-A +A

Appartementseigendom kan ootstaan door testament

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 06/01/2016

Rekeningen met betrekking tot gemeenschappelijke lasten in appartementseigendom kunnen foutief zijn.

De mede-eigenaar kan deze betwisten en moet ze dus zeker niet zo maar aanvaarden.

De vordering mede-eigenaar van mede-eigenaar tegen goedgekeurde rekeningen van algemene vergadering verjaart na 4 maand. Na het verstrijken van deze termijn heeft de mede-eigenaar geen enkel verhaal meer, zelfs niet wanneer hij kan aantonen dat de door hem ontvangen rekening gesteund is op een kennelijke fout.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
264
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

F. t/ M.

...

Feiten en retroacten

2. De h. F.R. (hierna: «de appellant») en mevr. M.R. (hierna: «de tweede geïntimeerde») zijn de kinderen van wijlen de h. G.R., overleden te Genk op 25 september 2007.

Deze laatste vermaakte in een notarieel testament van 14 juli 1988 een bijzonder legaat aan zijn vriendin, mevr. M.C. (hierna: «eerste geïntimeerde») van een onroerend goed, hierna omschreven als «de volle eigendom van het volledige gelijkvloers van het onroerend goed, thans bekend onder de gemeente (...) en thans omvattende een winkelruimte en een appartement (niet de toonzaal), onder de verplichting van haar en mijn erfgenamen bij mijn overlijden een basisakte te doen opstellen voor het ambt van notaris L. te G. of zijn opvolger, teneinde de rechten en verplichtingen van het vermaakte goed en van het hele gebouw alsdan vast te stellen».

Eerste geïntimeerde ging bij exploot van 14 augustus 2009 over tot dagvaarding van huidige appellant en tweede geïntimeerde tot afgifte van haar bijzonder legaat en van de daarin begrepen goederen, alsmede tot afgifte van alle vruchten en interesten, te rekenen vanaf de dag van overlijden. Voor de eerste rechter heeft eerste geïntimeerde haar vordering uitgebreid met een eis in vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen de h. G.R., voornoemd.

In het hier bestreden vonnis werd de vereffening en verdeling bevolen van de nalatenschap van wijlen G.R., overleden te G. op 25 september 2007, werd de aanstelling bevolen van een notaris-vereffenaar (mr. B. ter standplaats G.) en werd notaris V. aangesteld als tweede notaris-vertegenwoordiger.

Onderhavige procedure betreft het hoger beroep tegen dit vonnis.

Appellant beklemtoont dat hij enkel akkoord ging met de aanstelling van een notaris, maar nooit akkoord is gegaan met de overige aanspraken en vorderingen van eerste geïntimeerde, waaronder het testament en de vordering strekkende tot legaatsafgifte.

Appellant betwist de geldigheid van het testament en betwist ook de vordering tot afgifte van het legaat, inbegrepen de vruchten en de interesten van dit legaat sedert het tijdstip van overlijden van de testator.

...

Ten gronde

6. Appellant voert aan dat het testament en het hierin vervatte bijzonder legaat, ongeldig zou zijn.

6.1. Hoewel eerste geïntimeerde betoogt dat deze betwisting nog kan worden uitgeklaard tijdens de vereffening en verdeling zelf, begrijpt het hof dat appellant, die de ongegrondheid van de initiële vordering van eerste geïntimeerde beoogt, door dit verweer minstens en alleszins een geschilpunt in het debat brengt.

Voor de eerste rechter was dit geen geschilpunt, omdat deze ervan uitging (volgens appellant, zoals hierboven vermeld, ten onrechte) dat het testament niet werd betwist. In de mate dat het hof dit verweer tegen de vordering van eerste geïntimeerde zou moeten begrijpen als een door appellant ingestelde incidentele vordering (strekkende tot het verkrijgen van een declaratieve uitspraak over de al dan niet geldigheid van het bewuste notarieel testament en het hierin vervatte bijzonder legaat), hoewel appellant deze vordering als zodanig niet formeel instelt in het beschikkend gedeelte van zijn conclusies, is deze voor het eerst hoger beroep ingesteld, zij het dat de niet-toelaatbaarheid van deze vordering niet wordt ingeroepen door eerste geïntimeerde.

Bijgevolg zal het hof dit geschilpunt thans reeds ten gronde beoordelen, zodat er geen aanleiding bestaat om dit aan te houden tot een later stadium.

6.2. Appellant beroept zich voor zijn stelling inzake de ongeldigheid van het testament en het bijzonder legaat op drie onderscheiden argumenten, inzonderheid:

...

Er zou geen sprake zijn van een zuiver en onvoorwaardelijk legaat, zoals vermeld in art. 1014 BW.

6.5. Dat er geen sprake zou zijn van een zuiver en onvoorwaardelijk legaat, zoals appellant beweert, is een stelling die feitelijke grondslag mist, zoals blijkt bij nalezing van het betreffende testament. De testator vermaakte aldaar immers aan eerste geïntimeerde «de volle eigendom van het volledige gelijkvloers van het onroerend goed, thans bekend onder de gemeente G. (...), en thans omvattende een winkelruimte en een appartement (niet de toonzaal), onder de verplichting van haar en mijn erfgenamen bij mijn overlijden een basisakte te doen opstellen voor het ambt van notaris L. te G. of zijn opvolger, teneinde de rechten en verplichtingen van het vermaakte goed en van het hele gebouw alsdan vast te stellen».

Appellant verwijst in dat opzicht naar art. 1014 BW, dat het heeft over een zuiver en onvoorwaardelijk legaat.

De notie «zuiver en onvoorwaardelijk», zoals vermeld in art. 1014 BW, verwijst naar een legaat waaraan geen voorwaarde of last is gekoppeld. Een legaat dat niet zuiver en onvoorwaardelijk is betreft m.a.w. een legaat met een daaraan verbonden last of voorwaarde. Dit is hier duidelijk niet het geval. De verplichting mee te werken aan het verlijden van de basisakte heeft slechts betrekking op de leveringsplicht die op de erfgenamen rust en kadert in de legaatsafgifte waartoe deze gehouden zijn.

Mogelijk bedoelt appellant hier veeleer, zoals blijkt uit zijn argumentatie dat eerst een basisakte moet worden verleden, dat het legaat geen bepaalde zaak betreft. Ook deze stelling kan niet worden bijgevallen. Er is immers geen betwisting mogelijk over het juiste voorwerp van het legaat. Het volstaat dat het (bijzonder) legaat een bepaald of bepaalbaar voorwerp heeft, wat hier het geval is.

Dat de vermaakte gelijkvloerse verdieping ten tijde van het legaat (en kennelijk ook nog op dit ogenblik) nog geen zakenrechtelijk afgescheiden geheel vormt van de rest van het onroerend goed – om welke reden er nog een basisakte dient te worden opgesteld, zoals overigens ook wordt vermeld in het bewuste testament – staat aan de geldigheid van het legaat niet in de weg.

Zelfs als men zou aannemen dat er slechts sprake is van een bestanddeel van een groter zakenrechtelijk geheel en dat het vermaakte onroerend goed (c.q. het bewuste gedeelte, zoals vermaakt bij testament) op zich goederenrechtelijk onzelfstandig zou zijn, dan nog kan via het opstellen van een basisakte het (deel van het) onroerend goed zakenrechtelijk «verzelfstandigd» worden. De basisakte dient immers de beschrijving te bevatten van het onroerend geheel en van de privatieve en gemeenschappelijke delen, alsook de bepaling van het aandeel van de gemeenschappelijke delen dat aan ieder privatief deel is verbonden, waarbij voor die bepaling rekening wordt gehouden met de respectieve waarde van deze delen, die wordt bepaald op grond van de nettovloeroppervlakte, de bestemming en de ligging van het privatieve deel (art. 577-4, § 1, tweede lid BW).

Een testamentaire beschikking kan gelden als ontstaanswijze van een (appartements)mede-eigendom (R. Timmermans, Handboek appartementsrecht, Reeks notariële praktijkstudies, Mechelen, Kluwer, 2008, p. 32, nr. 22). De wil van de testator dringt zich dan op.

Uiteraard is het legaat niet in strijd met art. 815 BW, aangezien de onverdeeldheid (eens dat de basisakte zal opgesteld zijn en in de hypothese dat het legaat uitwerking kan krijgen, zie randnr. 7, hierna) enkel de gedwongen mede-eigendom ten titel van bijzaak betreft. Krachtens art. 577-2, § 9 BW zijn onverdeelde onroerende goederen die bestemd zijn voor het gemeenschappelijk gebruik van twee of meer onderscheiden en aan verschillende eigenaars toebehorende erven, overigens niet vatbaar voor verdeling. Bij een gedwongen mede-eigendom ten titel van bijzaak is het eigendomsrecht van de gemeenschappelijke zaak accessoir t.a.v. de respectieve eigendomsrechten op de privatieve zaken, want zonder deze laatste kan het eerste eigendomsrecht niet bestaan.

6.6. Besluitend moet worden gesteld dat het bewuste testament (waartegen appellant geen valsheidsvordering instelt, zoals hierboven reeds is aangegeven) alsook het hierin vervatte legaat rechtsgeldig is.

6.7. De door appellant neergelegde strafklacht is een eenvoudige klacht bij de politie, die geen aanleiding geeft tot toepassing van art. 4 van de Voorafgaande Titel Sv., c.q. tot opschorting van onderhavig civiel geding.

7. Niet alleen de rechtsgeldigheid van het testament staat ter betwisting, ook de eis tot afgifte van het legaat wordt betwist.

7.1. Omwille van het beginsel van de eenheid van erfboedel kan de vordering tot legaatsafgifte in beginsel niet worden losgekoppeld van de vereffening en verdeling. Teneinde te bepalen of een legaat(afgifte) uitwerking kan krijgen, moet immers o.a. de fictieve massa worden bepaald. Nadat de fictieve hereditaire massa is gereconstrueerd en berekend en nadat het beschikbaar deel is afgezonderd, moet blijken of de beschikkingen om niet binnen de perken zijn gebleven van het beschikbaar deel, dan wel (geheel of deels) onuitvoerbaar zijn. In voorkomend geval kunnen de reservataire erfgenamen de beschermingsmechanismen, ter vrijwaring van hun voorbehouden erfdeel, aanwenden. Reservatairen hebben als erfgenamen immers niet enkel een schuldvorderingsrecht, maar een zakenrechtelijke vordering op de erfgoederen zelf, die ze uiteindelijk kunnen opnemen als pars hereditatis via de verdeling van de (wedersamengestelde) erfboedel. In die zin is de legaatsafgifte onlosmakelijk verbonden met de vereffening en verdelen.

7.2. Om die reden moet de vordering tot afgifte van het bijzonder legaat en tot het afdragen van de vruchten en interesten worden aangehouden, in afwachting van de vereffening en verdeling. In haar beroepsconclusies betoogt eerste geïntimeerde overigens dat het, wat de legaatsafgifte zelf betreft, duidelijk is dat deze enkel kan worden gerealiseerd door een vereffening en verdeling van de nalatenschap. Het hof dient zich bijgevolg, los van bovenstaande overwegingen, niet uit te spreken over de gevorderde legaatsafgifte, waarop geïntimeerde in de huidige stand van de procedure niet meer aanstuurt, spijts haar initiële vordering in de gedinginleidende dagvaarding in die zin.

8. Het hoger beroep van appellant is ongegrond.

...

Noot: 

Dit vonnis werd aanghaald door A. Godefroid, Vergeetachtige appartementsmede-eigenaars letten best op voor korte verjaringstermijn, De juristenkrant, 311, 10 juni 2015, 16

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 10/10/2017 - 15:39
Laatst aangepast op: di, 10/10/2017 - 15:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.