraar tegen de aansprakelijke derde, binnen de perken van de door hem naar gemeen recht en voor diezelfde schade verschuldigde vergoeding, een rechtsvordering tot terugbetaling instellen tot beloop van de gevestigde kapitalen.

Deze rechtsvordering heeft betrekking op de gehele kapitalen en niet enkel op het gedeelte ervan dat overeenkomt met de waarschijnlijke winstgevende overlevingsduur van de getroffene.

 

Noot: 

Zie ook: Cassatie 23/10/2013, AR P.13.0727.F, juridat

samenvatting

De overheid, die ten gevolge van de fout van een derde de arbeidsprestaties van een van haar personeelsleden moet missen en die, overeenkomstig haar wettelijke of reglementaire verplichtingen dat personeelslid de bezoldiging moet blijven doorbetalen die met de verloren prestaties overeenstemt, lijdt schade die op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vergoed, tenzij uit de wet, het reglement of de overeenkomst blijkt dat de uitgave definitief voor rekening moet blijven van degene die zich ertoe verbindt of die ze moet verrichten (1). (1) Zie Cass. 16 jan. 2006, AR C.04.0252.F, AC 2004, nr. 35.

Uit de regel volgens welke de overheid aan een van haar personeelsleden, wiens afwezigheid te wijten is aan de fout van een derde, diens activiteitswedde betaalt als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding, kan worden afgeleid dat de last van die uitgaven niet definitief voor rekening van de overheid komt; het eigen verhaalsrecht van de tewerkstellende overheid is onvermijdelijk op een andere schade gericht dan die welke de getroffene van het ongeval rechtstreeks heeft geleden (1). (1) Zie Cass. 19 feb. 2001, AR C.99.0014.N, AC 2001, nr. 97.

tekst arrest

Nr. P.13.0727.F
1. B. L.,
2. TRANSPORTS PIVET FREDERIC, bvba naar Frans recht,
tegen
WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door haar regering, ten verzoeke van de minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen de vonnissen in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Dinant van 15 oktober 2007 en 4 februari 2013.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel

Het middel verwijt de bestreden vonnissen dat ze de verweerster de bedragen toekennen die overeenkomen met het brutoloon van haar twee personeelsleden tijdens de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid waardoor zij werden getroffen ten gevolge van een ongeval dat door de fout van de eiser was veroorzaakt.

De appelrechters wordt verweten dat zij die beslissing hebben genomen door de besluiten van de administratieve gezondheidsdienst, die bindend zijn voor de tewerkstellende overheid, te hebben laten voorgaan op die van de gerechtsdeskundige.

De overheid die, ten gevolge van de fout van een derde, de arbeidsprestaties van een van haar personeelsleden moet missen en die, overeenkomstig haar wettelijke of reglementaire verplichtingen, haar personeelslid de bezoldiging moet blijven doorbetalen die met de verloren prestaties overeenstemt, lijdt schade waarvoor op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek een vergoeding kan worden gevorderd, tenzij uit de wet, het reglement of de overeenkomst blijkt dat de uitgave definitief voor rekening moet blijven van degene die zich ertoe verbonden heeft of die ze moet verrichten.

Uit de regel waarbij de overheid aan een van haar personeelsleden wiens afwezigheid te wijten is aan de fout van een derde, diens activiteitswedde betaalt als voorschot op de door de derde verschuldigde vergoeding, kan worden afgeleid dat die uitgaven niet definitief voor rekening van de overheid komen.

Het eigen verhaalsrecht van de tewerkstellende overheid betreft noodzakelijk een andere schade dan die welke de getroffene van het ongeval rechtstreeks heeft ge-leden.

De specifieke schade van de tewerkstellende overheid is het brutoloon dat zij heeft moeten doorbetalen aan haar personeelslid dat is getroffen door een ongeval dat aan de fout van een derde is te wijten.

Die schade kan worden bepaald door de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst, die bindend is voor de werkgever en waaruit blijkt dat de getroffene geen toestemming heeft gekregen om gedurende een bepaalde periode het werk te hervatten, ongeacht de eventueel afnemende graad van arbeidsongeschiktheid in de loop van die periode.

Het tweede vonnis oordeelt dat de redenen waarom het verslag van de administratieve gezondheidszorg voorrang moet krijgen, gezocht moeten worden in het mechanisme van het eigen vorderingsrecht van de werkgever.

Volgens de correctionele rechtbank heeft de degressiviteit van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidspercentages van de getroffene, zoals ze door de gerechtsdeskundige zijn vastgesteld, geen gevolgen voor de afzonderlijke schade van de tewerkstellende overheid, die haar personeelslid het brutoloon heeft moeten doorbetalen dat overeenstemt met prestaties die zij tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid volledig heeft moe-ten missen.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing bijgevolg naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel verwijt het tweede vonnis dat het niet in concreto onderzoekt of de openbaarmaking van de redenen van de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst het medisch geheim niet heeft geschonden. Het leidt daaruit af dat ar-tikel 4, 4°, Wet Motivering bestuurshandelingen is geschonden.

Krachtens de aangevoerde wetsbepaling dient de bestuurshandeling niet gemotiveerd te worden indien dat afbreuk kan doen aan de eerbied voor het privéleven of het beroepsgeheim.

Het vonnis oordeelt dat dit risico is aangetoond, vermits de besluiten van de gezondheidsdienst het resultaat zijn van een medisch consult dat geheim is.

De appelrechters schenden de aangevoerde wetsbepaling dus niet, aangezien deze hun niet oplegt de gronden op te geven van hun redengeving en dus evenmin om in concreto de medische redenen te onderzoeken, die vertrouwelijk moeten blij-ven.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Het middel voert aan dat het eerste vonnis zichzelf tegenspreekt door voor de eerste getroffene te beslissen dat de schade moet worden geraamd met verwijzing naar de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst, aangezien de besluiten van de deskundige niet tegen het Gewest kunnen worden aangevoerd en door voor de tweede getroffene te beslissen dat het medisch deskundigenonderzoek moet worden uitgevoerd, bij ontstentenis waarvan het Gewest niet aantoont dat de uitkeringen in oorzakelijk verband staan met het ongeval.

Voor de eerste getroffene beslist het vonnis dat de voor hem verrichte uitkeringen gedurende de door de gezondheidsdienst vastgestelde periodes van arbeidsongeschiktheid, de werkelijke schade van de werkgever vormen, wat de gerechtsdeskundige bevestigt.

Voor de tweede getroffene houdt het vonnis de uitspraak aan in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk deskundigenonderzoek, waar-door kan worden nagegaan of de voor hem verrichte uitgaven in oorzakelijk ver-band staan met het ongeval.

Die beslissingen zijn niet aangetast door de aangevoerde tegenstrijdigheid.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 11/06/2016 - 19:39
Laatst aangepast op: za, 11/06/2016 - 19:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.