-A +A

Andere begunstigde dan de dader van de opzettelijke fout mogen niet door verzekering uitgesloten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 03/03/2014
A.R.: 
C.13.0224.F

Enkel diegene die een opzettelijke fout begaat of een door de overeenkomst opgelegde verplichting niet uitvoert, kan van het voordeel van de verzekeringswaarborg worden uitgesloten; een levensverzekeringsovereenkomst mag geen contractueel beding bevatten waarbij een andere begunstigde dan de dader van die fout van de verzekeringswaarborg wordt uitgesloten.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0224.F
1. B. D. C.,
2. P. D. C.,
tegen
ACE EUROPEAN GROUP LIMITED, vennootschap naar Engels recht,
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 25 september 2012 van het hof van beroep te Bergen, op verwijzing gewezen ten gevolge van het arrest van het Hof van 2 april 2010.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren een middel aan dat luidt als volgt:
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 3 en 8, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
- de artikelen 6, 1131, 1133, 1134, 1162, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 19bis van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
- artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eisers niet gegrond en bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen, behalve diegene die de berekening van de kosten betreffen.

Het verklaart de vordering van de eisers niet gegrond en verwerpt aldus de vordering van de eisers die ertoe strekt de eiseres te veroordelen tot betaling van 61.937,38 euro vermeerderd met de interest.

Het veroordeelt de eisers in solidum tot betaling van de rechtsplegings-vergoedingen, die voor de verweerster zijn vastgesteld op 6.600 euro.

Het bestreden arrest steunt zijn beslissingen op de volgende gronden:

"Voorafgaande rechtspleging

J. D. heeft zich van het leven beroofd op 13 december 1999 nadat hij zijn tweede echtgenote en vervolgens hun dochter, D.D. had gedood. Hij is ook de vader van twee kinderen uit een eerste huwelijk, de eisers.

Op 5 juni 1997 had hij een verzekeringsaanvraag gesloten uitgaande van Cigna (thans de verweerster), waarin laatstgenoemde een beschermingsplan voorstelde dat voorzag in de betaling van 2.500.000 frank in geval van overlijden bij ongeval met een kosteloze verzekeringsperiode als de aanvraag vóór 15 juni 1997 werd ingediend, met een maandelijkse premie van 500 frank.

Dat document preciseert dat het kapitaal bij overlijden gestort wordt aan de wettelijke erfgenamen, tenzij de verzekerde een andere begunstigde wil aanwijzen, hetgeen hij uitdrukkelijk schriftelijk aan de verzekeraar moet meedelen.

In een brief van 12 juni 1997, verklaart Cigna de verzekeringsaanvraag te hebben ontvangen en stuurt ze de algemene en bijzondere voorwaarden van de polis aan J.D.

In dezelfde brief stelt zij ook voor de echtgenote van J.D. te verzekeren, tegen betaling van een tweede premie van 500 frank per maand.

De bijzondere voorwaarden van 12 juni 1997 verwijzen inzake de aanduiding van de begunstigde 'naar de algemene voorwaarden' en leggen de maandelijkse premie vast op 500 frank, betaalbaar via American Express.

De algemene voorwaarden definiëren de begunstigde als volgt: 'tenzij de verzekerde de identiteit van een andere begunstigde aan de verzekeraar heeft doorgegeven, wordt bij het overlijden van de verzekerde het bedrag gestort aan de overlevende echtgenoot van wie hij noch van tafel en bed, noch uit de echt gescheiden is, bij ontstentenis aan de wettige erfgenamen, met uitsluiting van de Staat'.(Vertaling)

Als gevolg van die nieuwe offerte, ondertekent J.D. een verzekeringsaanvraag in naam van zijn echtgenote A.V., op 31 juli 1997, en dat tegen betaling van een supplement op de aangekondigde premie.

J.D. verklaart in zijn brief van 6 augustus 1997 de brief van Cigna van 12 juni 1997 te hebben ontvangen en laat weten dat hij de vaststelling van de begunstigden, zoals ze in de algemene voorwaarden opgenomen is, wil wijzigen.

Zo heeft hij de volgende rangschikking aangewezen: A.V., bij ontstentenis, zijn dochter D.D., bij ontstentenis, K.R., bij ontstentenis de wettige erfgenamen.
In een brief van 20 augustus 1997, zendt Cigna aan J.D. een bijvoegsel gedagtekend op 8 augustus 1997, met aangegeven begunstigde: 'zie brief van 6 augustus 1997'. Zo beantwoordt hij de wens van de verzekeringnemer. De premie was vastgesteld op 500 frank per maand.
Cigna heeft vervolgens op 2 september 1997 nieuwe bijzondere voorwaarden toegestuurd met, enerzijds, de identiteit van de verzekeringnemer, J. D. (verzekerde), met identificatie van de begunstigde 'zie brief van 6 augustus 1997', en, anderzijds, de identiteit van de echtgenoot, A.V. (verzekerde), met identificatie van de begunstigde, 'zie algemene voorwaarden', met een premie vastgesteld op 1.000 frank per maand. Dat is het punt van discussie tussen de partijen.

Na het overlijden van de beide verzekerden, op 12 december 1999, heeft de verweerster, die in de rechten van Cigna treedt, de notaris die belast was met de nalatenschappen op de hoogte gesteld van het bestaan van een overeenkomst die J. D. had gesloten.

Ze heeft de dekking ervan geweigerd.

Samenvatting van de voorliggende standpunten

De eisers voeren hun hoedanigheid van erfgenaam van hun halfzuster, D.D., en van hun vader, J.D., aan en het voordeel van de verzekering die laatstgenoemde had afgesloten als verzekeringnemer en dat het risico dekt dat rust op het hoofd van de verzekerde A.V.

[...] De eisers betogen dat als gevolg van het overlijden van A.V., de begunstiging die bepaald was in de litigieuze overeenkomst, in het licht van die overeenkomst, niet in het voordeel moest zijn van J.D. maar van zijn dochter D.

[...] Zij beweren, in aanvullende orde, dat zelfs als J.D. de begunstigde was van de dekking bij het overlijden van zijn echtgenote (quod non), zij recht hebben op het voordeel van de verzekeringswaarborg in zoverre de verweerster het bewijs niet levert van een opzettelijk schadegeval en dat de sancties die zijn opgenomen in de verzekeringspolis van de verweerster , zelfs in geval van een opzettelijk schadegeval, laatstgenoemde niet toestaan hen uit te sluiten van het voordeel van de dekking.

De verweerster beweert van haar kant dat aangezien de begunstigde gedefinieerd is in de algemene voorwaarden van de polis, de eerste begunstigde van de waarborg als gevolg van het overlijden van A.V. niet haar dochter D. is, maar haar overlevende echtgenoot, te weten J.D. en dat aangezien laatstgenoemde het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, de sanctie van uitsluiting bepaald bij artikel 4 van de algemene voorwaarden moet worden toegepast.

Gevolgen van wat voorafgaat voor het bepalen van de begunstigden van de verzekering-overlijden

Voor de overeenkomst waarvoor J.D. de verzekerde is: bij overlijden zijn de begunstigden zijn echtgenote, bij ontstentenis D.D., bij ontstentenis, mevrouw R. en bij ontstentenis de wettige erfgenamen.

Voor de overeenkomst waarvoor A.V. de verzekerde is, volgens de bijzondere voorwaarden die verwijzen naar de algemene voorwaarden waarvan artikel 1 vermeldt: de overlevende echtgenoot (dus J.D.), bij ontstentenis de wettige erf-genamen (dus de eisers).

Inzake de vordering van de eisers en de overeenkomst waarvan A.V. de verzekerde is

De verzekeringsmaatschappij oordeelt dat aangezien J.D., die de begunstigde is van de polis die werd gesloten op het hoofd van A.V., het overlijden van zijn echtgenote opzettelijk heeft veroorzaakt, geen aanspraak mocht maken op het voordeel van de polis met toepassing van artikel 4 van de algemene voorwaarden dat bepaalt dat de ongevallen veroorzaakt door een opzettelijke daad van de begunstigde van de polis worden uitgesloten.

[...] De verzekeraar bewijst dat het begane feit een opzettelijk feit is, dus een feit dat wetens en willens begaan werd.

Voor wat de sanctie van het opzettelijk schadegeval betreft menen de eisers dat de bij artikel 1 van de algemene voorwaarden bepaalde sanctie louter tot gevolg heeft dat J.D. het voordeel van de dekking ontzegd wordt terwijl de rechten van de andere begunstigden behouden blijven.

Volgens hen, volgt uit artikel 8 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst dat overeenkomstig die bepaling het verval enkel de auteur van het schadegeval treft en dat de rechten van de eventuele andere begunstigden behouden blijven.

Zoals hierboven werd uiteengezet, is het onderscheid tussen de categorieën van verval en uitsluiting van weinig belang voor de bewijslast aangezien artikel 1315, tweede lid, Burgerlijk Wetboek toegepast wordt.

Men moet nagaan of de sanctie enkel de auteur van het opzettelijk schadegeval treft en of de polis zijn volle uitwerking behoudt ten aanzien van de andere verzekerden of begunstigden.

Te dezen, voorziet de polis, in haar artikel 4, uitdrukkelijk in een aantal uitsluitingsgronden (die moeten onderscheiden worden van de gronden tot verval van recht die zijn opgenomen in artikel 6 van de polis).

De analyse van de overeenkomst toont aan dat de verzekeraar een duidelijk onderscheid tussen die twee categorieën maakt.

Artikel 4 van de polis vermeldt dat 'de ongevallen [...] veroorzaakt door een opzettelijke handeling van de verzekerde of van de begunstigde van de polis, door zelfmoord of poging tot zelfmoord, door opzettelijke deelname aan misdaden of misdrijven uitgesloten worden'.

Die bepaling vermeldt wel een beding van uitsluiting van de overeenkomst, hetgeen betekent dat het schadegeval in dat geval niet gedekt is.

Het gedekte risico is het overlijden bij ongeval, te weten het overlijden dat voortvloeit uit een aantasting van de fysieke integriteit van de verzekerde, veroorzaakt door een plotse gebeurtenis waarvan één van de oorzaken zich buiten het lichaam bevindt (zie de definities bij artikel 1 van de algemene voorwaarden van de polis).

Een dergelijk risico heeft niets van doen met zelfmoord, dat hier het geval is.

Hoewel het principe is toegestaan om de andere verzekerden en niet de auteur van de opzettelijke handeling te dekken, verbiedt de wet de verzekeraar niet hun uitsluiting in de overeenkomst op te nemen, hetgeen te dezen het geval is.

De eisers betogen dat de artikelen 4 en 6 van de polis tegenstrijdig zijn aangezien artikel 6 bepaalt: 'de verzekerde en de begunstigde worden uitgesloten van elk recht dat volgt uit de polis en de verzekeraar kan eisen dat ze elke reeds betaalde som terugbetalen als de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde het ongeval [...] opzettelijk heeft veroorzaakt. Wanneer er meerdere begunstigden zijn zal de polis slechts uitwerking hebben in het voordeel van de begunstigden die geen enkele deelname hebben gehad aan de hierboven in het eerste lid bedoelde gebeurtenissen'.

Zij betogen dat de polis, in het licht van die bepaling, de begunstigde die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, bestraft met verval van recht op dekking aangezien die sanctie betrekking heeft op de begunstigde en zich niet uitstrekt tot de andere in de overeenkomst aangewezen begunstigden die hun recht op de verzekeringswaarborg behouden.

Zij leiden daaruit af dat de bedingen van de verzekeringsovereenkomst duidelijk en nauwkeurig moeten, met toepassing van artikel 14 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen, dat bepaalt dat de voorwaarden der overeenkomsten in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen moeten opgesteld worden hetgeen met name impliceert dat de bedingen van de polis zodanig moeten worden opgesteld dat zij onderling niet tegenstrijdig zijn.

Bij ontstentenis, worden die bedingen niet geacht schriftelijk te zijn vastgelegd, volgens artikel 19bis Controlewet Verzekeringen, en de eisers leiden daaruit af dat de verweerster noch artikel 4, noch artikel 6 van de polis mag aanvoeren en dat enkel het wettelijk stelsel van verval toepassing mag vinden.

Aanvullend betogen zij dat de tegenstrijdigheid in ieder geval moet worden uitgeklaard in een voor hen gunstige zin, aangezien de verzekeraar die twee bepalingen in zijn voordeel heeft bedongen.

Artikel 4 volgt precies op de bepaling met de beschrijving van het risico en staat vóór de bepalingen over de betaling van de premie en de aangifte van het schadegeval (waarbij de bepalingen betreffende het verval zijn ingevoegd).

De in die twee bepalingen bedoelde voorwaarden zijn niet identiek.

De draagwijdte van artikel 6 van de polis betreft het bestraffen van het niet-nakomen van de verzekerde of van de begunstigde in een schadegeval dat niet is uitgesloten; de plaats ervan in de overeenkomst bevestigt die uitlegging. Artikel 6 heeft het over 'het opzettelijk veroorzaken van een ongeval' terwijl artikel 4, waarvan de titel op zich duidelijk en ondubbelzinnig is, het met name heeft over twee specifieke gevallen die het voordeel van de verzekering uitsluiten:

- de gebrekkige fysieke of psychische toestand (die niet door de partijen wordt aangevoerd);
- een opzettelijke daad door zelfmoord, poging tot zelfmoord of opzettelijke deelname aan misdaden of misdrijven.

Tot twee maal toe het woord 'opzettelijke handeling' gebruiken is weliswaar ongelukkig, maar met de contextuele uitlegging kan hetzelfde woord op twee verschillende manieren worden begrepen.

In het eerste geval is de opzettelijke handeling die uitsluiting teweegbrengt ofwel een strafbaar feit, ofwel een zelfmoord of een poging tot zelfmoord terwijl ze in het tweede geval meer algemeen wordt opgevat alsof ze het ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of de gevolgen ervan verergerd heeft, hetzij rechtstreeks, hetzij door het weigeren van het volgen of laten volgen van een medische behandeling.

Hier wordt het rechtstreeks of opzettelijk veroorzaken van een ongeval bedoeld met uitsluiting van zelfmoord die in de eerste categorie is ondergebracht, hetgeen geheel in overeenstemming is met volledig coherent is in de logica van de polis.

Er is dus geen interne tegenstrijdigheid en het is duidelijk dat de partijen de zelfmoord hebben willen plaatsen in de bedingen van uitsluiting van verzeke-ringswaarborg.

De uitsluiting impliceert dat het risico niet gedekt is, ongeacht de begunstigde, in tegenstelling tot het verval, dat persoonlijk is (zie met name Luik, 17 oktober 2003 R.R.D., 2004, 453: 'Volgens artikel 8 van de wet van 25 juni 1992, kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te geven aan wie het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt. Die wet heeft de dekking van een opzettelijk feit uitgesloten doch enkel ten aanzien van diegene die het opzettelijk feit heeft gepleegd. De verzekeraar kan tegen de ouders geen dekkingsweigering opwerpen tegen de ouders daar zij zelf de verzekeringsvoorwaarden vervullen').

De verweerster betoogt dat de verzekeraars met een overeenkomst de wettelijke sanctie van het verval kunnen vervangen door een andere sanctie, zoals de uitsluiting, zodat de verzekeraar het recht heeft om in geval van een opzettelijk schadegeval zijn waarborg te weigeren, niet alleen ten aanzien van de auteur van het schadegeval maar ten aanzien van elke begunstigde, hetgeen het geval is in artikel 4 van de polis in kwestie.

Het eerste lid van artikel 8 is als volgt opgesteld: Niettegenstaande enig andersluidend beding, kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

Die bepaling is van openbare orde, zoals de woorden 'niettegenstaande enig andersluidend beding' aangeven.

Krachtens die tekst mag de verzekeraar in geen geval verplicht worden dekking te geven aan diegene - verzekeringnemer, verzekerde, begunstigde - die willens en wetens het schadegeval zou hebben veroorzaakt.

Dat betekent niet als dusdanig dat die regel hem verplicht dekking te geven aan iedere andere begunstigde die vreemd is aan het opzettelijk feit en hem, aan de hand van een contractuele bepaling, verbiedt dekking te ontzeggen aan iedere andere begunstigde van de overeenkomst die vreemd is aan het opzettelijke feit.
'een dergelijke (bepaling) overtreedt geenszins het karakter van openbare orde van artikel 8 en is volstrekt geldig' (vertaling) (Luik, 7 november 2007, Forum de l'assurance, 2008, 11, noot C. Verdure; CUP, vol. 106, p. 56, nr. 69).

Daaruit volgt dat de in de polis opgenomen en door J. D. aanvaarde uitsluitingsgrond geldig is en de verzekeraar dus niet verplicht is dekking te geven aan de eisers.

Hun vorderingen zijn dus niet gegrond".

Grieven

1.1. J.D. had in 1997 een verzekering bij de verweerster gesloten die enerzijds voorzag in de betaling van 2.500.000 frank als hij door een ongeval komt te overlijden en anderzijds in de betaling van 2.500.000 frank als zijn echtgenote, A.V. door een ongeval komt te overlijden.

De eisers vorderen de betaling van 61.973,38 euro (2.500.000 frank) krachtens de overeenkomst waarvan A.V. de verzekerde is.

Het bestreden arrest beslist dat de begunstigden van de overeenkomst waarvan A.V. de verzekerde is, de volgende personen zijn: de overlevende echtgenoot (dus J.D.), bij ontstentenis de wettige erfgenamen (dus de eisers).

Het arrest stelt vast dat J.D. zijn tweede echtgenote, A.V., heeft gedood en zich vervolgens van het leven heeft beroofd.

1.2. Het arrest beslist dat de eisers geen aanspraak kunnen maken op het voordeel van de verzekering waarvan A.V. de verzekerde is omdat:

- J.D., begunstigde van die verzekering, het overlijden van zijn echtgenote opzettelijk heeft veroorzaakt;
- artikel 4 van de algemene voorwaarden van de polis vermeldt: "zijn uitgesloten de ongevallen [...] veroorzaakt door een opzettelijke handeling van de verzekerde of van de begunstigde van de polis, door zelfmoord of poging tot zelfmoord, door vrijwillige deelname aan misdaden of misdrijven";
- het een uitsluitingsbeding betreft (niet alleen tegenstelbaar aan J. D., auteur van de opzettelijke handeling, maar ook aan de eisers) en niet een beding van verval;
- het schadegeval bijgevolg niet gedekt is en de eisers geen aanspraak kunnen maken op het voordeel van de verzekering.
(...)

5.1. Krachtens artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, kan aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan. De artikelen 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wetboek bepalen bovendien dat een verbintenis, aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg kan hebben en dat de oorzaak ongeoorloofd is, wanneer zij door de wet verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde.

Artikel 3 van de Wet Landverzekeringsovereenkomsten bepaalt dat de bepalingen van deze wet van dwingend recht zijn, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen.

Artikel 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomsten bepaalt dat niettegen-staande enig andersluidend beding, de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

De sanctie die artikel 8, eerste lid, bepaalt is het verval. De opzettelijke fout is uit-sluitend toerekenbaar aan de dader ervan. Terwijl artikel 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomsten een bepaling van dwingend recht en bovendien van openbare orde is, mag de verzekeringsovereenkomst de niet-dekking van het schadegeval niet uitbreiden (door de opzettelijke daad niet aan te merken als grond van verval maar als uitsluitingsgrond) tot een andere begunstigde dan diegene die de opzettelijke fout heeft begaan.

Dat genoemde artikel 8, eerste lid, laat geen enkele ruimte voor een contractuele aanpassing die de gevolgen ervan wijzigt. Aangezien het verval de sanctie is die de wet heeft voorbehouden aan het opzettelijke schadegeval, mogen de verzekeraars zich niet proberen te onttrekken aan de wil van de wetgever door het opzettelijk schadegeval om te vormen tot een uitsluitingsgrond.

5.2. Artikel 4 ("De uitsluitingen van de overeenkomst") van de algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst, die de betaling oplegt van een bedrag van 2.500.000 frank/61.973,38 euro voor het overlijden bij ongeval van A.V. bepaalt: "zijn uitgesloten de ongevallen [...] veroorzaakt door een opzettelijke handeling van de verzekerde of van de begunstigde van de polis, door zelfmoord of poging tot zelfmoord, door vrijwillige deelname aan misdaden of misdrijven".

Die bepaling merkt de opzettelijke handeling van de begunstigde aldus aan als een uitsluitingsgrond van de waarborg.

Een dergelijk beding dat afwijkt van artikel 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, dat een dwingende wetsbepaling is die van openbare orde is, kan geen gevolgen hebben.

De verweerster mag zich bijgevolg niet beroepen op artikel 4 van de algemene bepalingen van de verzekeringspolis om te betogen dat het overlijden van A.V., dat opzettelijk veroorzaakt werd door de begunstigde van de polis, J. D., uitgesloten wordt van de waarborg, zodat de eisers, die de begunstigden zijn die het opzettelijk feit niet hebben gepleegd en die niet hebben deelgenomen aan het door J. D. begane opzettelijke feit, niet van de verzekering kunnen genieten.

Het arrest dat de vordering van de eisers niet gegrond verklaart op grond dat het overlijden van A. V., dat opzettelijk door J. D. veroorzaakt werd, krachtens artikel 4 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis van de waarborg uitgesloten is, schendt de artikelen 3 en 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereen-komsten, en ook de artikelen 6, 1131, 1133 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan de verze-keraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

Overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet, mag in de verzekerings-overeenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekerings-prestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Uit die bepalingen volgt dat enkel de auteur van een opzettelijke fout of van de niet-nakoming van een in de overeenkomst bepaalde verplichting vrijgesteld kan worden van het voordeel van de verzekeringsdekking.

Artikel 3 van dezelfde wet bepaalt dat de bepalingen van deze wet van dwingend recht zijn, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen.

Bijgevolg is in een levensverzekeringsovereenkomst elk contractueel beding ver-boden dat tot gevolg heeft een andere begunstigde dan de auteur van de opzettelijke fout van de verzekeringsdekking wegens die fout uit te sluiten.

Het arrest stelt vast dat J. D. een levensverzekeringsovereenkomst heeft gesloten op het hoofd van zijn echtgenote A.V., dat de begunstigden van die over-eenkomst de overlevende echtgenoot, hetzij J. D., en, bij ontstentenis, de wettige erfgenamen, onder wie de eisers zijn, en dat J.D. zich van het leven beroofd heeft nadat hij zijn echtgenote en vervolgens hun dochter, D. D., had gedood.

Het stelt eveneens vast dat artikel 4 van de verzekeringsovereenkomst bepaalt dat "zijn uitgesloten de ongevallen [...] veroorzaakt door een opzettelijke handeling van de verzekerde of van de begunstigde van de polis, door zelfmoord of poging tot zelfmoord, door opzettelijke deelname aan misdaden of misdrijven".

Het overweegt dat het overlijden van A.V. volgt uit een door J. D. opzettelijke be-gaan feit .

Het arrest, dat oordeelt dat de eisers krachtens artikel 4 van de verzekeringsover-eenkomst niet kunnen genieten van de dekkingen van voornoemde overeenkomst, schendt de artikelen 3 en 8, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst.

Het onderdeel is gegrond.
(...)

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het hoger beroep van de eisers en over de kosten tussen hen en de verweerster.
Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het gedeeltelijk vernietigd arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing hieromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, en in openbare terechtzitting van 3 maart 2014 uitgesproken

C.13.0224.F
Conclusions de l'avocat général Genicot:
Sur le moyen unique de cassation.
Quant à la seconde branche.

1. Dispositions de la police d'assurance concernées.

Suivant la page 15 de l'arrêt attaqué:

L'article 4 de la police énonce que,:
«sont exclus les accidents [...] causés par un acte intentionnel de l'assuré ou du bénéficiaire, par suicide ou tentative de suicide, par la participation volontaire à des crimes ou à des délits.»

- L'article 6, quant à lui, dispose que:
«‘l'assuré et le bénéficiaire seront déchus de tous droits découlant de la police et l'assureur pourra leur réclamer le remboursement de toute somme déjà payée: lorsque le preneur d'assurance, l'assuré ou le bénéficiaire aura provoqué intentionnellement l'accident [...] Lorsqu'il y a plusieurs bénéficiaires, la police ne sortira ses effets qu'en faveur des bénéficiaires n'ayant pris aucune participation à un des événements visés au premier alinéa ci-dessus.' (conclusions de synthèse p. 49)».

2. Hypothèse retenue par l'arrêt attaqué.

En son 12ème feuillet et reprenant la thèse de la défenderesse il expose:

«La compagnie d'assurances considère que comme M. Jacques De Cuyper, qui est le bénéficiaire de la police souscrite sur la tête de Mme Arlette Vanderperre a intentionnellement provoqué le décès de son épouse, Mme Arlette Vanderperre, et qu'il n'aurait pu prétendre au bénéfice de la police, en application de l'article 4 des conditions générales qui dispose[nt] que les accidents causés par un acte intentionnel du bénéficiaire de la police sont exclus. (43 des conclusions de synthèse).»

En sa page 7, sous le «Résumé des thèses en présence» l'arrêt relève également que la défenderesse opposait aux demandeurs que: «... le premier bénéficiaire de la garantie suite au décès de Mme Arlette Vanderperre (est)... son conjoint survivant, à savoir M. Jacques De Cuyper et que ce dernier ayant intentionnellement provoqué le sinistre, la sanction de l'exclusion prévue à l'article 4 des conditions générales de la police trouve à s'appliquer.» (Page 7 de l'arrêt attaqué)

L'arrêt entend donc bien prendre en considération au soutènement de sa décision de refuser la garantie d'assurance, non pas le suicide de l'un ou de l'autre des consorts De Cuyper, mais bien le fait accompli par feu Jacques de Cuyper qui, avant de se donner la mort, avait intentionnellement provoqué le décès de son épouse.

3. Motivation de la décision - Harmonisation des articles 4 et 6 de la police d'assurance.

Pour ce faire, l'arrêt procède en deux étapes.

Tout d'abord, répondant aux conclusions des demandeurs qui invoquaient une contrariété entre les articles 4 et 6 précités, l'arrêt attaqué les rejette en considérant que, même si «... l'utilisation à deux reprises du terme «acte intentionnel» est malencontreuse ... l'interprétation contextuelle permet de distinguer deux entendements différents du même terme.»

En effet, poursuit-il:

«Dans le premier cas l'acte intentionnel qui entraîne l'exclusion est soit un acte délictueux, soit un suicide ou une tentative de suicide, tandis que dans le second cas, il est entendu de manière plus générale comme étant ‘avoir provoqué intentionnellement l'accident ou aggravé les suites de celui-ci soit directement, soit en refusant de suivre ou de faire suivre un traitement médical'.

Provoquer directement et intentionnellement un accident est entendu ici à l'exclusion du suicide qui est prévu dans la première catégorie, ce qui est parfaitement cohérent dans la logique de la police». (16ème feuillet de l'arrêt)

Ensuite, après avoir ainsi retenu une articulation cohérente desdites clauses du contrat, l'arrêt expose en sa page 17 que si, suivant l'article 8 de la loi du 25 juin 1992, l'assureur en aucun cas «ne peut être tenu de fournir sa garantie à l'égard de celui - preneur, assuré ou bénéficiaire - qui aurait causé volontairement et sciemment le sinistre», cette règle ne lui impose cependant pas «de fournir sa garantie à tout autre bénéficiaire étranger au fait intentionnel» dont il peut ainsi l'en priver, ce qui est le cas en l'espèce puisque selon les juges d'appel: «... la clause d'exclusion contenue dans la police et acceptée par Jacques de Cuyper est valide et que l'assureur n'est donc pas tenu d'accorder sa garantie aux demandeurs».

4. Question soulevée par le moyen en sa seconde branche.

La déchéance de l'article 6, ainsi limitée au bénéficiaire ayant intentionnellement provoqué l'accident sans donc affecter les autres bénéficiaires étrangers à cet acte, peut-elle en l'espèce céder la place à l'exclusion prévue par l'article 4 et priver malgré tout les demandeurs - bénéficiaires étrangers à l'acte intentionnel - d'une garantie que l'article 6 semblait leur assurer?

5. Discussion.

a. L'article 8, alinéa 1er, de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre dispose que, nonobstant toute convention contraire, l'assureur ne peut être tenu de fournir sa garantie à l'égard de quiconque a causé intentionnellement le sinistre.

A rebours, il ne lui est pas permis, en vertu de l'article 11, alinéa 1er, d'imposer ou d'étendre une déchéance en dehors de l'inexécution d'une obligation déterminée imposée par le contrat et sans que ce manquement soit en relation causale avec l'accident.

Enfin, l'article 3 de la même loi confère à ces dispositions un caractère impératif.

b. En vertu de l'article 11 précité, la notion de déchéance tient donc à l'inexécution d'une obligation ou d'une abstention contractuelle déterminée; elle dépossède le bénéficiaire de ce que le respect de cette obligation lui eût initialement permis de préserver; elle s'apprécie donc par rapport à une exécution normale qui était censée lui ouvrir un droit qu'a contrario son inexécution lui refuse. L'intentionnalité d'un acte ayant provoqué l'accident, relève bien de cette notion de déchéance, puisqu'elle présuppose l'effectivité d'un risque admissible à couverture, dès lors qu'elle ne peut, pour s'appliquer que s'induire a posteriori de circonstances d'indices tenant à la manière dont il s'est déjà réalisé ou consommé(1).

Ainsi sur cette base, et nonobstant certaines jurisprudences de fond contraires, apparaît relever logiquement de la notion de déchéance, le refus de couverture des sinistres résultant d'actes intentionnels de l'assuré, d'une participation à une rixe, à un crime ou à un duel, de l'usage de stupéfiants, de l'abus d'alcool,(2) du défaut d'installation d'une alarme(3) ou d'un système antivol,(4) de l'absence de mise en œuvre des mesures de précaution imposées pour garantir la sécurité de l'objet assuré ou encore d'actes résultant du défaut manifeste de précaution ou d'entretien contractuellement imposés(5).

La déchéance relève donc d'un retrait du droit tandis que l'exclusion consiste en une absence de droit, un vide contractuel et concerne d'emblée une situation ‘hors cadre' contractuel.

c. Il semble donc ressortir des considérations précitées de l'arrêt attaqué que l'acte intentionnel a en l'espèce été contractuellement soumis à deux régimes de sanctions distinctes, l'une d'exclusion pour les actes intentionnels délictueux (article 4, de la police), l'autre de déchéance pour les autres actes intentionnels (article 6, de la police).

Cette façon d'exclure de la garantie les demandeurs que leur qualité de bénéficiaires étrangers à l'acte intentionnel incriminé devait cependant leur assurer en vertu de l'article 11, revient en quelque sorte à contourner celui-ci en transformant radicalement la nature même de la sanction initiale.

Or, transformer l'acte intentionnel comme cause de déchéance et reconnu d'ailleurs comme tel par l'article 6 de la police précitée, en une cause d'exclusion ( article 4) lorsqu'il présente un caractère délictueux, reviendrait à en forcer le cadre juridique soumis à des règles probatoires distinctes, par une sorte de dénaturation de la sanction de déchéance appropriée à l'acte intentionnel afin de contourner en l'espèce et de façon irrégulière le système prescrit par les articles précités de la loi du 25 juin 1992 et la protection qui en découle en règle en faveur des bénéficiaires étrangers à l'acte intentionnel concerné.

La doctrine me semble aller en ce sens(6).

Enfin, si l'arrêt du 4 mars 2013 que la défenderesse invoque, dispose que «...seul l'auteur d'une faute intentionnelle ou d'un manquement à une obligation déterminée du contrat peut être déchu du bénéfice de la garantie» et que partant est «... prohibée toute clause contractuelle qui a pour effet de priver de la garantie d'assurance un autre preneur que l'auteur de la faute intentionnelle», il ne peut à mon sens en être déduit que seul le preneur demeurerait ainsi protégé - par opposition au bénéficiaire qui lui ne le serait donc pas - dès lors que la question dont les faits de cette cause saisissait la Cour portait sur une clause de la police relative à un autre preneur et que certaines fautes intentionnelles du preneur peuvent du reste être opposées au bénéficiaire (Voir notamment, articles 87, § 2, et 101 de la loi du 25 juin 1992.)

En conséquence, en décidant que les demandeurs ne peuvent bénéficier de la couverture de l'assurance-vie de feue dame Vanderperre en vertu de l'article 4 du contrat précité, les juges d'appel ne justifient à mon sens pas légalement leur décision, en violation des dispositions de la loi du 25 juin 1992 visées au moyen, qui s'avère dès lors fondé.

Il n'y a pas lieu d'examiner la première branche du moyen qui ne saurait entraîner de cassation plus étendue.

Conclusion.
Je conclus à la cassation.
___________________
(1) Concl. du ministère public et réf. cit., sous Cass., 20 septembre 2012, RG C.12.0029.F, Pas., 2012, n° 477.
(2) Mons, 1er février 2000, R.G.A.R. 2001, p. 13.347.
(3) Mons, 10 décembre 2001, R.G.A.R. 2002, p. 13.554.
(4) Liège, 22 juin 2005, R.G.A.R. 2007, p. 14.290.
(5) Liège, 28 mai 2008, R.G.A.R. 2010, 14626; Gand, 15 février 2007, Njw 2007, p. 415; Bruxelles, 25 novembre 1999, R.G.A.R. 2001, p. 13.404; Bruxelles, 26 novembre 2002, R.G.A.R. 2004, p. 13.815; Bruxelles, 10 novembre 2003, R.G.A.R., 2004, p. 13.940.
(6) M. Fontaine, «Déchéances, exclusions, définition du risque et charge de la preuve en droit des assurances», R.C.J.B., 2003, pp. 63-70; B. Dubuisson, «La norme impérative dans le droit du contrat d'assurance», in Liber amicorum Hubert Claassens, 1998, p. 126.

Noot: 

• Consumentenrecht [DCCR] HEIRMAN, Glenn; Noot 'Opzettelijke schadegevallen in het verzekeringsrecht: het Hof van Cassatie verbiedt clausules die de dekking uitsluiten van begunstigden die vreemd zijn aan de opzettelijke veroorzaking van het schadegeval' 2015, nr. 106, p. 92-103.

Wet / 1992-06-25 / Artt. 3, 8, eerste lid, en 11, eerste lid / / 32 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 27/08/2017 - 12:36
Laatst aangepast op: zo, 27/08/2017 - 12:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.