-A +A

Algemene voorwaarden geplaatst op een website bewijzen geen instemming

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Tongeren
Datum van de uitspraak: 
din, 05/10/2004
A.R.: 
A.R. : A/03/03417

De algemene voorwaarden zijn aan eisers niet tegenwerpelijk aangezien niet werd aangetoond dat zij er kennis van hebben genomen of er konden kennis van nemen op het ogenblik van de reservatie van de reis op de internetsite van verweerster en op het ogenblik van de bevestiging van hun reservatie zodat zij a fortiori deze niet konden aanvaarden. Door de reis aan te bieden op haar website heeft verweerster geen aanbod geformuleerd in de juridische betekenis van deze term, maar een invitatio ad offerendurn. Het contract kwam tot stand op de plaats en het ogenblik waarop eisers de bevestiging vanwege verweerster hebben ontvangen.

De website van verweerster verwijst eveneens naar België' en dienvolgens naar de toepasselijkheid van het Belgische recht want haar domeinnaam eindigt op de letters ".be" zodat enerzijds, de normaal aandachtige consument mag veronderstellen dat hij handelt met een vennootschap die minstens een geografische band heeft met België' en zich gedraagt naar de rechtsregels die gelden in dit land, en anderzijds blijkt duidelijk de wil van verweerster om een zekere band met het Belgisch grondgebied te laten kennen en eveneens de wil om het vertrouwen van de Belgische consument te winnen.
 

Publicatie
tijdschrift: 
DAOR
Jaargang: 
2007/81
Pagina: 
154
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(E. Conings en I. Hellinck t. Corendon International Trade BV)

1. Voorgaanden

a) Aanleggers boekten, naar eigen zeggen, bij verweerster via de website www.corendon.be een vlucht van Brussel naar Antalya en terug, met verblijf te Kemer (Turkije) in vijfsterrenhotel Fame Residence van 18 september 2002 tot 15 september 2002.

Er werd geboekt voor twee personen op basis van een formule all-in aan een prijs van 1 070,40 EUR.

Verweerster bevestigde de bestelling door het overmaken van een factuur van 15 juli 2002.

Op 16 juli 2002 zou aan verweerster bevestigd zijn door het geboekte hotel dat de reservatie in orde was.

Bij aankomst in Turkije bleek het hotel volgeboekt.

Meer bepaald zou aan aanleggers zijn medegedeeld door de busbegeleidster, en niet door een verantwoordelijke van verweerster :

- dat er de eerste drie nachten geen plaats meer was in het geboekte hotel;

- dat er die avond in het geboekte hotel geen maaltijd te verkrijgen was.

Na urenlange discussie zou met het hotelpersoneel van het geboekte hotel omstreeks 2 3 uur een accoord zijn bereikt dat één nacht zou worden doorgebracht in een driesterrenhotel.

Door de hotelinstanties werden aanleggers verwezen naar dat ander hotel, dat volgens aanleggers minderwaardig was, waar aanleggers één nacht verbleven.

Aanleggers zouden dan zelf op zoek gegaan zijn naar een ander hotel, waarna ze, met instemming van de plaatselijke vertegenwoordiger van verweerster hun intrek namen in het vijfsterren Renaissance-hotel, zij het slechts voor vijf van de (normaal) zes resterende nachten, zodat aanleggers met andere woorden hun reis vroeger dienden te beëindigen.

In dit laatste hotel dienden aanleggers bij hun vertrek een bedrag te betalen van 1 601 EUR.

De toestemming van de plaatselijke vertegenwoordiger wordt door verweerster ontkend.

Onmiddellijk na terugkeer werd via de rechtsbijstandsverzekeraar van aanleggers getracht een minnelijke regeling te bereiken, tevergeefs echter.

Verweerster stelde bij wijze van minnelijke regeling een betaling voor van 300 EUR, hetgeen voor aanleggers onaanvaardbaar was.

b) Bij explootvan12 september 2003 vorderden aanleggers een bedrag van 3 162,01 EUR, samengesteld als volgt :

- factuur Renaissance Antalya Ressort : 1 601,00 EUR

- telefoonkosten zoeken nieuw hotel : 73,43 EUR

- verlies 1 dag in minderwaardig hotel op 18 september 2002: 152,86 EUR

- betaling van maaltijd in driesterrenhotel : 6,00 EUR

- transfer naar nieuw hotel: 23,00 EUR

- verlies 1 dag transfer driesterrenhotel naar

Renaissance Antalya Resort: 152,86 EUR

- verlies laatste dag: 152,86 EUR

- morele schade : 1 000,00 EUR

Bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 19 september 2002, de gerechtelijke intresten en kosten.

2. Ten gronde

a) Standpunten van de partijen Verweerster houdt in essentie voor :

- dat aanleggers, in strijd met de algemene voorwaarden van verweerster, zelf een hotel zochten, slechts daags nadien de plaatselijke vertegenwooordiger van verweerster contacteerden, en het duurdere Antalya Renaissance hotel verkozen, zodat onnodig bijkomende kosten werden gemaakt;

- dat zij, via haar relaties ter plaatse, alleszins een beterkope prijs had kunnen bedingen in het Antalya Renaissance hotel;

- dat haar geen enkele fout treft, gezien zij haar contractuele verplichtingen volledig nakwam;

- dat aanleggers, op het moment dat ze hun reis via de website van verweerster boekten, uitdrukkelijk de algemene voorwaarden van verweerster hebben aanvaard, waarin de reisvoorwaarden van de vereniging van A.N.V.R. Reisorganisatoren zijn opgenomen, dewelke ondermeer de toepasselijkheid van Nederlands recht voorschrijven;

- dat minstens, overeenkomstig art. 3 .1 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980, Nederlands recht van toepassing is, terwijl aanleggers zich niet kunnen beroepen op art. 3 .3 (i.v.m. aanknopingspunten) en 5 .2 van bedoeld Verdrag;

- dat art. 3, lid 2 van de A.N.V.R.-voorwaarden expliciet bepaalt dat indien er iets misloopt, wegens omstandigheden die noch aan de reisorganisator, noch aan de reiziger te wijten zijn, ieder zijn eigen schade draagt;

- dat minstens de gevorderde schadevergoeding dient te worden herleid.

Aanleggers stellen in essentie :

- dat ze van de hen niet bekende algemene voorwaarden van verweerster nooit kennis namen, en ze ook niet hebben aanvaard, hetgeen ondermeer blijkt uit de bevestiging van de boeking, waarin geen melding wordt gemaakt van deze algemene voorwaarden;

- dat de overeenkomst tot stand kwam in België, en alle aanknopingspunten verwijzen naar Belgisch recht (Wet 16 februari 1994 tot regeling van het contract van reisorganisatie en reisbemiddeling), en ook overeenkomstig het Verdrag van Rome van 19 juni 1980, toepasselijk op de verbintenissen (meer bepaald art. 3, § § 1 en 3) en art. 5 van het Verdrag van 19 juni 1980, Belgisch recht van toepassing is;

- dat art. 5 Wet 16 februari 1994 bepaalt dat de reisorganisator in dergelijk geval passende en kosteloze alternatieven dient aan te bieden;

- dat verweerster aansprakelijk is voor overboeking (artt. 17 en 18, §2 Wet 16 februari 1994) en alle schade van de reiziger dient te vergoeden (art.18, § 1 Wet 16 februari 1994);

- dat verweerster een aantal stukken achterhoudt en ze tot voorlegging ervan dient verplicht te worden;

- dat er geen aanleiding bestaat om de gevorderde schadevergoeding te herleiden.

b) De al dan niet toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de firma Corendon

In de eerste plaats stelt zich de vraag of aanleggers kennis kregen (of mits een kleine inspanning konden krijgen) van de algemene voorwaarden van verweerster, en in bevestigend geval, of zij deze voorwaarden ook hebben aanvaard.

Verweerster Corendon houdt voor dat aanleggers, op het moment dat ze hun reis via de website van verweerster boekten, uitdrukkelijk de algemene voorwaarden van verweerster hebben aanvaard, waarin de reisvoorwaarden van de vereniging van A.N.V.R. Reisorganisatoren zijn opgenomen, dewelke ondermeer de toepasselijkheid van Nederlands recht voorschrijven (art. 17, lid 4 A.N.V.R.- voorwaarden).

Meer bepaald komt verweerster er vervolgens toe dat aanleggers via de website van verweerster genoegzaam de mogelijkheid hadden om kennis te nemen van de algemene voorwaarden van verweerster, hetgeen naar Nederlands burgerlijk recht voldoende is om deze voorwaarden van toepassing te verklaren op de rechtsverhouding tussen partijen.

Dit laatste stemt, aldus verweerster, trouwens ook overeen met de regeling naar Belgisch recht.

Aanleggers stellen dat er geen enkel bewijs voorligt van de kennisname door hen van de Nederlandse wet, de voorwaarden van de N ederlandse reisorganisatoren, of de voorwaarden van Corendon.

Ook de bevestiging van de geboekte reis van 15 juli 2002, die trouwens in Maaseik werd ontvangen, verwijst, aldus aanleggers, niet naar het Nederlandse recht, en evenmin naar de algemene voorwaarden van de firma Corendon.

Aanleggers verwijzen tenslotte naar art. 2, § 1 Wet 16 februari 1994, waarin bepaald werd dat die wet van toepassing is op de in België verkochte of te koop aangeboden contracten tot reisorganisatie en rechtsbemiddeling.

Het dient vastgesteld dat de firma Corendon zelf stelt in een schrijven van 27 februari 2003:

« Uit onze factuur van 17 juli 2002 blijkt overduidelijk dat de reisovereenkomst tot stand is gekomen tussen uw cliënten en ons bedrijf, zijnde een Nederlandse touroperator, aangesloten o.a. bij de A.N VR., u geeft dit trouwens ook zelf aan. Op grond hiervan zijn niet alleen de reisvoorwaarden van die vereniging van toepassing op de reisovereenkomst, maar tevens onze algemene voorwaarden zoals deze integraal zijn opgenomen in onze brochure, maar tevens zijn terug te vinden op onze website».

Over de juiste inhoud van de website van de firma Corendon bestaat discussie, en meer bepaald over het feit of de algemene voorwaarden al dan niet op deze website voorkwamen.

De raadsman van de firma Corendon stelde ter zitting van 7 september 2004 dat deze website inmiddels (na de boeking door aanleggers) werd aangepast, maar of deze aanpassing ook de algemene voorwaarden betrof blijft onduidelijk.

Nochtans is het de firma Corendon die het best geplaatst was en is om de juiste inhoud van de website op het moment van de boeking door aanleggers te kennen en aan te tonen. Het feit dat ze dat niet doet kan enkel betekenen dat de inhoud van deze website op dat moment, niet gunstig was voor haar in huidige procedure.

Bovendien verwijst de firma Corendon zelf naar de factuur vanl 5 juli 2002 om te stellen dat op basis daarvan de overeenkomst tot stand kwam, en op deze factuur komen de algemene voorwaarden van Corendon niet voor, en evenmm een verw11zmg ernaar.

Van de ( door Corendon) beweerde «uitdrukkelijke aanvaarding» van deze algemene voorwaarden door aanleggers op het moment dat ze hun reis boekten, wordt geen stuk voorgelegd.

In deze omstandigheden dient aangenomen dat deze algemene voorwaarden niet toepasselijk zijn op huidige discussie, gezien niet bewezen is dat aanleggers op het moment van hun boeking, noch op het moment van de bevestiging van hun boeking, kennis namen of konden nemen van de algemene voorwaarden van de firma Corendon, zodat ze deze derhalve ook niet hebben kunnen aanvaarden.

Er gebeurde derhalve ook geen rechtskeuze van partijen voor het Nederlands recht.

c) De discussie over het toepasselijk recht

Verweerders houden voor dat minstens, overeenkomstig art. 3 .1 van het Verdrag van Rome vanl 9 juni 1980, Nederlands recht van toepassing is, terwijl aanleggers zich niet kunnen beroepen op art. 3.3 (i.v.m. aanknopingspunten) en 5 .2 van bedoeld Verdrag.

Aanleggers betwisten zulks en houden voor dat de overeenkomst tot stand kwam in België, en alle aanknopingspunten verwijzen naar Belgisch recht (wet 16 februari 1994 tot regeling van het contract van reisorganisatie en reisbemiddeling), en ook overeenkomstig het Verdrag van Rome van 19 juni 1980, toepasselijk op de verbintenissen (meer bepaald art. 3, § § 1 en 3) en art. 5 van het Verdrag van 19 juni 1980, Belgisch recht van toepassing is.

In beginsel geldt in het Belgisch recht in verband met de wijze van de totstandkoming van de overeenkomsten het beginsel van het consensualisme, de loutere wilsovereenstemming. Dit impliceert dat een partij een bindend aanbod doet dat door een ander uitdrukkelijk of impliciet wordt aanvaard (Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, Kluwer, losbladig, blz. II.4-38, nr. 1428 e.v.).

Onder aanbod wordt begrepen : een door één van de partijen gedaan voorstel tot contracteren, waarin alle voor de sluiting van de overeenkomst essentiële elementen aanwezig zijn, zodat de andere partij, om de overeenkomst te doen ontstaan, alleen nog moet aanvaarden. Bovendien moet ook aan een intentioneel element voldaan zijn. De aanbieder moet immers ook de bedoeling hebben om te contracteren (F. BRULOOT, «E-commerce en E-handtekening», in Ignace CLAEYS, ed., Contractenrecht in beweging, Gandaius, Kluwer, 2004, blz.151, nr. 291; L. CORNELIS en P. HOFSTROSSLER, «De totstandkoming van overeenkomsten via internet», in K. BYTTEBIER, R. FELTKAMP en E. JANSSENS, eds., Internet en recht - Internet et le droit, Antwerpen, Maklu 2001, 69; Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, Kluwer, losbladig, blz. II.4-32 a, nr. 1407; Cass. 2 oktober 1968, Pas., 1969, I, 129; Cass. 23 september 1969, R.C.J.B., 1971, 216, noot Y. SCHOENTJESMERCHIERS, en R. W, 1969-1970, 713).

Of een bindend aanbod, dan wel een loutere uitnodiging om aanbiedingen te formuleren (invitatio ad offerendum) voorligt, moet steeds in concreto nagegaan worden. Wanneer de onontbeerlijke elementen voor het sluiten van het contract niet zijn opgenomen in de wilsuiting, of de wil van aanbieder ontbreekt om zich te verbinden zodra de aanvaarding plaatsheeft, gaat het niet om een aanbod doch een voorstel. Het aanbod onderscheidt zich bijgevolg van een gewoon voorstel doordat dit laatste, in tegenstelling tot het aanbod, niet bindend is (Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, Kluwer, losbladig, blz. II.4-34 a, nr. 1415).

Ook wanneer overeenkomsten langs elektronische weg worden gesloten is dat het geval. De wet op de elektronische handel, waarnaar in casu bij analogie wordt verwezen gezien ze dateert van na de bewuste feiten in voorliggend dossier, wijzigt immers niet expliciet de wijze van totstandkoming van overeenkomsten, noch de begrippen aanbod en aanvaarding. De informatie die een dienstverlener dient te geven (artt. 7, 8 en 10 Wet elektronische handel van 11 maart 2003) is onvoldoende uitgebreid opdat alle essentiële informatie voor de totstandkoming erin zou zijn vervat. In deze informatie komt het voorwerp van de dienstverlening amper aan bod.

Contracten die tussen partijen gesloten worden in mekaars aanwezigheid, komen tot stand op het ogenblik van de aanvaarding van het aanbod.

Bij overeenkomsten, die tussen van elkaar verwijderde contractpartijen worden gesloten, vormt het bepalen van het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst een moeilijker vraagstuk. Het Hof van Cassatie combineert in dit verband de kennisgeving en de ontvangst van de aanvaarding als aanknopingspunten bij de beoordeling van het tijdstip van het totstandkomen van een contract (Cass. 16 juni 1960, Arr. Cass., 1960, 232; Cass. 25 mei 1990, R.W, 1990-1991, 149, met concl. adv.-gen. D'Hoore). In beginsel komt de overeenkomst in deze redenering (de gecorrigeerde ontvangsttheorie genaamd) tot stand op het ogenblik waarop degene die het aanbod heeft geformuleerd, van de aanvaarding van dat aanbod kennis neemt, of redelijkerwijze had kunnen nemen (F. BRULOOT, «Escommerce en E-handtekening», in lgnace CLAEYS, ed., Contractenrecht in beweging, Gandaius, Kluwer, 2004, blz. 53, nr. 295).

Wanneer er geen sprake is van onmiddellijke communicatie is de toepassing van de principes inzake het tijdstip van totstandkoming van overeenkomsten tussen van elkaar verwijderde personen noodzakelijk. Dit is in beginsel het geval wanneer overeenkomsten via website, per SMS of per e-mail worden gesloten, net zoals dat ook het geval is voor overeenkomsten die via fax, telex of gewone post totstandkomen (M. DEMOULIN en E. MONTERO, «La conclusion des contrats par voie électronique», in M. FONTAINE, ed., Le processus de formation du contrat - Contributions comparatiues et interdisciplinaires à l'harmonisation du droit européen, Brussel, Bruylant, 2002, 784).

Betreffende de plaats waar een overeenkomst wordt gesloten gelden dezelfde gemeenrechtelijke principes als met betrekking tot het tijdstip van de totstandkoming.

Contracten tussen partijen die zich in mekaars aanwezigheid bevinden komen tot stand op de plaats waar het aanbod wordt aanvaard.

Zijn de partijen van elkaar verwijderd, dan komt het contract tot stand op de plaats waar de aanbieder van de aanvaarding kennis neemt of redelijkerwijze had kunnen nemen.

Toegepast op voorliggende situatie betekent zulks:

- dat de firma Corendon geen aanbod in de juridische zin van het woord formuleerde door een reis aan te bieden op de website;

- dat eerder dient gesproken van een loutere

uitnodiging om een aanbod te formuleren;

- dat de bevestiging (in casu de factuur), uitgaande van de firma Corendon, de voorwaarden bevatte (of moest bevatten) waartegen de firma Corendon de overeenkomst aanvaardde;

- dat de overeenkomst tot stand kwam op het moment dat aanleggers de bevestiging vanwege de firma Corendon ontvingen, meer bepaald op het ogenblik dat de bevestiging vanwege de firma Corendon in Maaseik arriveerde bij aanleggers;

- dat de overeenkomst tot stand kwam op de plaats waar aanleggers de bevestiging vanwege de firma Corendon ontvingen, hetzij Maaseik.

Ook de website van de firma Corendon verwijst naar België en derhalve naar de toepasselijkheid van Belgisch recht. Deze website luidt inderdaad www.corendon.be, waarin dus duidelijk de letters «.be» werden opgenomen, zodat

- enerzijds de normaal aandachtige consument mag aannemen dat hij handelt met een firma die minstens een geografische binding heeft met België, en zich zal richten naar de aldaar geldende rechtsregels;

- anderzijds de wil van de firma Corendon om enige binding met het Belgisch grondgebied te laten kennen duidelijk blijkt, alsook de wil om het vertrouwen van de Belgische consument te winnen.

Verder kan verwezen worden naar het feit dat de geboekte reis vanuit België werd georganiseerd.

Al deze elementen verwijzen naar de toepasselijkheid van Belgisch recht.

Het gegeven dat de firma Corendon zowel op de reisbevestiging (factuur van 15 juli 2002) als op de vliegtickets haar adres in Nederland vermeldde verandert hieraan niets, en impliceert geenszins dat Nederlands recht van toepassing zou zijn.

Derhalve dient Belgisch recht te worden toegepast.

d) De kwestie van de verantwoordelijkheid

Het wordt niet betwist dat aanleggers, bij hun aankomst in Turkije, werden geconfronteerd met het op zijn minst onaangename gegeven dat hun hotel overboekt was, zodat met andere woorden de door hen geboekte en betaalde kamer reeds door derden was betrokken.

Uit de feitelijke omstandigheden en de gebeurtenissen blijkt dat de plaatselijke vertegenwoordigster van de firma Corendon alsdan niet aanwezig was : ondermeer het feit dat er niet onmiddellijk contact werd opgenomen met het Antalya Renaissance Ressort hotel (waar aanleggers daags nadien naar toe trokken, en waarmee de firma Corendon commerciële relaties onderhield), de vermelding op het klachtenformulier, en het gedwongen eigen initiatief van aanleggers om een ander hotel te vinden.

Het is een essentiële verplichting voor een reisorganisator om ervoor te zorgen dat de door een reiziger geboekte accommodatie ook effectief en in de aangekondigde en geboekte staat ter beschikking van de reiziger staat, die hiervoor ook vooraf diende te betalen.

De reisorganisator wordt voor deze essentiële service trouwens ook betaald.

Deze essentiële verplichting, die bestaat ongeacht enige wettelijke bepaling, werd wettelijk overgenomen artt. 17 en vooral in en 18, §2 Wet 16 februari 1994, waarin uitdrukkelijk bepaald werd dat de reisorganisator aansprakelijk is voor overboeken.

Er dient tevens verwezen naar art. 15 van dezelfde wet waarin bepaald werd dat de reisorganisator in dergelijk geval alle nodige maatregelen dient te nemen om de reiziger passende en kosteloze alternatieven aan te bieden met het oog op de verderzetting van de reis.

Hierbij zij opgemerkt dat, indien men zou aannemen dat de algemene voorwaarden van de firma Corendon principieel toch toepasselijk zouden zijn (quad non, zie hoger), de exoneratieclausule en schadebepekingsclausule van art. 13, lid 2 van de ANVR niet zou kunnen worden ingeroepen nu de firma Carendon als reisorganisator wel degelijk een fout beging.

De verantwoordelijkheid van de firma Corendon als reisorganisator staat derhalve vast.

e) De gevorderde schadevergoeding

Bij exploot van 12 september 2003 vorderden aanleggers een bedrag van 3 162,01 EUR, samengesteld als volgt :

- factuur Renaissance Antalya Ressort : 1 601,00 EUR

- telefoonkosten zoeken nieuw hotel : 73,43 EUR

- verlies 1 dag in minderwaardig hotel op 18 september 2002: 152,86 EUR

- betaling van maaltijd in driesterrenhotel : 6,00 EUR

- transfer naar nieuw hotel: 23,00 EUR

- verlies 1 dag transfer driesterrenhotel naar

Renaissance Antalya Resort: 152,86 EUR

-verlies laatste dag: 152,86 EUR

- morele schade : 1 000,00 EUR

bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 19 september 2002, de gerechtelijke intresten en kosten.

Deze schade komt de rechtbank redelijk en bewezen over, behoudens de post «ver lies 1 dag in minderwaardig hotel» (152,86 EUR) en de morele schade, dewelke in billijkheid dient herleid naar 500 EUR.

Hierbij dient rekening gehouden met volgende elementen :

- de plaatselijke vertegenwoordiger van de firma Corendon was klaarblijkelijk niet in de luchthaven of het hotel van aanleggers aanwezig bij de aankomst, zodat niet alleen de ongemakken maar ook de kosten vermeerderden;

- men kan van aanleggers niet verlangen dat ze op zeven dagen vakantie in drie verschillende hotels zouden verblijven (het driesterrenhotel, Renaissance Ressort en Fame Residence), zodat het hen niet kan verweten worden dat ze na een paar dagen toen het hotel Fame Residence beweerde/ijk terug plaats ter beschikking had niet naar dit hotel verhuisden. Aanleggers zouden, in de ogen van de firma Corendon, met andere woorden op een moment dat ze de gebruiken van het (vervang)hotel kenden of begonnen te kennen, terug moeten verhuizen en zich aanpassen aan de nieuwe accommodatie, hetgeen geen redelijke oplossing kan genoemd worden;

- de firma Corendon houdt voor dat ze commerciële relaties onderhoudt met het hotel waar aanleggers noodgedwongen naar toe trokken (Renaissance ressort), en dat ze een beterkope prijs had kunnen bedingen indien zij tijdig was ingeschakeld, maar zulks impliceert tevens dat ze deze contacten kon gebruiken om prijs voor de door aanleggers reeds geboekte kamer te laten reduceren, hetgeen ze klaarblijkelijk niet deed of wilde doen;

- aanleggers waren ingevolge de situatie van overboeking, waarvoor aanleggers zeker niet verantwoordelijk zijn, wel gedwongen en gerechtigd een ander gelijkwaardig

(vijfsterren) hotel te zoeken, ongeacht de prijs die hiervoor moest worden betaald;

- de firma Corendon heeft uiteraard ook een commerciële relatie met het Fame Residence hotel waarvoor aanleggers aanvankelijk opteerden, zodat ze (Corendon) ook met dit hotel een financiële oplossing kon zoeken voor de situatie van overboeking;

- dat het neigt naar kwade trouw in hoofde van Corendon om thans te gaan beweren dat het klachtenformulier door de plaatselijke vertegenwoordiger van Corendon slechts «voor gezien» werd ondertekend en niet «voor akkoord».

- dat de firma Corendon de volledige prijs voor de geboekte reis incasseerde.

In deze omstandigheden, en na grondig onderzoek, komt de vordering als juist en genoegzaam bewezen over in de mate als hierna bepaald.

Om deze redenen, De rechtbank,

veroordeelt diensvolgens de BV Corendon International Trade om aan aanleggers te betalen de som van 2 509,15 EUR, bedrag te vermeerderen met de vergoedende intresten aan 7% vanaf 19 september 2002 tot 12 september 2003, en de gerechtelijke intresten aan 7% vanaf 13 september 2003 tot op datum van betaling
 

 

Noot: 

In een opmerkelijk arrest van het Hof van Beroep te Brussel (Brussel 16de kamer, 23 maart 2012, DCCR april – mei - juni 2013 pagina 49). werd gesteld dat de loutere mogelijkheid voor de consument om kennis te nemen van de algemene voorwaarden voldtaat, waarna hij al dan niet na lezing ervan en het al dan niet gebruik maken van deze mogelijkheid, deze voorwaarden expliciet of impliciet kan aanvaarden. Nergens wordt immers vereist dat de consument de voorwaarden waarvan hij kennis kon krijgen of die hij kon zien of gezien heeft, daadwerkelijk gelezen heeft.

Volgt hierna dit arrest:

Circonstances de fait de la cause

Au mois d'octobre 2006, monsieur P. et son épouse, madame H., ci-après dénommés les époux P., ont contacté le centre d'appel de la s.a. A., ci-après dénommée A. pour effectuer un voyage en Jordanie au mois de décembre suivant.

Il ressort du dossier de réservation déposé par A. que les époux P. ont contacté le centre d'appel d' A. à plusieurs reprises, modifiant les dates et lieux de départ de leur voyage et que:

- le 3 novembre 2006, ils ont finalement réservé pour chacun d'eux les billets suivants:

• départ le 9 décembre 2006 de la gare TGV à Bruxelles-Midi à destination de l'aéroport de Paris, Charles de Gaulle, par un vol ferré, et ensuite de Paris à Amman, par un vol aérien,

• retour le 19 décembre 2006 d'Amman à destination de Paris, par vol aérien et ensuite de Paris à Bruxelles, par vol ferré,

- A. leur a confirmé cet itinéraire de voyage par un courriel du même jour.

Le prix des billets s'élevait à 1.526,26 EUR par personne.

Le 3 novembre 2006, A. a envoyé les billets et un bulletin qui reprenait l'itinéraire ainsi que les heures de départ et d'arrivée.

Les époux P. n'ont pas réagi à la réception du courriel du 3 novembre 2006, ni à la réception des billets de train et de l'itinéraire qui leur a été transmis par A.

Lorsque les époux P. se sont présentés à l'aéroport à Paris et qu'il a été constaté qu'ils n'avaient pas utilisé le billet de train, ceux-ci étant arrivés en voiture, A. a exigé le paiement d'un complément de prix de 1.682 EUR par billet ou 3.364 EUR, pour effectuer le voyage entre Paris et Amman.

Par courrier du 28 décembre 2006, monsieur P. a demandé à A. de lui rembourser la somme de 3.364 EUR.
Un échange de courriers s'en est suivi au terme duquel aucun accord n'a été conclu.

Procédure

Par citation signifiée le 17 août 2007 à A., les époux P. ont sollicité la condamnation de celle-ci au paiement de la somme de 3.364 EUR, majorée des intérêts moratoires au taux légal depuis le 23 février 2007.

A. a contesté le fondement de la demande.

Par le jugement attaqué du 30 juin 2008, le tribunal de commerce de Bruxelles a reçu la demande et l'a déclarée non fondée. Il a condamné les époux P. aux dépens, l'indemnité de procédure étant liquidée à 650 EUR.

Devant la cour, les époux P. sollicitent la réformation du jugement attaqué et réitèrent leur demande originaire. Ils sollicitent la condamnation d' A. aux dépens des deux instances, liquidant l'indemnité de procédure d'appel à 650 EUR.

A. conteste le fondement de la demande originaire et la motivation du jugement attaqué en ce qu'il a décidé que ses conditions générales de transport n'étaient pas applicables. Elle a formé une demande incidente nouvelle, improprement qualifiée d'appel incident, tendant, à titre principal, à dire pour droit que les conditions générales de transport d' A. sont applicables et, à titre subsidiaire, à dire pour droit qu' A. a légitimement appliqué un réajustement tarifaire. Elle sollicite la condamnation des époux P. aux dépens, liquidant l'indemnité de procédure d'appel à 650 EUR.

Discussion

A. soutient que la réservation des époux P. portait sur deux voyages de Bruxelles à Amman et non de Paris à Amman et qu'en n'effectuant pas préalablement le vol ferré entre Bruxelles et Paris, les époux P. n'ont pas effectué le voyage prévu. A. en déduit qu'elle était autorisée à solliciter un ajustement du prix du voyage, en application de l'article III, point 4 de ses conditions générales de transport qui disposent que « si le passager modifie son voyage sans accord du transporteur, ce dernier ajustera le tarif au regard de ce changement ».

Les époux P. contestent avoir commandé un voyage au départ de Bruxelles, l'application des conditions générales d' A. et devoir le supplément de prix qu'ils ont payé pour pouvoir effectuer le voyage entre Paris et Amman à la date prévue du 9 décembre 2006.

1. Le point de départ du voyage

Pour des raisons commerciales propres à A., le prix du voyage vers Amman au départ de Paris est supérieur au prix de ce voyage au départ de Bruxelles, même si les voyageurs au départ de Bruxelles rejoignent Paris par un vol ferré préalable en TGV.

Il apparaît du dossier de réservation d' A. que le voyage a été réservé de Bruxelles à Amman et non de Paris à Amman (cfr pièce n° 1 de son dossier).

Les mentions contenues dans ce dossier sont corroborées par la circonstance que les époux P. n'ont pas émis de contestation à la réception :

- de l'itinéraire mentionnant un départ de Bruxelles et non de Paris,

- des billets de train de Bruxelles à Paris pour le voyage à l'aller et de Paris à Bruxelles pour le retour (pièce n° 3),

- de l'extrait de compte bancaire émis le 15 novembre 2006 pour un débit effectué le 3 novembre 2006 qui reprenait le trajet in extenso depuis Bruxelles (pièce n° 2).

C'est donc à juste titre que le premier juge a considéré que les époux P. avaient réservé un voyage de Bruxelles à Amman pour un prix promotionnel et non un voyage de Paris à Amman.

La circonstance que les époux P. n'étaient pas en Belgique au moment de la réception des billets et que ceux-ci ont été réceptionnés par la secrétaire n'est pas de nature à énerver le raisonnement qui précède.

2. Application des conditions générales de transport d'A.

Pour pouvoir faire la loi des parties, les conditions générales doivent avoir été portées à la connaissance du cocontractant de leur rédacteur préalablement et au plus tard au moment de la conclusion du contrat et avoir été acceptées par celui-ci. La jurisprudence assimile à la connaissance effective des conditions la possibilité réelle et raisonnable, compte tenu des circonstances objectives et subjectives de l'espèce, d'avoir effectivement connaissance des conditions générales applicables au contrat en cours de formation ( cfr D. PHILIPPE et M. CHAMMAS, «L'opposabilité des conditions générales», in Le processus de formation du contrat, C.U.P., vol. 09/2004, p. 204).

En l'espèce, même à supposer qu' A. ait transmis les billets dans la pochette qu'elle communique, il ne peut en être déduit que les conditions générales sont entrées dans le champ contractuel.

En effet, cette pochette ne comprend pas les conditions générales mais une indication suivant laquelle :

« Tout transport effectué par chaque transporteur est régi par les conditions de transport du transporteur et la réglementation applicable, lesquelles sont réputées faire partie intégrante des présentes et peuvent être consultées sur demande dans les bureaux du transporteur ».

En outre, une telle clause qui renvoie aux conditions qui peuvent être consultées dans les bureaux du transporteur, voire sur son site internet, alors que la réservation n'est pas faite par internet mais par téléphone, et que la référence est communiquée au contractant après la conclusion du contrat de transport, lors de l'envoi des billets, ne permet pas d'établir qu'au moment de la conclusion du contrat, les époux P. avaient connaissance des conditions générales et les ont acceptées.

Il ne peut davantage être déduit de la circonstance que les époux P. ont effectué en 2004 un voyage organisé par A., en collaboration avec d'autres compagnies de transport, que les parties étaient en relations suivies, ni que ces relations permettraient de réputer les conditions applicables.

C'est dès lors à bon droit que le premier juge a considéré que les conditions générales de transport d' A. n'étaient pas applicables.

3. Le devoir d'information

L'article 30 de la loi du 14 juillet 1991 relative aux pratiques du commerce et à la protection du consommateur, dans sa version applicable au litige, disposait que :

« Au plus tard au moment de la conclusion de la vente, le vendeur doit apporter de bonne foi au consommateur les informations correctes et utiles relatives aux caractéristiques du produit ou du service et aux conditions de vente, compte tenu du besoin d'information exprimé par le consommateur et compte tenu de l'usage déclaré par le consommateur ou raisonnablement prévisible ».

Dès lors que, dans la phase précontractuelle, les époux P. ont, comme le soutient A., manifesté la volonté d'effectuer un voyage depuis Bruxelles, Paris ou Genève, celle-ci avait l'obligation de les informer correctement de la nécessité d'utiliser le vol ferré préalable entre Bruxelles et Paris pour effectuer ensuite le vol aérien entre Paris et Amman sans supporter un réajustement de prix.

A. n'a pu considérer légitimement que les époux P. connaissaient les conditions générales dès lors qu'il a été dit ci-avant qu'elles n'étaient pas entrées dans le champ contractuel.

En s'abstenant d'informer les époux P. de la possibilité d'un réajustement du prix du voyage si l'itinéraire était modifié, A. n'établit pas avoir donné aux époux P. les informations correctes et utiles relatives au voyage qu'ils envisageaient d'effectuer en Jordanie.

La cour observe d'ailleurs que, postérieurement à la conclusion du contrat, lorsqu' A. a communiqué l'itinéraire du voyage et transmis les billets, elle n'a pas attiré l'attention des époux P. sur la circonstance que le changement du point de départ du voyage par le passager peut avoir pour résultat de modifier le tarif du voyage ou que le billet ne sera pas accepté si les coupons n'ont pas été utilisés dans leur ordre d'émission, alors qu'elle avait expressément attiré leur attention sur la nécessité de disposer des documents nécessaires au voyage (passeport, visa, vaccin, etc.).

Il s'ensuit qu' A. a manqué au devoir d'information qui pèse sur elle et que l'ajustement tarifaire demandé aux époux P. pour effectuer le voyage de Paris à Amman, au motif qu'ils n'avaient pas effectué préalablement le voyage en vol ferré entre Bruxelles et Paris, d'un montant de 1.682 EUR par billet ou 3.364 EUR, n'était pas dû par ceux-ci.

Il convient, dès lors, de condamner A. à rembourser les époux P. de ce montant, majoré des intérêts moratoires aux taux légaux successifs depuis la mise en demeure du 23 février 2007 et de déclarer les demandes nouvelles formées par A. non fondées.

Par ces motifs,

La Cour,

Statuant contradictoirement,

Reçoit l'appel et la demande nouvelle. Déclare l'appel seul fondé.

En conséquence,

Réforme le jugement attaqué, sauf en ce qu'il a liquidé les dépens. Déclare la demande originaire fondée.

Condamne A. à rembourser aux époux P. la somme de 3.364 EUR, majorée des intérêts moratoires aux taux légaux successifs depuis le 23 février 2007.

Condamne A. aux dépens des deux instances, liquidés pour les époux P. à 216,38 EUR (citation)+ 650 EUR (indemnité de procédure d'instance)+ 186 EUR (mise au rôle de la requête d'appel)+ 650 EUR (indemnité de procédure d'appel).

Noot onder dieze uitspraak in het DCCR na de publicatie van het arrest: :Renzo Van Der Bruggen , Het no showbeding in algemene vliegvoorwaarden: over de tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden en de algemene verplichting tot informatie van de consument

Inhoudstafel van deze noot:
1 Inleiding
2 Feiten
3 Tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden
3.1 Kennisname
• Mogelijkheid
• Tijdstip
• Beschikbaarheid
3.2 Aanvaarding
• Uitdrukkelijk
• Stilzwijgend
3.3 Eerste Aanleg versus Tweede Aanleg
4 punt van vertrek
5 Algemenen verplichting tot informatie van de consument
5.1 Eerste Aanleg
5.2 Tweede Aanleg
6 Onrechtmatig

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 04/08/2016 - 14:19
Laatst aangepast op: vr, 02/12/2016 - 20:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.