-A +A

Alimentatie ex-echtgenoten - Begroting - Staat van behoefte - Aanzienlijke economische terugval - Huwelijkse levensstandaard

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 08/06/2012
A.R.: 
C.11.0469.F

De uitkering na echtscheiding dekt ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde (art. 301, § 3, 1ste lid BW). De staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde wordt beoordeeld op grond van de normale levensomstandigheden waarin hij wegens zijn sociale situatie verkeerde.
De rechtbank houdt bij de begroting van de uitkering na echtscheiding rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde (art. 301, § 3, 2de lid BW). Hierbij houdt de rechtbank niet alleen rekening met de economische terugval die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook met de aanzienlijke economische terugval wegens de echtscheiding.

Om de economische terugval van de uitkeringsgerechtigde te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna (art. 301, § 3, 2de lid BW). Het begrip 'gedrag van de partijen tijdens het huwelijk inzake de organisatie van de noden' omvat ook het begrip 'levensstandaard'.

De rechtbank kan bijgevolg, bij de begroting van de uitkering, rekening houden met onder meer de levensstandaard van de partijen tijdens het huwelijk.

De beslissing die op definitieve wijze uitspraak doet over de gegrondheid van een vordering tot levensonderhoud, bevat de terugvorderingstitel van de bedragen die zijn betaald ter uitvoering van de beslissing die aan de uitkeringsgerechtigde een voorlopige onderhoudsuitkering toekent; die beslissing moet bijgevolg de onderhoudsgerechtigde niet uitdrukkelijk veroordelen tot teruggave van het aandeel van de onderhoudsuitkeringen dat hem onverschuldigd is betaald

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Jaargang: 
2013/13
Pagina: 
938
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. La procédure devant la Cour
Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 20 décembre 2010 par la cour d'appel de Mons.

Le conseiller M. Regout a fait rapport.

L'avocat général Th. Werquin a conclu.

II. Les moyens de cassation
(…)

III. La décision de la Cour
Sur le premier moyen
Quant à la première branche
Aux termes de l'article 301, § 2, 1er alinéa du Code civil, le tribunal peut, dans le jugement prononçant le divorce ou lors d'une décision ultérieure, accorder, à la demande de l'époux dans le besoin, une pension alimentaire à charge de l'autre époux.

Suivant l'article 301, § 3, 1er et 2ème alinéas du même code, le tribunal fixe le montant de la pension alimentaire, qui doit couvrir au moins l'état de besoin du bénéficiaire. Il tient compte des revenus et possibilités des conjoints et de la dégradation significative de la situation économique du bénéficiaire. Pour apprécier cette dégradation, le juge se fonde notamment sur la durée du mariage, l'âge des parties, leur comportement durant le mariage quant à l'organisation de leurs besoins et la charge des enfants pendant la vie commune ou après celle-ci.

L'état de besoin du créancier d'aliments s'apprécie en tenant compte des conditions normales de vie dont il bénéficiait en raison de sa situation sociale.

Pour fixer le montant de la pension alimentaire après divorce, le juge tient compte non seulement de la dégradation de la situation économique du bénéficiaire résultant des choix opérés par les époux durant la vie commune mais aussi de la dégradation significative de sa situation économique en raison du divorce.

La notion de comportement des parties durant le mariage quant à l'organisation de leurs besoins recouvre la notion de train de vie. Il s'ensuit que, pour fixer le montant de la pension alimentaire, le tribunal peut notamment tenir compte du niveau de vie des parties pendant le mariage.

L'arrêt énonce:

que les parties se sont mariées en 1983, qu'elles ont vécu ensemble jusqu'en 2003, soit pendant vingt ans, et que le demandeur terminait ses études de médecine au moment de leur mariage;
que le demandeur bénéficiait de revenus importants: notamment 4.944 EUR nets par mois en 1999 et 5.665 EUR nets par mois en 2002 et que la mauvaise gestion du couple a conduit les parties en 2001 vers le règlement collectif de dettes et a réduit leur train de vie qui était confortable;
que, pendant les deux dernières années de la vie commune, le médiateur de dettes leur remettait une somme mensuelle moyenne de 2.983,33 EUR et payait directement le prêt hypothécaire de leur résidence; qu'après déduction du coût des enfants, les facultés financières des parties pouvaient être évaluées à 2.400 EUR (y compris le prêt hypothécaire payé par le médiateur), représentant ainsi leur niveau de vie pendant les dernières années de vie commune; que cette médiation de dettes était terminée au moment de la transcription du divorce;
qu'avant son mariage avec le demandeur, la défenderesse travaillait en qualité d'infirmière; que, de commun accord avec le demandeur, elle a cessé de travailler à partir de 1987; qu'elle a aidé le demandeur dans sa profession de médecin généraliste et a élevé quatre enfants;
que la défenderesse travaille et perçoit un salaire de 1.854,60 EUR par mois, avant impôts, et assume, outre les charges de la vie courante et celles de son logement, sa part dans le coût de l'entretien et de l'éducation des deux plus jeunes enfants communs et de C.
L'arrêt a pu déduire de ces énonciations, sans violer l'article 301, § 2, 1er alinéa et § 3 du Code civil, que, “compte tenu notamment du niveau de vie des parties pendant la vie commune (la médiation de dettes intervenant durant les deux dernières années), de la dégradation de la situation de [la défenderesse] en raison des choix de vie du couple, de la durée du mariage, ainsi que de l'âge des parties et de leurs capacités financières, il y a lieu de fixer la pension alimentaire après divorce à la somme de 800 EUR par mois à dater de la transcription du divorce”.

Le moyen, en cette branche, ne peut être accueilli.

Quant à la seconde branche
Le grief de contradiction entre les dispositions d'un arrêt est étranger à l'article 149 de la Constitution dont la violation est invoquée.

Dans cette mesure, le moyen, en cette branche, est irrecevable.

Pour le surplus, la décision, qui statue à titre définitif sur le fondement d'une demande de pension alimentaire, contient le titre de répétition des paiements effectués en exécution de la décision accordant au créancier une provision alimentaire.

Cette décision ne doit dès lors pas condamner expressément le créancier à la restitution de la quote-part des provisions alimentaires qui lui a été indûment payée.

Dans cette mesure, le moyen, qui, en cette branche, repose sur le soutènement contraire, manque en droit.

(…)

Par ces motifs,

La Cour

Rejette le pourvoi;

Condamne le demandeur aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de 508 EUR envers la partie demanderesse.

 

Noot: 

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] ALOFS, Elisabeth; Noot 'De begroting van de uitkering na echtscheiding (art. 301 BW): over de staat van behoefte, de behoeftige echtgenoot, de aanzienlijke economische terugval en het belang van de huwelijkse levensstandaard' 2013, nr. 13, p. 938-947.

• Tijdschrift voor Familierecht [T.Fam.] VAN ROY, Christine; Noot 'Het Hof van Cassatie bevestigt de levensstandaard als beoordelingscriterium bij de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting' 2013, nr. 4, p. 104-106.

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)

• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 05/07/2017 - 17:11
Laatst aangepast op: wo, 05/07/2017 - 17:11

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.