-A +A

Antigoon-toets in fiscale zaken onregelmatig verkregen bewijs aanwending andere belastingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 14/06/2016
A.R.: 
2014/AR/2248

Eens bancaire informatie door een bepaalde administratie op correcte wijze werd bekomen, wordt deze informatie de facto gemeengoed voor de overige fiscale diensten.

Informatie in het kader van een onderzoek bij banken voor andere belastingen mag niet worden gebruikt voor het belasten van cliënten op het vlak van directe belastingen voor zover de administratie die inlichtingen - gelet op artikel 318 WIB 1992 - niet rechtstreeks had kunnen bekomen. Deze rechtspraak sluit echter niet uitdrukkelijk uit dat de resultaten van een onderzoek naar een bepaalde belastingplichtige (niet-bank) wel zouden mogen worden doorgespeeld naar een andere fiscale administratie.

Bovendien in geval er te dezen al sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs doordat de informatie (bankgegevens) verkregen in het kader van het btw-onderzoek werd gebruikt voor het vestigen van de directe belasting, zoals eiser in hoger beroep voorhoudt, dan nog stelt het hof vast dat de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
725
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(S. / De Belgische Staat - Rolnr.: 2014/AR/2248)

(...)

1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
De betwisting betreft de aanslagen in de personenbelasting voor de aanslagjaren 2004 tot en met 2010 op naam van de heer S.

(…)

1.2. Feiten en administratieve fase
S. eiser in hoger beroep, was gedurende de periode van de bestreden aanslagen werknemer van de vennootschap SA X. Deze vennootschap werd opgericht op 4 oktober 1999 met officiële maatschappelijke zetel in Luxemburg. Op 7 oktober 1999 liet eiser in hoger beroep zich uit het rijksregister schrappen en schreef hij zich in in Luxemburg.

In het kader van een onderzoek naar de activiteiten en de werkelijke leiding van deze vennootschap en het fiscaal domicilie van eiser in hoger beroep in België werd op 18 oktober 2010 een machtiging tot toegang van de particuliere woning van eiser in hoger beroep te (…) aangevraagd. Op 19 oktober 2010 verkreeg de bijzondere belastinginspectie Antwerpen deze machtiging van de politierechter te … (stuk 5 administratief dossier).

Op 28 oktober 2010 werd eiser in hoger beroep met betrekking tot de aanslagjaren 2004 tot en met 2007 in kennis gesteld van de uitbreiding van de onderzoekstermijn op grond van artikel 333, derde lid WIB 1992 (stuk 6 administratief dossier). De voorafgaande kennisgeving werd voor ontvangst en kennisname ondertekend op 28 oktober 2010. Diezelfde dag vond vervolgens de huisvisitatie plaats te (…) overeenkomstig de artikelen 319 WIB 1992 en 63 WBTW.

Naar aanleiding van deze huisvisitatie werden talrijke vaststellingen gedaan betreffende de activiteit in deze woning en werden documenten aangetroffen van de vennootschap SA X. (stukken 7 en 10 administratief dossier). Op grond van artikel 61, § 2 WBTW werden tegen ontvangstbewijs een aantal documenten meegenomen (stuk 8 administratief dossier).

Er werden tevens kopieën gemaakt van verscheidene digitale bestanden op informaticamateriaal (stuk 9 administratief dossier).

Op 29 oktober 2010 werd aan eiser in hoger beroep een kennisgeving van aanslag van ambtswege op grond van artikel 351 WIB 1992 verstuurd voor aanslagjaar 2004 (stuk 11 administratief dossier). De belastingadministratie was van oordeel dat eiser in hoger beroep als een inwoner van België diende beschouwd te worden gelet op de verscheidene vaststellingen die zij had gedaan. Aangezien eiser in hoger beroep geen aangifte had ingediend voor het betrokken aanslagjaar, kondigde de belastingadministratie aan de aanslag te vestigen op grond van tekenen en indiciën overeenkomstig artikel 341 WIB 1992. Zij weerhield in dit verband een indiciair tekort ten bedrage van 58.699,63 EUR. De belastingadministratie kondigde tevens aan een belastingverhoging van 50% toe te passen wegens niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken (stuk 11 administratief dossier).

Bij schrijven van 26 november 2010 deelde eiser in hoger beroep zijn niet-akkoord mee met deze voorgenomen aanslag van ambtswege voor aanslagjaar 2004 (stuk 12 administratief dossier).

Op 14 december 2010 verstuurde de belastingadministratie een laatste bericht vóór inkohiering waarin zij stelde geen rekening te kunnen houden met de argumenten van eiser in hoger beroep en waarin ze haar voornemen kenbaar maakte de voorgestelde belastingaanslag voor aanslagjaar 2004 in te kohieren (stuk 13 administratief dossier).

Op 15 december 2010 werd de aanslag voor aanslagjaar 2004 gevestigd (stuk 14 administratief dossier).

Op 27 januari 2011 diende eiser in hoger beroep bij aangetekend schrijven een bezwaar in tegen de aanslag voor aanslagjaar 2004 (stuk 15 administratief dossier).

Op 29 september 2011 verstuurde de belastingadministratie bij afzonderlijk schrijven een kennisgeving van aanslag van ambtswege voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2010 (stukken 17-22 administratief dossier). De belastingadministratie nam telkens het standpunt in dat eiser in hoger beroep Belgisch rijksinwoner was en dat de door SA X. aan eiser in hoger beroep betaalde bezoldigingen en verstrekte voordelen van alle aard dienden toegevoegd te worden aan de belastbare grondslag. De administratie baseerde zich hiervoor op de loonfiches die werden meegenomen tegen ontvangstbewijs. Tevens werd telkens een belastingverhoging van 50% aangekondigd.

Bij schrijven van 21 oktober 2011 deelde eiser in hoger beroep voor elk aanslagjaar afzonderlijk zijn niet-akkoord mee met deze voorgenomen aanslagen van ambtswege (stuk 23 administratief dossier).

Op 16 november 2011 verstuurde de belastingadministratie een laatste bericht vóór inkohiering waarin zij stelde geen rekening te kunnen houden met de argumenten van eiser in hoger beroep en waarin ze haar voornemen kenbaar maakte de voorgestelde belastingaanslag voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2010 in te kohieren (stuk 24 administratief dossier).

De aangekondigde aanslagen werden gevestigd op 24 november 2011 voor de aanslagjaren 2006, 2007 en 2008, op 25 november 2011 voor aanslagjaar 2005, op 5 december 2011 voor aanslagjaar 2009 en op 6 december 2011 voor aanslagjaar 2010 (stukken 25-30 administratief dossier).

Op 4 januari 2012 diende eiser in hoger beroep bij afzonderlijk schrijven voor elk aanslagjaar een bezwaarschrift in op grond van artikel 366 WIB 1992 (stukken 31-36 administratief dossier).

Bij directoriale beslissing d.d. 3 september 2012 werden de bezwaarschriften voor de betrokken aanslagjaren gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat beslist werd een ontheffing te verlenen ten bedrage van 9.771,99 EUR wegens het onterecht niet in rekenschap brengen van de in Luxemburg betaalde sociale bijdragen voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2010 (stuk 37 administratief dossier).

1.3. Procedure voor de eerste rechter
(…)

1.4. Procedure voor het hof van beroep
Eiser in hoger beroep verzoekt het hof de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen en dienvolgens de betwiste aanslagen in de personenbelasting nietig te verklaren, minstens te ontheffen.

Eiser in hoger beroep verzoekt het hof verder de Belgische Staat te horen veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding dewelke begroot wordt op 5.500 EUR per aanleg, onder voorbehoud van indexatie.

De Belgische Staat verzoekt het hof de vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en dienvolgens de bestreden gevestigde aanslagen te bevestigen en eiser in hoger beroep af te wijzen van zijn vordering.

De Belgische Staat verzoekt tevens de kosten ten laste te leggen van eiser in hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding dewelke zij begroot op 1.210 EUR.

2. Bespreking
2.1. Schending artikel 333, derde lid WIB 1992
(…)

De bankgegevens zijn het gevolg van het bankonderzoek gevoerd door de BBI in het kader van de btw in toepassing van artikel 62bis WBTW. De administratie heeft de bancaire informatie gebruikt die werd bekomen op grond van artikel 62bis van het WBTW voor het vestigen van de aanslagen in de directe belastingen. Ook de vaststellingen van de inspectie Leuven d.d. 19 november 2008 betrof informatie die in het kader van een btw-onderzoek in toepassing van artikelen 61 en 62 WBTW werd bekomen en gebruikt werd in de directe belastingen. Uit artikel 84ter WBTW kan niet worden afgeleid dat de kennisgeving moet voorafgaan aan de onderzoeksdaden in de aanvullende termijn. Er is geen volledige gelijkenis met de uitgebreide aanslagtermijn in de directe belastingen. De btw is opeisbaar krachtens de wet zelf ingevolge de door de belastingplichtige gestelde en/of ondergane handelingen. De uitbreiding van de termijn heeft dus geen betrekking op de “vestiging” van de belasting. De uitbreiding waarvoor de kennisgeving met toepassing van artikel 84ter WBTW moet worden verstuurd, heeft slechts betrekking op de “invordering” van de belasting. De kennisgeving moet de invordering voorafgaan. Uit artikel 84ter WBTW kan niet worden afgeleid dat de kennisgeving moet voorafgaan aan de onderzoeksdaden in de aanvullende termijn (vgl. Cass. 27 maart 2015, Fiscoloog 2015, 1428, p. 1).

Er is te dezen dan ook geen sprake van dat artikel 333, derde lid WIB 1992 werd geschonden.

2.2. Doelgebondenheid van de fiscale onderzoeksbevoegdheden/machtsafwending?
Eiser in hoger beroep stelt dat er betreffende het bekomen van voormelde bankgegevens sprake zou zijn van een miskenning van de doelgebondenheid van de fiscale onderzoeksbevoegdheden en dat artikel 318 WIB 1992 zou omzeild zijn door de belastingadministratie.

Zo zou de belastingadministratie, volgens eiser in hoger beroep, artikel 62bis WBTW gebruikt hebben om via de omweg van de artikelen 335 en 336 WIB 1992 het beperkte toepassingsgebied van artikel 318 WIB 1992 te omzeilen (stukken 55 en 61 eiser in hoger beroep) en zou deze onrechtmatigheid niet kunnen rechtgezet worden middels een verwijzing naar artikel 62bis WBTW. Artikel 318 WIB 1992 zou, volgens eiser in hoger beroep, immers voorrang hebben op de door de artikelen 335 en 336 WIB 1992 bedoelde gegevensuitwisseling.

Eiser in hoger beroep stelt dat hieruit volgt dat zeker de aanslag met betrekking tot aanslagjaar 2004 volledig dient nietig verklaard te worden aangezien deze uitsluitend gebaseerd werd op gegevens verkregen middels het in toepassing van artikel 62bis WBTW uitgevoerde bankenonderzoek. Tevens zouden volgens eiser in hoger beroep de andere bestreden aanslagen dienen nietig verklaard te worden aangezien zij gebaseerd werden op deze onrechtmatig verkregen bankgegevens.

De belastingadministratie is van oordeel dat het bankonderzoek in casu correct werd uitgevoerd overeenkomstig artikel 62bis WBTW en dat er geen sprake is van machtsafwending.

Belastingambtenaren mogen de aan hen toegekende onderzoeksbevoegdheden enkel gebruiken in het kader van de controle van de belasting waarvoor zij bevoegd zijn.

Gebruiken zij deze bevoegdheden louter ten behoeve van de controle van een “andere” belasting, dan is er sprake van machtsafwending.

Artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980 verleent aan de ambtenaren van de administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit (AOIF) en de bijzondere belastinginspectie (BBI) alle bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de andere fiscale administraties en aan de ambtenaren ervan.

Ambtenaren van de FOD en van de BBI kunnen meerdere (federale) belastingen tegelijkertijd onderzoeken. Te dezen voerde de BBI een onderzoek in het kader van het WBTW en in het kader van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen.

Artikel 62bis WBTW bepaalt:

“In afwijking van de artikelen 61, § 1, en 62, § 1, mogen de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, de voorlegging ter inzage van de andere dan in artikel 60, § 1, eerste lid bedoelde boeken en stukken alsmede het verstrekken van inlichtingen door de Bank van De Post, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen slechts vorderen wanneer zij op grond van een machtiging verleend door de door de minister van Financiën daartoe aangewezen ambtenaar optreden.”

Het hof stelt vast dat de vragen om inlichtingen aan ING Bank werden verstuurd op grond van artikel 62bis WBTW en wel degelijk kaderden in een onderzoek naar verschuldigde btw (stukken 2-4 administratief dossier en stuk 60 administratief dossier).

In het kader van het fiscaal onderzoek inzake btw werd op 23 oktober 2008 op grond van artikel 62bis WBTW machtiging verleend om een bankonderzoek uit te voeren op naam van eiser in hoger beroep (zie stuk 38 verweerder in hoger beroep bondige nota d.d. 23 oktober 2008 i.v.m. vraag om bankonderzoek lastens SA X. en S.):

het dossier lastens eiser in hoger beroep was een spin-off van de zaak SA X. en waarbij deze laatste in de zaak Belpolis onder meer had verklaard dat er diverse vennootschappen naar Luxemburgs recht opgericht werden zonder enige activiteit;
ingevolge een onderzoek naar de activiteiten van de Luxemburgse vennootschap SA X. waren er voldoende overeenstemmende elementen die erop wezen dat in werkelijkheid eiser in hoger beroep de achterliggende persoon was van deze Luxemburgse vennootschap en eiser in hoger beroep deze vennootschap als dekmantel gebruikte voor zijn op Belgisch grondgebied uitgeoefende bedrijfsactiviteiten;
eiser in hoger beroep op 7 oktober 1999 in het bevolkingsregister van (…) werd afgeschreven voor het Groot-Hertogdom-Luxemburg, doch in werkelijkheid samen met zijn vriendin in (…) verbleef.
Op 12 december 2008 verstrekte de bank inlichtingen aan de administratie.

Te dezen werd er dan ook een regelmatig onderzoek gestart naar de toepassing van de btw-wetgeving.

Op 19 november 2008 werd er door de algemene directie opsporingen, afdeling nationale en internationale opsporingen, inspectie (…), een onderzoek ter plaatse uitgevoerd in toepassing van artikelen 61 en 62 WBTW teneinde een controle te doen betreffende de toepassing van de btw-wetgeving.

In het jaar 2010 werd op naam van eiser in hoger beroep inzake de btw krachtens artikel 62bis WBTW, na machtiging, een nieuw bankonderzoek gevoerd door de BBI.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de BBI-ambtenaren regelmatig belast waren met een controle/onderzoek naar de toepassing van de btw-wetgeving. Te dezen is er geen sprake van dat de inlichtingen van de bank louter werden ingezameld ten behoeve van de directe belastingen.

Te dezen zijn de ambtenaren niet bewust uitsluitend op zoek gegaan naar gegevens die geen belang hebben voor de belasting (btw) waar zij bevoegd voor zijn. Er is geen sprake van machtsafwending van de in het kader van de btw aan de ambtenaren toegekende bevoegdheden.

Uit de concrete gegevens van het dossier en de voorgelegde stukken blijkt dat er duidelijk aanwijzingen waren van domiciliefraude, van vermenging tussen het vermogen en de activiteiten in hoofde van de vennootschap SA X. en het vermogen en de activiteiten van eiser in hoger beroep.

Te deze waren de BBI-ambtenaren op het moment van de vraag om inlichtingen aan de bank rechtmatig belast met een controle over de toepassing van de btw-wetgeving in hoofde van eiser in hoger beroep en maakten zij gebruik van de hun op grond van artikel 62bis WBTW toegekende bevoegdheden. Er is te dezen geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs ten gevolge van een wetsschending bij het stellen van onderzoeksdaden door de administratie in het kader van de btw-wetgeving die tot het bewijs hebben geleid.

De gegevens die de btw-belastingadministratie als gevolg van deze vragen om inlichtingen van de financiële instelling (lNG) bekwam konden immers in toepassing van artikelen 335 en 336 WIB 1992/artikel 93quaterdecies, § 3 WBTW gebruikt worden voor de toepassing van de directe belastingen.

Het feit dat op 30 maart 2010 en 8 april 2010 in het kader van de directe belastingen op grond van artikel 318, tweede lid WIB 1992 een nieuw bankonderzoek (bankgegevens vanaf 1 oktober 2007) uitgevoerd werd op naam van eiser in hoger beroep en door de bank geweigerd werd hieraan gevolg te geven, neemt niet weg dat de inlichtingen van de bank ingevolge het btw-onderzoek rechtsgeldig bekomen werden en te dezen kunnen gebruikt worden inzake de directe belastingen.

Er mag immers evenmin uit het oog worden verloren dat eens bancaire informatie door een bepaalde administratie op correcte wijze werd bekomen, deze informatie de facto gemeengoed wordt voor de overige fiscale diensten.

Het Hof van Cassatie besliste dat informatie in het kader van een onderzoek bij banken voor andere belastingen (i.c. de taks op beursverrichtingen) niet mag worden gebruikt voor het belasten van cliënten op het vlak van directe belastingen voor zover de administratie die inlichtingen - gelet op artikel 318 WIB 1992 - niet rechtstreeks had kunnen bekomen (Cass. 14 september 2007, www.cass.be). Deze rechtspraak sluit echter niet uitdrukkelijk uit dat de resultaten van een onderzoek naar een bepaalde belastingplichtige (niet-bank) wel zouden mogen worden doorgespeeld naar een andere fiscale administratie.

Bovendien in geval er te dezen al sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs doordat de informatie (bankgegevens) verkregen in het kader van het btw-onderzoek werd gebruikt voor het vestigen van de directe belasting, zoals eiser in hoger beroep voorhoudt, dan nog stelt het hof vast dat de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld.

Te dezen werden de bankgegevens door de administratie in het kader van de btw-wetgeving niet verkregen met schending van artikel 7 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie noch uitgewisseld met schending van artikel 7 van voormeld handvest (recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie) (zie arrest HvJ 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses ,TFR 2016, nr. 499, 342).

In casu is er een wettelijke grondslag die voldoende duidelijk, toegankelijk en voorzienbaar is, voor het inwinnen van bankgegevens door de administratie in het kader van de btw-wetgeving. De bestrijding van belastingfraude, belastingontwijking en misbruik is een doel dat de btw-richtlijn erkent en zelfs stimuleert. De onderzoeksmaatregel was noodzakelijk met het oog op de btw-heffing. Het opvragen van de bankgegevens was gerechtvaardigd rekening houdende met de onderzochte inbreuken (domiciliefraude).

Ingevolge de wijziging van de artikelen 335 en 336 WIB 1992 en 93quaterdecies, § 3 WBTW kunnen de diverse administraties “alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen [uitwisselen] (…) voor zover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voor zover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting”. De intern uitgewisselde gegevens waren ter zake dienend en niet overmatig met het oog op het correct vestigen van de belastingen in hoofde van eiser in hoger beroep.

Er waren rekening houdende met de concrete gegevens van het dossier reeds duidelijke aanwijzingen van domiciliefraude en een duidelijk vermoeden dat nuttige gegevens voor de correcte vestiging van de belasting verborgen werden gehouden. Het gebruik van de bankgegevens is niet kennelijk disproportioneel in het licht van het voorwerp van het fiscale onderzoek.

Eiser in hoger beroep heeft in het kader van de administratieve procedure en de thans gevoerde gerechtelijke procedure ook voldoende de mogelijkheid (gehad) om kennis te nemen van de ingewonnen bankgegevens en hierover tegenspraak kunnen voeren. Eiser in hoger beroep had zelfs de mogelijkheid om middels een pretaxatiegeschil de betwisting betreffende de ingewonnen bankgegevens aan een rechtelijke toetsing te onderwerpen.

De bankgegevens werden in het kader van de btw-wetgeving rechtmatig bekomen door de BBI en dit zonder schending van het Grondrecht van de Unie en artikel 8 EVRM.

Het recht van de Unie waarborgt in beginsel niet de grondrechten van de Unieburgers voor wat de directe belastingen betreft, zodat wat betreft de al of niet toelaatbaarheid van het gebruik van de bankgegevens voor de directe belastingen slechts een beroep kan gedaan worden op de bepalingen van het EVRM.

Volgens het EHRM bevat het EVRM geen voorschriften betreffende de toelaatbaarheid van het bewijs, zodat een nationale regeling die onrechtmatig verkregen bewijs niet in alle gevallen uitsluit, tot de bevoegdheid wordt gerekend van de lidstaten waarmee het EHRM zich niet inlaat (vgl. EHRM 28 juli 2009, Lee Davies / België, www.echr.coe.int).

Het gebruik van het beweerde onrechtmatig verkregen bewijs (beweerde schending art. 318 WIB 1992) door de administratie van de directe belastingen moet worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs kan in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht of dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

Bij het maken van deze afweging kan de rechter “onder meer” rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden:

het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid;
de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd;
het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid; en
de omstandigheid dat de ernst van de door de belastingplichtige gepleegde inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid in het kader van de bewijsgaring overstijgt (zie Cass. 22 mei 2015, www.cass.be en C. Buysse, “Onwettig verkregen bewijs: Cassatie verplicht rechter tot belangenafweging”, Fiscoloog 2015, 1435, 5).
De wetgever heeft ter zake niet in bijzondere sancties voorzien.

(…)

De programmawet van 23 december 2009 wijzigde onder andere ook de artikelen 335 en 336 WIB 1992. Deze artikelen hebben betrekking op de gegevensuitwisseling tussen de verschillende belastingadministraties. Praktisch gezien zorgt de versoepelde vorm van gegevensuitwisseling, er onder andere voor dat dezelfde gegevens niet twee keer moeten worden opgevraagd en heeft deze versoepeling tot gevolg dat (reeds) beschikbare gegevens bij een andere dienst gemakkelijker terecht komen bij de administratie der directe belastingen, die er dan gebruik van zal kunnen maken. Voor wat betreft bankgegevens bewaren de voorbereidende werken bij deze nieuwe wetsbepalingen het stilzwijgen. In die periode was er nochtans enige rechtsonzekerheid ten gevolge van de juridische discussie of de bankgegevensuitwisseling tussen collega's die aan hetzelfde dossier werken al dan niet mogelijk was.

Zelfs indien er te dezen al sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs door de administratie in het kader van de directe belastingen dan werden, gelet op voorgaande uiteenzetting en rekening houdende met de bestaande juridische discussiepunten over voormelde relevante wetsbepalingen, de bewijsmiddelen te dezen niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht.

Er is te dezen ook geen sprake van dat het gebruik van de bankgegevens het recht op een eerlijk proces ontneemt rekening houdende met alle concrete gegevens van het dossier. De belastingadministratie heeft de beweerde onregelmatigheid (schending art. 318, tweede lid WIB 1992) te dezen zeker niet opzettelijk gedaan rekening houdende met de in het Wetboek van de Inkomstenbelasting voorziene mogelijkheid tot gegevensuitwisseling tussen de fiscale administraties en er is geen sprake van machtsafwending (zie hogere beoordeling). De basisvoorwaarde dat de administratie in het kader van de btw die de gegevens heeft ingewonnen, deze wettig bekwam in de uitoefening van de haar toegekende (doelgebonden) bevoegdheden, is te dezen voldaan.

De administratie beschikte op het ogenblik van het opvragen van de bankgegevens ook in het kader van de directe belastingen reeds over duidelijke aanwijzingen van domiciliefraude en een duidelijk vermoeden dat nuttige gegevens voor de correcte vestiging van de belasting verborgen worden gehouden.

De bankgegevens die bekomen werden van de financiële instelling door de administratie in het kader van de btw-wetgeving zijn betrouwbare bewijzen. Over deze stukken kan tegenspraak gevoerd worden door de belastingplichtige zodat zijn rechten van verdediging niet geschonden zijn.

De aangevoerde belastingontduiking overstijgt veruit de beweerde begane onregelmatigheid.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen enkele reden is om de bekomen bankgegevens als bewijs voor het vestigen van de directe belastingen uit te sluiten.

Rekening houdend met de concrete gegevens van onderhavige zaak heeft de aangevoerde onwettigheid van het verkregen bewijs niet tot gevolg dat de bedoelde stukken niet konden aangewend worden door de administratie van de directe belastingen, dat dergelijke aanwending onwettig is of dat de aanslagen die tot stand zijn gekomen mede op grond van deze stukken niet geldig zouden zijn en evenmin dat de taxatieprocedure onwettig of nietig zou zijn.

(…)

Noot: 

• Bellens, A., « Onrechtmatig verkregen bewijs: genuanceerde Antigoon-leer in fiscale zaken », R.A.B.G., 2017/9, p. 734-737

• Vanden branden, J., « Antigoon-toets ook voor fiscale geschillen », R.A.B.G., 2015/19, p. 1358-1361

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 17:18
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 17:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.