-A +A

Algemene voorwaarden op keerzijde zonder verwijzing naar de ze voorwaarden zijn niet tegenstelbaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 03/12/2013

Algemene voorwaarden, voorgedrukt op de achterzijde van de overeenkomst, zijn niet bindend. Dit des temeer wanneer op de voorzijde niet naar deze voorwaarden wordt verwezen.

De loutere mogelijkheid om van de algemene voorwaarden kennis te hebben voor het sluiten van de overeenkomst, volstaat niet tot bewijs van de aanvaarding ervan.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
627
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NV N.R.G. t/ VZW R.V.S.

De procedure in eerste aanleg

De VZW R.V.S. stelde op 21 december 1995 een inleidende vordering in ertoe strekkende te horen zeggen voor recht dat (...) de overeenkomst (...) betreffende een fotokopieermachine (...) op 1 februari 1995 ontbonden was ten laste van NV N.R.G.; akte te horen verlenen van het feit dat de forfaitaire schadevergoeding (ten bedrage van 214.800 fr.) werd betaald; te horen zeggen voor recht dat bij gebrek aan bewijs of door eigen nalaten geen schade door de VZW R.V.S. werd veroorzaakt; de NV N.R.G. te horen veroordelen tot het onmiddellijk verwijderen van het kwestieuze apparaat;

Op 24 januari 1996 stelde de NV N.R.G. een tegenvordering in ertoe strekkende de VZW R.V.S. te horen veroordelen tot het betalen van het bedrag van 375.488 fr., vermeerderd met de interesten; tot het verder uitvoeren van de huur- en onderhoudsovereenkomst van 21 oktober 1991 tot de normale einddatum, zijnde 30 november 1997.

De eerste rechter zegde voor recht dat de overeenkomst tussen de partijen ontbonden is ten laste van de VZW R.V.S. op 1 februari 1995; zegde voor recht dat de schadeloosstelling ten belope van 214.800 fr. werd betaald door de VZW R.V.S.; beval het afhalen door de NV N.R.G. van het fotokopieerapparaat.

...

De feitelijke elementen van de zaak

Op 21 oktober 1991 sluiten de partijen een overeenkomst waarbij de NV N.R.G. zich ertoe verbindt een fotokopieerapparaat te verhuren en te onderhouden gedurende een periode van 72 maanden of zes jaar en een ander fotokopieerapparaat mede te onderhouden en waarbij de VZW R.V.S. zich ertoe verbindt hiervoor een prijs te betalen van (...)

Het apparaat wordt geleverd op 14 november 1991, en de uitvoering van de overeenkomst neemt een aanvang op 1 december 1991, wat betekent dat de overeenkomst normalerwijze een einde neemt op 30 november 1997.

Op 20 januari 1995 richt de VZW R.V.S. een brief aan de NV N.R.G., luidend als volgt: «Hiermede zeggen wij bovenvermeld huurcontract op dat een einde neemt op 31 januari 1995. Houdend aan eigen reglement zoals vermeld op de achterkant van het contract, (...), zijn wij bereid, na ontvangst van uw factuur, één jaar verbrekingsvergoeding te betalen zijnde 214.800 fr. (...). Hiermede vervalt ook het desbetreffende onderhoudscontract. (...). Het apparaat is ter beschikking vanaf 1 februari 1995».

Op 31 januari 1995 antwoordt de NV N.R.G.: «Tot onze spijt moeten wij u meedelen dat we niet akkoord gaan met de stopzetting van uw huur- en onderhoudscontract (...). Dit contract (...) loopt pas ten einde op 30 november 1997. Het kan slechts worden stopgezet volgens onze algemene verkoopsvoorwaarden, m.a.w. bij ontbinding door de schuld van de klant is deze bij wijze van forfaitaire en onverminderde schadeloosstelling een bedrag verschuldigd gelijk aan één jaar huur, onverminderd het recht (...) om eventueel bijkomende schadeloosstelling te eisen. De schadevergoeding voor de verbreking van uw contract zal 538.000 fr. netto bedragen. Indien u akkoord gaat met de betaling van bovenvermelde schadevergoeding, gelieve ons zo snel mogelijk uw bevestiging te laten geworden».

De VZW R.V.S. antwoordt op 23 februari 1995: «(...) dat wij niet akkoord kunnen gaan met het betalen van een schadeloosstelling van 538.000 fr. netto. (...)».

Het door de NV N.R.G. geëiste bedrag van 538.000 fr. stemt overeen met het verschuldigde `facturatiebedrag‘ tot het normale einde van de overeenkomst, verminderd met 15%, zoals verduidelijkt wordt bij brief van 16 maart 1995.

Er komt geen oplossing en het toestel blijft, ongebruikt volgens de VZW R.V.S., sinds januari 1995 ter beschikking (...).

De NV N.R.G. factureert ondertussen gewoon verder aan het minimumbedrag (...).

Op 15 november 1995 betaalt de VZW R.V.S. het bedrag van 214.800 fr., zijnde de door haar initieel aangeboden verbrekingsvergoeding.

Het gedinginleidend exploot wordt betekend op 21 december 1995.

De NV N.R.G. zegt gewoon verder te hebben gefactureerd, maar legt uitsluitend rekeninguittreksels voor.

Het verhuurde toestel wordt op 27 mei 1998, dit is na de pleidooien in eerste aanleg, na het verstrijken van de initieel overeengekomen huurtermijn, maar vóór de bestreden beslissing, teruggehaald door de NV N.R.G.

Nopens de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden

Voor de appèlrechter laat de VZW R.V.S. terecht gelden dat de algemene voorwaarden, voorgedrukt op de achterzijde van de overeenkomst, hem niet binden.

In de door de VZW R.V.S. ondertekende tekst is geen enkele verwijzing terug te vinden naar de tekst van de algemene voorwaarden, die op de achterzijde zijn afgedrukt. De NV N.R.G. bewijst bijgevolg niet dat deze algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst. De loutere mogelijkheid voor de VZW R.V.S. om van de algemene voorwaarden kennis te hebben voor het sluiten van de overeenkomst, volstaat niet tot bewijs van de aanvaarding ervan.

De VZW R.V.S. is een school die aan kinderen van binnenvaartschippers onderwijs verstrekt, wat een prestatie is van loutere burgerlijke aard. De VZW R.V.S. kan bijgevolg niet als een handelaar worden beschouwd, waardoor de systematische vermelding van de algemene voorwaarden op de keerzijde van de facturen niet kan worden aangewend als bewijs van contractuele verplichtingen.

Het inroepen, door de VZW R.V.S., van een beding uit de algemene voorwaarden, waarvan hij veronderstelde dat ze te haren gunste was, houdt geen bewijs in van de aanvaarding van de algemene voorwaarden.

De op grond van de algemene voorwaarden ingestelde vorderingen worden afgewezen.

...

Nopens het recht om een einde te maken aan de overeenkomst

De overeenkomst werd aangegaan voor een initiële duur van 72 maanden.

Nopens de beëindiging stipuleert zij: «De overeenkomst zal een einde nemen bij het verstrijken van een opzegtermijn van drie maanden, schriftelijk te geven door de ene partij aan de andere. In geen geval kan deze opzeg evenwel ingaan vóór het verstrijken van de voorziene initiële duur, eventueel verlengd door een variatiecontract. In geval geen opzeg wordt gegeven vóór het verstrijken van de initiële duur, zal deze duur automatisch worden verlengd voor opeenvolgende periodes van telkens twaalf maanden».

Spijts een aantal `onzuiverheden‘ in de tekst (de opzeg kan niet ingaan vóór het verstrijken van de duur, maar hij moet worden gegeven vóór het verstrijken van de duur), kan dit beding als volgt worden samengevat: de overeenkomst wordt bij het verstrijken van de initieel overeengekomen duur van zes jaar automatisch met opeenvolgende periodes van een jaar verlengd, tenzij zij minstens drie maanden daarvoor werd opgezegd.

De VZW R.V.S. beschikte bijgevolg niet over enige opzegmogelijkheid gedurende de initiële periode van zes jaar. Door na drie jaar en twee maanden mee te delen, zonder het inroepen van enige rechtvaardigingsgrond, dat het een einde maakt aan de overeenkomst pleegde de VZW R.V.S. bijgevolg contractbreuk.

De NV N.R.G. wenste, als schuldeiser van de in gebreke blijvende VZW R.V.S. de uitvoering in natura van de overeenkomst, wat haar recht is (Cass. 14 april 1994, Arr. Cass. 1994, 374). Het is niet aan de debiteur om vervangende schadevergoeding boven uitvoering te verkiezen (Cass. 23 december 1977, Pas. 1978, I, 477). Wel kan worden opgemerkt dat de NV N.R.G. zelf in haar brief van 31 januari 1995 een beëindiging tegen betaling van een schadeloosstelling voorstelde.

Nopens de goede trouw, het misbruik van recht en de schadebeperkingsplicht

De goede trouw bij de uitvoering van de overeenkomst (art. 1134, derde lid, B.W.) vereist dat een contractpartij haar uit de overeenkomst voortvloeiende rechten uitoefent op een manier die niet in strijd is met wat van een redelijke contractpartij mag worden verwacht.

Volgens de theorie van het rechtsmisbruik is het aan de houder van een subjectief recht verboden dit recht uit te oefenen op een wijze die kennelijk de grenzen van een redelijke rechtsuitoefening te buiten gaat, wat onder meer het geval is wanneer de houder van het recht tussen twee mogelijke uitvoeringswijzen van zijn recht kiest voor de wijze die voor hem meer voordeel dan de andere uitvoeringswijze inhoudt, maar die aan een ander een disproportioneel groter nadeel berokkent.

Onder bepaalde omstandigheden maakt het nalaten van de benadeelde om passende maatregelen te treffen ter beperking of ter voorkoming van de (eigen) schade een schuldig verzuim uit, waardoor hij met betrekking tot die schade zijn aanspraak op vergoeding verliest. De inactiviteit van de benadeelde mag niet strijdig zijn met wat men van een normaal zorgvuldige persoon onder dezelfde omstandigheden mag verwachten. In casu vordert de NV N.R.G. geen vergoeding voor de door haar geleden schade, maar vordert zij de uitvoering van de overeenkomst. Wanneer de VZW R.V.S. de schadebeperkingsplicht inroept, wat ook kan worden omschreven als een misbruik van het recht op schadeloosstelling, verwijt ze in feite de NV N.R.G. dat deze de schade van de VZW R.V.S. niet heeft beperkt. Deze schade is evenwel het gevolg van de eigen beslissing van de VZW R.V.S. tot verbreking.

Door de uitoefening van zijn principieel recht op uitvoering van de overeenkomst streeft de NV N.R.G. te deze uitsluitend de realisatie van een financieel belang na. Indien door de contractbreuk van de VZW R.V.S. dit financieel belang dreigt verloren te gaan, heeft de NV N.R.G. recht op de vrijwaring van dit belang op de meest volkomen wijze. Hiertoe kon zij twee uitvoeringswijzen van haar recht kiezen ter vrijwaring van haar financieel belang: het eisen van de uitvoering in natura of het eisen van een schadevergoeding wegens contractbreuk. In beide gevallen leidt dit in casu tot een gelijksoortig resultaat: de betaling van een bepaald bedrag waardoor de contractueel verworven en te verwachten winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Het fotokopieerapparaat was eigendom van de NV N.R.G. Dit bracht mee dat de VZW R.V.S., zonder het akkoord van de NV N.R.G., niet in de mogelijkheid was om het te realiseren ter aflossing van een zo groot mogelijk gedeelte van zijn schuld. De NV N.R.G. weet als professionele verkoper van fotokopieertoestellen dat de waarde van dergelijke toestellen snel kan dalen eenvoudigweg door het verstrijken van de tijd. De NV N.R.G. zelf had, zeker als professionele verkoper, wel de mogelijkheid om de schuld van de VZW R.V.S. te verminderen door het heraanwenden van het apparaat.

De uitvoering in natura houdt te dezen voor de N.R.G. geen groter rechtmatig voordeel in. Door te opteren voor de verdere uitvoering wist de NV N.R.G. dat zij geen onderhoudsprestaties meer zou dienen te verrichten. Dit voordeel is evenwel niet rechtmatig, omdat het een afwijking betekent van het contract. Van de andere kant staat wel vast dat deze uitvoeringswijze van het contractueel recht van de NV N.R.G. aan de VZW R.V.S. een disproportioneel nadeel berokkende, vergeleken met de uitvoeringswijze strekkende tot vergoeding van de contractueel geleden schade:

1. bij het begin van de schadevergoeding zou immers rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de NV N.R.G. het apparaat bijna drie jaar vóór het einde van de contracttermijn opnieuw ter beschikking had, wat voor haar de verplichting zou hebben meegebracht om de contractuele schade te beperken door dit apparaat ofwel te gelde te maken ofwel opnieuw te verhuren;

2. door de uitvoering te eisen in plaats van de schadeloosstelling dient de VZW R.V.S. (niet-recupereerbare) B.T.W. te betalen, wat niet het geval is bij een vergoeding voor geleden schade;

3. het opteren voor de verdere uitvoering van de overeenkomst, hoewel de VZW R.V.S. de facto was gestopt met het verdere gebruik van het toestel en het ter beschikking had gesteld, eerder dan voor het vragen van een schadevergoeding wegens contractbreuk, brengt voor de VZW R.V.S. het nadeel mee dat het inbegrepen betalingen dient uit te voeren voor onderhoudsprestaties, die echter niet worden uitgevoerd.

Bij misbruik van recht behoort de rechter het recht tot zijn normaal gebruik te verminderen. In onderhavig geval betekent dit dat in rekening dient te worden gebracht:

– de marktwaarde van het fotokopieerapparaat (...) op 31 januari 1995;

– de vermijdbare B.T.W.;

– de uitgespaarde kosten wegens niet uit te voeren of niet uitgevoerde onderhoudsprestaties gedurende twee jaar en tien maanden.

Het in rekening brengen van de bovenstaande posten wegens misbruik van recht leidt tot een resultaat dat in casu in principe gelijk is met de schade die de NV N.R.G. zou hebben geleden ingevolge de ontbinding van de overeenkomst wegens contractbreuk door de VZW R.V.S. Zoals hierboven reeds uitgelegd, is het belang van de NV N.R.G. immers louter financieel.

De algemene voorwaarden van de overeenkomst, hoewel in casu niet toepasselijk verklaard, bevatten een nuttige indicatie om deze schade te begroten: bij ontbinding van het contract door de schuld van de klant, is deze bij wijze van forfaitaire en onverminderbare schadeloosstelling, een bedrag verschuldigd gelijk aan het contractueel bedongen minimumfacturatiebedrag gedurende twaalf maanden, bovenop de facturaties die betrekking hebben op de periode tot aan de werkelijke teruggave van het materiaal, (onverminderd) het recht om eventueel bijkomende schadeloosstelling te eisen.

Het is precies dit bedrag dat de VZW R.V.S. betaalde aan de NV N.R.G. op 15 november 1995 (53.700 x 4 = 214.800 fr.) De vordering tot gedwongen uitvoering kan in deze zaak niet leiden tot een hoger verschuldigd bedrag.

 

Noot: 

In een opmerkelijk arrest van het Hof van Beroep te Brussel (Brussel 16de kamer, 23 maart 2012, DCCR april – mei - juni 2013 pagina 49). werd gesteld dat de loutere mogelijkheid voor de consument om kennis te nemen van de algemene voorwaarden voldtaat, waarna hij al dan niet na lezing ervan en het al dan niet gebruik maken van deze mogelijkheid, deze voorwaarden expliciet of impliciet kan aanvaarden. Nergens wordt immers vereist dat de consument de voorwaarden waarvan hij kennis kon krijgen of die hij kon zien of gezien heeft, daadwerkelijk gelezen heeft.

Volgt hierna dit arrest:

Circonstances de fait de la cause

Au mois d'octobre 2006, monsieur P. et son épouse, madame H., ci-après dénommés les époux P., ont contacté le centre d'appel de la s.a. A., ci-après dénommée A. pour effectuer un voyage en Jordanie au mois de décembre suivant.

Il ressort du dossier de réservation déposé par A. que les époux P. ont contacté le centre d'appel d' A. à plusieurs reprises, modifiant les dates et lieux de départ de leur voyage et que:

- le 3 novembre 2006, ils ont finalement réservé pour chacun d'eux les billets suivants:

• départ le 9 décembre 2006 de la gare TGV à Bruxelles-Midi à destination de l'aéroport de Paris, Charles de Gaulle, par un vol ferré, et ensuite de Paris à Amman, par un vol aérien,

• retour le 19 décembre 2006 d'Amman à destination de Paris, par vol aérien et ensuite de Paris à Bruxelles, par vol ferré,

- A. leur a confirmé cet itinéraire de voyage par un courriel du même jour.

Le prix des billets s'élevait à 1.526,26 EUR par personne.

Le 3 novembre 2006, A. a envoyé les billets et un bulletin qui reprenait l'itinéraire ainsi que les heures de départ et d'arrivée.

Les époux P. n'ont pas réagi à la réception du courriel du 3 novembre 2006, ni à la réception des billets de train et de l'itinéraire qui leur a été transmis par A.

Lorsque les époux P. se sont présentés à l'aéroport à Paris et qu'il a été constaté qu'ils n'avaient pas utilisé le billet de train, ceux-ci étant arrivés en voiture, A. a exigé le paiement d'un complément de prix de 1.682 EUR par billet ou 3.364 EUR, pour effectuer le voyage entre Paris et Amman.

Par courrier du 28 décembre 2006, monsieur P. a demandé à A. de lui rembourser la somme de 3.364 EUR.
Un échange de courriers s'en est suivi au terme duquel aucun accord n'a été conclu.

Procédure

Par citation signifiée le 17 août 2007 à A., les époux P. ont sollicité la condamnation de celle-ci au paiement de la somme de 3.364 EUR, majorée des intérêts moratoires au taux légal depuis le 23 février 2007.

A. a contesté le fondement de la demande.

Par le jugement attaqué du 30 juin 2008, le tribunal de commerce de Bruxelles a reçu la demande et l'a déclarée non fondée. Il a condamné les époux P. aux dépens, l'indemnité de procédure étant liquidée à 650 EUR.

Devant la cour, les époux P. sollicitent la réformation du jugement attaqué et réitèrent leur demande originaire. Ils sollicitent la condamnation d' A. aux dépens des deux instances, liquidant l'indemnité de procédure d'appel à 650 EUR.

A. conteste le fondement de la demande originaire et la motivation du jugement attaqué en ce qu'il a décidé que ses conditions générales de transport n'étaient pas applicables. Elle a formé une demande incidente nouvelle, improprement qualifiée d'appel incident, tendant, à titre principal, à dire pour droit que les conditions générales de transport d' A. sont applicables et, à titre subsidiaire, à dire pour droit qu' A. a légitimement appliqué un réajustement tarifaire. Elle sollicite la condamnation des époux P. aux dépens, liquidant l'indemnité de procédure d'appel à 650 EUR.

Discussion

A. soutient que la réservation des époux P. portait sur deux voyages de Bruxelles à Amman et non de Paris à Amman et qu'en n'effectuant pas préalablement le vol ferré entre Bruxelles et Paris, les époux P. n'ont pas effectué le voyage prévu. A. en déduit qu'elle était autorisée à solliciter un ajustement du prix du voyage, en application de l'article III, point 4 de ses conditions générales de transport qui disposent que « si le passager modifie son voyage sans accord du transporteur, ce dernier ajustera le tarif au regard de ce changement ».

Les époux P. contestent avoir commandé un voyage au départ de Bruxelles, l'application des conditions générales d' A. et devoir le supplément de prix qu'ils ont payé pour pouvoir effectuer le voyage entre Paris et Amman à la date prévue du 9 décembre 2006.

1. Le point de départ du voyage

Pour des raisons commerciales propres à A., le prix du voyage vers Amman au départ de Paris est supérieur au prix de ce voyage au départ de Bruxelles, même si les voyageurs au départ de Bruxelles rejoignent Paris par un vol ferré préalable en TGV.

Il apparaît du dossier de réservation d' A. que le voyage a été réservé de Bruxelles à Amman et non de Paris à Amman (cfr pièce n° 1 de son dossier).

Les mentions contenues dans ce dossier sont corroborées par la circonstance que les époux P. n'ont pas émis de contestation à la réception :

- de l'itinéraire mentionnant un départ de Bruxelles et non de Paris,

- des billets de train de Bruxelles à Paris pour le voyage à l'aller et de Paris à Bruxelles pour le retour (pièce n° 3),

- de l'extrait de compte bancaire émis le 15 novembre 2006 pour un débit effectué le 3 novembre 2006 qui reprenait le trajet in extenso depuis Bruxelles (pièce n° 2).

C'est donc à juste titre que le premier juge a considéré que les époux P. avaient réservé un voyage de Bruxelles à Amman pour un prix promotionnel et non un voyage de Paris à Amman.

La circonstance que les époux P. n'étaient pas en Belgique au moment de la réception des billets et que ceux-ci ont été réceptionnés par la secrétaire n'est pas de nature à énerver le raisonnement qui précède.

2. Application des conditions générales de transport d'A.

Pour pouvoir faire la loi des parties, les conditions générales doivent avoir été portées à la connaissance du cocontractant de leur rédacteur préalablement et au plus tard au moment de la conclusion du contrat et avoir été acceptées par celui-ci. La jurisprudence assimile à la connaissance effective des conditions la possibilité réelle et raisonnable, compte tenu des circonstances objectives et subjectives de l'espèce, d'avoir effectivement connaissance des conditions générales applicables au contrat en cours de formation ( cfr D. PHILIPPE et M. CHAMMAS, «L'opposabilité des conditions générales», in Le processus de formation du contrat, C.U.P., vol. 09/2004, p. 204).

En l'espèce, même à supposer qu' A. ait transmis les billets dans la pochette qu'elle communique, il ne peut en être déduit que les conditions générales sont entrées dans le champ contractuel.

En effet, cette pochette ne comprend pas les conditions générales mais une indication suivant laquelle :

« Tout transport effectué par chaque transporteur est régi par les conditions de transport du transporteur et la réglementation applicable, lesquelles sont réputées faire partie intégrante des présentes et peuvent être consultées sur demande dans les bureaux du transporteur ».

En outre, une telle clause qui renvoie aux conditions qui peuvent être consultées dans les bureaux du transporteur, voire sur son site internet, alors que la réservation n'est pas faite par internet mais par téléphone, et que la référence est communiquée au contractant après la conclusion du contrat de transport, lors de l'envoi des billets, ne permet pas d'établir qu'au moment de la conclusion du contrat, les époux P. avaient connaissance des conditions générales et les ont acceptées.

Il ne peut davantage être déduit de la circonstance que les époux P. ont effectué en 2004 un voyage organisé par A., en collaboration avec d'autres compagnies de transport, que les parties étaient en relations suivies, ni que ces relations permettraient de réputer les conditions applicables.

C'est dès lors à bon droit que le premier juge a considéré que les conditions générales de transport d' A. n'étaient pas applicables.

3. Le devoir d'information

L'article 30 de la loi du 14 juillet 1991 relative aux pratiques du commerce et à la protection du consommateur, dans sa version applicable au litige, disposait que :

« Au plus tard au moment de la conclusion de la vente, le vendeur doit apporter de bonne foi au consommateur les informations correctes et utiles relatives aux caractéristiques du produit ou du service et aux conditions de vente, compte tenu du besoin d'information exprimé par le consommateur et compte tenu de l'usage déclaré par le consommateur ou raisonnablement prévisible ».

Dès lors que, dans la phase précontractuelle, les époux P. ont, comme le soutient A., manifesté la volonté d'effectuer un voyage depuis Bruxelles, Paris ou Genève, celle-ci avait l'obligation de les informer correctement de la nécessité d'utiliser le vol ferré préalable entre Bruxelles et Paris pour effectuer ensuite le vol aérien entre Paris et Amman sans supporter un réajustement de prix.

A. n'a pu considérer légitimement que les époux P. connaissaient les conditions générales dès lors qu'il a été dit ci-avant qu'elles n'étaient pas entrées dans le champ contractuel.

En s'abstenant d'informer les époux P. de la possibilité d'un réajustement du prix du voyage si l'itinéraire était modifié, A. n'établit pas avoir donné aux époux P. les informations correctes et utiles relatives au voyage qu'ils envisageaient d'effectuer en Jordanie.

La cour observe d'ailleurs que, postérieurement à la conclusion du contrat, lorsqu' A. a communiqué l'itinéraire du voyage et transmis les billets, elle n'a pas attiré l'attention des époux P. sur la circonstance que le changement du point de départ du voyage par le passager peut avoir pour résultat de modifier le tarif du voyage ou que le billet ne sera pas accepté si les coupons n'ont pas été utilisés dans leur ordre d'émission, alors qu'elle avait expressément attiré leur attention sur la nécessité de disposer des documents nécessaires au voyage (passeport, visa, vaccin, etc.).

Il s'ensuit qu' A. a manqué au devoir d'information qui pèse sur elle et que l'ajustement tarifaire demandé aux époux P. pour effectuer le voyage de Paris à Amman, au motif qu'ils n'avaient pas effectué préalablement le voyage en vol ferré entre Bruxelles et Paris, d'un montant de 1.682 EUR par billet ou 3.364 EUR, n'était pas dû par ceux-ci.

Il convient, dès lors, de condamner A. à rembourser les époux P. de ce montant, majoré des intérêts moratoires aux taux légaux successifs depuis la mise en demeure du 23 février 2007 et de déclarer les demandes nouvelles formées par A. non fondées.

Par ces motifs,

La Cour,

Statuant contradictoirement,

Reçoit l'appel et la demande nouvelle. Déclare l'appel seul fondé.

En conséquence,

Réforme le jugement attaqué, sauf en ce qu'il a liquidé les dépens. Déclare la demande originaire fondée.

Condamne A. à rembourser aux époux P. la somme de 3.364 EUR, majorée des intérêts moratoires aux taux légaux successifs depuis le 23 février 2007.

Condamne A. aux dépens des deux instances, liquidés pour les époux P. à 216,38 EUR (citation)+ 650 EUR (indemnité de procédure d'instance)+ 186 EUR (mise au rôle de la requête d'appel)+ 650 EUR (indemnité de procédure d'appel).

Noot onder dieze uitspraak in het DCCR na de publicatie van het arrest: :Renzo Van Der Bruggen , Het no showbeding in algemene vliegvoorwaarden: over de tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden en de algemene verplichting tot informatie van de consument

Inhoudstafel van deze noot:
1 Inleiding
2 Feiten
3 Tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden
3.1 Kennisname
• Mogelijkheid
• Tijdstip
• Beschikbaarheid
3.2 Aanvaarding
• Uitdrukkelijk
• Stilzwijgend
3.3 Eerste Aanleg versus Tweede Aanleg
4 punt van vertrek
5 Algemenen verplichting tot informatie van de consument
5.1 Eerste Aanleg
5.2 Tweede Aanleg
6 Onrechtmatig

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/05/2016 - 15:26
Laatst aangepast op: zo, 08/05/2016 - 15:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.