-A +A

Antigoon-toets in fiscale zaken

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 22/05/2015

Rechtmatig verkregen bewijs kan worden gebruikt bij het bewijs van de verschuldigde belasting, verhoging of boete, behoudens indien in de wet anders wordt bepaald, of wanneer de beginselen van behoorlijk bestuur ernstig met voeten zijn getreden of wanneer de onregelmatigheid impact heeft op het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/19
Pagina: 
1358
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(O. BVBA, M.B. / Belgische Staat - Rolnr.: F.13.0077.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
(…)

II. CASSATIEMIDDELEN
(…)

1. Eerste middel
(…)

2. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 1 en 2 van de richtlijn nr. 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij de richtlijn nr. 79/1070/EEG van de Raad van 6 december 1979 houdende wijziging van richtlijn nr. 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde;
het algemene rechtsbeginsel houdende de primauteit van het communautair Gemeenschapsrecht zoals neergelegd o.m. in artikel 4, 3. van het verdrag van 13 december 2007 betreffende de Europese Unie (VEU);
artikel 159 van de Grondwet;
artikel 81bis, in de versie ervan van vóór de wijziging bij programmawet van 22 december 2008 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (hierna afgekort: “Btw-Wetboek”);
de artikelen 1 en 2 van ministerieel besluit van 23 juli 1997 tot oprichting van een Centrale Eenheid voor internationale samenwerking bij de administratie van de btw, registratie en domeinen.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest: “Het hof [van beroep] verklaart het hoger beroep van (de eerste eiseres) ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond.

Het hof [van beroep] hervormt het bestreden [vonnis] in de hierna bepaalde mate.

Het hof [van beroep] verklaart dienvolgens de oorspronkelijke vordering van (de eerste eiseres) ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Het hof [van beroep] vernietigt het dwangbevel gekend onder het RCIV-nummer 406/0420/21723 en uitgevaardigd op 26 april 2006 door de heer Roger De Huwer, rekenplichtige van het eerste btw-ontvangkantoor te Antwerpen, in zoverre hierin, behoudens de wettelijke interesten en kosten, een bedrag hoger dan 133.486,25 EUR aan btw, en een bedrag hoger dan 100.114,69 EUR als administratieve geldboete, worden nagevorderd.

Het hof [van beroep] slaat de kosten van beide aanleggen tussen (de eerste eiseres) en (de verweerder) om.”

op grond van de motieven op p. 22-24:

“4.3. - (De verweerder) heeft in het kader van de richtlijn nr. 77/799/EEG van 19 december 1977, gewijzigd bij de richtlijn nr. 79/1070/EEG van 6 december 1979 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde inlichtingen opgevraagd bij de Portugese belastingadministratie.

Ter uitvoering van deze richtlijn werd, bij artikel 74 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (BS 15 augustus 1980), in het Btw-Wetboek, een artikel 93terdecies ingevoegd inzake de wederzijdse bijstand.

De “bevoegde autoriteit” van een lidstaat die om dergelijke inlichtingen kan verzoeken is voor wat België betreft: “De minister van Financiën of een door deze aangewezen vertegenwoordiger” (art. 1, 5. van de richtlijn nr. 77/799/EEG - Pb.L. 336 van 27 december 1977, p. 15).

Niettegenstaande het ministerieel besluit van 23 juli 1997 tot oprichting van een Centrale Eenheid voor internationale samenwerking bij de administratie van de btw, registratie en domeinen deze Centrale Eenheid heeft aangewezen als bevoegde autoriteit om inlichtingen aan een buitenlandse belastingadministratie te vragen, werd naast deze Centrale Eenheid ook de bijzondere belastinginspectie (centrale administratie van de BBI) aangeduid als “bevoegde autoriteit” voor wat de informatie-uitwisseling aangaat op het vlak van de richtlijn nr. 77/799/EEG voor de dossiers behandeld door haar diensten.

Uit het feit dat deze aanwijzing in een instructie met betrekking tot de wederzijdse bijstandregeling tussen België en Nederland gebeurde mag niet worden afgeleid dat in casu een onwettigheid door de administratie werd begaan, die tot bewijsuitsluiting van de van de Portugese belastingadministratie bekomen inlichtingen zou moeten leiden.

Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de kwestieuze gegevens door de Belgische fiscus niet werden verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. Geen enkel fundamenteel recht van de belastingplichtige werd hiermee dermate geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de bekomen gegevens ontoelaatbaar zou zijn.

Het valt bovendien niet in te zien waarom het bewijsrecht in fiscale zaken aan strengere regels zou moeten worden onderworpen dan in strafzaken. Een te dogmatische opstelling, waardoor elke onregelmatigheid leidt tot bewijsuitsluiting, tast immers het rechtsgevoel aan en kan gezien worden als een tekortkoming van de overheid in haar verplichting om de maatschappij te beschermen tegen criminaliteit c.q. tegen ernstige vormen van fiscale fraude.

De fiscale wetgeving bevat evenmin enige bepaling die aangeeft welke juridische gevolgen een onrechtmatige bewijsgaring heeft. In enkele geïsoleerde gevallen is er weliswaar expliciet een sanctie als de fiscus de voorgeschreven procedure miskent (bv. art. 333 WIB 1992 en 84ter Btw-Wetboek of art. 463 WIB 1992 en 74bis Btw-Wetboek).

Zelfs al zou een alternatieve rechtsgrond voor de bewijsuitsluitingsregel in fiscale zaken in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen worden gezocht (…), zeker en dit des te meer wanneer de belastingplichtige, zoals in casu geen belangenschade als gevolg van de aangeklaagde onregelmatigheid kan aantonen en zijn rechten van verdediging in iedere stand van de procedure gevrijwaard zijn gebleven, wanneer niet kan getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van de bekomen inlichtingen die overigens door nog andere gegevens van het dossier worden bevestigd, en wanneer de onregelmatigheid in de bewijsgaring door de administratie niet opweegt tegenover de ernst en zwaarte van de belastingfraude die aan het licht zijn gebracht.”

Grieven
1. Artikel 1, 1. van de richtlijn nr. 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde, - gewijzigd bij de richtlijn nr. 79/1070/EEG van 6 december 1979 -, bepaalt dat het enkel op vraag van “de bevoegde autoriteit” van een lidstaat is, dat overeenkomstig o.m. artikel 2 van deze richtlijn alle gevraagde inlichtingen verstrekt worden door de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat die nuttig kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld in de lidstaat van de aanvragende autoriteit.

Artikel 1, 5. van dezelfde richtlijn bepaalt dat in België “de bevoegde autoriteit” betekent: “De minister van Financiën of een door deze aangewezen vertegenwoordiger”.

De minister van Financiën heeft als vertegenwoordiger de “Centrale BTW Eenheid voor internationale samenwerking bij de administratie van de btw, registratie en domeinen” aangeduid in artikel 1 van het ministerieel besluit van 23 juli 1997 tot oprichting van een Centrale Eenheid voor internationale samenwerking bij de administratie van de btw, registratie en domeinen. Deze dienst wordt onder de leiding van een gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur geplaatst. Zijn zetel is gevestigd te Brussel. Zijn bevoegdheid strekt zich uit over het ganse grondgebied. De dienst mag worden aangeduid onder de internationale benaming “Central Liaison Office” of door zijn afkorting “CLO”. Krachtens artikel 2 van hetzelfde ministerieel besluit is dat CLO belast met het praktisch beheer en de coördinatie van de internationale uitwisseling van inlichtingen op het vlak van de heffing en van de invordering van de btw.

Inlichtingen verkregen van uit een andere lidstaat door België op een andere wijze dan via de minister of deze aangewezen vertegenwoordiger, zijn in dat geval onwettig gevraagd en bekomen door een instantie die daar niet de minste bevoegdheid voor bezit.

Eerste onderdeel
2. De omstandigheid dat dergelijke inlichtingen gevraagd en verkregen zijn door de centrale administratie van de bijzondere belastinginspectie doet aan die onbevoegdheid en begane onwettigheid niets af. De BBI werd immers niet aangewezen door de minister van Financiën in voormeld ministerieel besluit van 23 juli 1997.

De enkele omstandigheid dat in een instructie btw nr. 1 van 11 februari 1999 ET 933.42, uitgaande van de administratie, met betrekking tot de wederzijdse bijstandsregeling tussen België en Nederland de centrale administratie van de bijzondere belastinginspectie wordt vermeld als bevoegd voor wat de informatie-uitwisseling aangaat op het vlak van de aangehaalde richtlijn nr. 77/799/EEG, verheft deze dienst niet tot “bevoegde autoriteit” in de zin van voormeld artikel 1, 5. van de aangehaalde richtlijn nr. 77/799/EEG.

3. Hieruit volgt dat het bestreden arrest op p. 23-24 onwettig beslist dat “de bijzondere belastinginspectie (centrale administratie van de BBI)” (werd) aangeduid als “bevoegde autoriteit” voor wat de informatie-uitwisseling aangaat op het vlak van de richtlijn nr. 77/799/EEG voor de dossiers behandeld door haar diensten”, nu dit enkel de minister van Financiën of het door hem aangewezen CLO kan zijn (schending van de art. 1, inzonderheid 1, 5. en 2 van de aangehaalde richtlijn nr. 77/799/EEG en de art. 1 en 2 van het aangehaalde ministerieel besluit van 23 juli 1997) en een aanduiding in die zin in een instructie btw nr. 1 van 11 februari 1999 ET 933.42 uitgaande van de administratie geen rechtsgevolg kan hebben tegen enige hogere norm, de hoven en rechtbanken niet kan binden en de wet niet kan opheffen, wijzigen of aanvullen (schending van het aangehaalde algemene rechtsbeginsel houdende de primauteit van het communautair recht en art. 159 van de Grondwet), zodanig dat de uit Portugal bekomen inlichtingen onwettig gevraagd werden en niet mochten aangewend worden voor belastingdoeleinden (schending van de art. 1, inzonderheid 1, 5. en 2 van de aangehaalde richtlijn nr. 77/799/EEG en de art. 1 en 2 van het aangehaalde ministerieel besluit van 23 juli 1997), noch in aanmerking komen om de zevenjarige verjaringstermijn te berekenen tot behoud in het dwangbevel van 74.213,37 EUR x 21% =15.584,81 EUR btw, meer de wettelijke interesten daarop (schending van het aangehaald art. 81bis, § 1, derde lid Btw-Wetboek).

Tweede onderdeel
4. De onwettigheid begaan door verweerder, door, in plaats van via de daartoe bevoegd zijnde “bevoegde autoriteit”, inlichtingen te hebben opgevraagd bij de Portugese belastingadministratie door de daartoe niet bevoegde centrale administratie van de BBI, raakt de organisatie van de op communautair vlak georganiseerde bevoegdheid over de wijze waarop informatie uitgewisseld kan worden.

Deze organisatie is substantieel en leidt tot de uitsluiting van dergelijke onregelmatige bewijsgaring.

De rechter kan dan ook niet weigeren die onwettige bewijsgaring te sanctioneren op grond van het motief dat geen enkele bepaling de nietigheid of enige andere sanctie eraan verbindt, “de belastingplichtige (…) geen belangenschade als gevolg van de aangeklaagde onregelmatigheid kan aantonen en zijn rechten van verdediging in iedere stand van de procedure gevrijwaard zijn gebleven, wanneer niet kan getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van de bekomen inlichtingen die overigens door nog andere gegevens van het dossier worden bevestigd en wanneer de onregelmatigheid in de bewijsgaring door de administratie niet opweegt tegenover de ernst en de zwaarte van de belastingfraude die aan het licht zijn gebracht”.

5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest onwettig de onregelmatig verkregen inlichtingen uit Portugal met betrekking tot de facturatie aan H. op 23 juni 2004 niet uitsluit voor belastingdoeleinden, maar in aanmerking neemt bij de berekening van de zevenjarige verjaringstermijn tot behoud in het dwangbevel van 74.213,37 EUR x 21% = 15.584,81 EUR btw, meer de wettelijke interesten daarop (schending van het aangehaald art. 81bis, § 1, derde lid Btw-Wetboek).

(…)

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
(…)

Tweede middel
Tweede onderdeel
3. De fiscale wetgeving bevat geen algemene bepaling die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en zo, daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete.

4. Het gebruik door de administratie van onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces.

5. Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.

De rechter kan bij die afweging onder meer rekening houden met één of meer van volgende omstandigheden: het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid, de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd, het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onrechtmatigheid en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Eerste onderdeel
6. De in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen schragen de beslissing van de appelrechters dat niet tot bewijsuitsluiting dient te worden overgegaan van de gegevens die van de Portugese belastingadministratie werden verkregen.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Derde middel
Eerste en tweede onderdeel samen
7. De beide onderdelen gaan uit van de veronderstelling dat de provisionele schadevergoeding van 1 EUR waartoe de tweede eiser bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 8 maart 2007 werd veroordeeld, niet de ontdoken belasting tot voorwerp kon hebben en derhalve geen actio iudicati kan bevatten.

8. De appelrechters stellen evenwel vast dat uit het in kracht van gewijsde getreden vonnis uitgesproken door de correctionele rechtbank te Antwerpen op 8 maart 2007 blijkt dat de verweerder zich ten aanzien van de tweede eiser burgerlijke partij heeft gesteld voor de verschuldigde btw voor een bedrag van 1.570.330,44 EUR, dat werd geoordeeld dat het bedrag van de werkelijk verschuldigde btw niet kan worden bepaald op basis van de voorliggende stukken en dat in afwachting van een precieze begroting door de administratie de vordering voorlopig werd herleid tot 1 EUR provisioneel.

Op grond hiervan verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat in het dwangbevel uitgevaardigd op 17 augustus 2009 een vordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, met name van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 8 maart 2009 waarbij de tweede eiser werd veroordeeld tot een provisionele schadevergoeding van 1 EUR, vervat ligt.

Het middel kan in geen van beide onderdelen worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

(…)

 

Noot: 

Vanden branden, J., « Antigoon-toets ook voor fiscale geschillen », R.A.B.G., 2015/19, p. 1358-1361

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 19:40
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 19:40

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.