-A +A

Algemene voorwaarden door deponering op bepaalde plaats

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/01/2012

Naar Belgisch recht dient de mogelijkheid om de algemene voorwaarden te raadplegen en er kennis van te nemen, aan de wederpartij geboden te worden voorafgaandelijk aan de aanvaarding van het aanbod, m.a.w. vóór het sluiten van het contract. Wanneer het aanbod enkel een verwijzing bevat naar de algemene voorwaarden zonder dat deze zijn medegedeeld aan de koper, leidt de rechtspraak hier logischerwijze uit af dat deze voorwaarden niet tegenwerpbaar zijn.

De mogelijkheid tot raadpleging op een welbepaalde plaats (een website, een griffie, een kamer van koophandel...) volstaat niet om deze algemene voorwaarden tegenwerpelijk te maken aan de wederpartij wanneer de partijen geen regelmatige handelsbetrekkingen met elkaar onderhouden.

(Hof van beroep Antwerpen, 9 januari 2012, RW 2014-2015, 584)

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
584
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Vennootschap naar Nederlands recht BV K.V. t/ K.A.

1. De feiten

De doelstellingen van de door BV K.-V. (hierna kortweg Ke. genoemd) ingestelde vordering en van de door L.Ko. ingestelde tegenvordering, alsmede de toedracht van de feiten die eraan ten grondslag liggen, werden naar behoren toegelicht in het bestreden vonnis, zodat het hof ernaar verwijst.

Samengevat strekt de vordering van Ke. ertoe L.Ko. te horen veroordelen in betaling van haar factuur van 14 december 2006 voor een bedrag van 3.873,77 euro voor een herstelling uitgevoerd aan de tractor die L.Ko. op 6 juli 2006 bij Ke. had aangekocht.

Deze factuur én de algemene voorwaarden waarnaar wordt verwezen, werden op 26 december 2006 door de raadsman van L.Ko. geprotesteerd, stellende dat de uitgevoerde herstellingen binnen de garantieperiode van drie maanden, vermeld in de koopovereenkomst, vallen en derhalve niet kunnen worden aangerekend.

Hierop volgden diverse aanmaningen tot betaling, die telkens werden geprotesteerd door de raadsman van L.Ko.

2. Voorafgaande rechtspleging

Met exploot van 28 september 2007 werd L.Ko. door Ke. gedagvaard om te verschijnen voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen.

Bij vonnis van 16 september 2008 werd de zaak op verzoek van partijen verwezen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.

Ke. vorderde in conclusies voor de eerste rechter de veroordeling van L.Ko. tot betaling aan haar van de hoofdsom van de factuur, vermeerderd met de verwijl- en wettelijke interesten en een schadevergoeding, in totaal 5.079,04 euro, vermeerderd met de gerechtelijke interesten op de hoofdsom en dit rekening houdend met een kapitalisatie van interesten op 30 november 2009 vanaf de datum van kapitalisatie tot de volledige betaling.

...

Bij het bestreden vonnis, gewezen op 25 maart 2010 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen werd de vordering van Ke. ongegrond verklaard (...).

Het vonnis a quo werd aan L.Ko. betekend op 13 september 2010. Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie op het hof op 23 september 2010 tekende Ke. hoger beroep aan tegen het vonnis a quo.

3. Standpunten van partijen in hoger beroep

Ke. streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat voor recht zou worden gezegd dat het Nederlandse recht met uitsluiting van het Weens Koopverdrag van toepassing is op het geschil in kwestie; bijgevolg dat L.Ko. dient te worden veroordeeld om aan hem de som van 5.774,19 euro te betalen, vermeerderd met de conventionele interesten sinds de laatste kapitalisatie op 8 januari 2011 tot de dag van algehele betaling, tevens dat voor recht zou worden gezegd dat de interesten op het niet-betaalde bedrag conform het Nederlandse recht jaarlijks op 8 januari worden gekapitaliseerd.

...

L.Ko. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

4. Beoordeling

...

4.2. Gegrondheid van het hoger beroep

4.2.1. Toepasselijk recht

4.2.1.1. Ke. is het niet eens met de eerste rechter, in zoverre deze oordeelde dat het Weens Koopverdrag van toepassing is op het geschil tussen partijen. Volgens Ke. is integendeel het Nederlandse recht van toepassing en dienen de algemene voorwaarden van Ke. onverkort te worden toegepast. In deze algemene voorwaarden staat uitdrukkelijk vermeld dat er geen garantie is in geval van onoordeelkundig gebruik, wat in casu het geval is, aldus Ke. Volgens Ke. staat het met name vast dat L.Ko. zelf de schade aan de tractor heeft veroorzaakt door het rijden zonder olie, m.a.w. met het olielampje brandend, zodat hij dan ook gehouden is tot betaling van de uitgereikte facturen.

4.2.1.2. Het Weens Koopverdrag is van toepassing op internationale koopovereenkomsten, gesloten tussen partijen die in verschillende staten gevestigd zijn, wanneer de beide staten verdragsluitende staten zijn of wanneer volgens de regels van internationaal privaatrecht het recht van een verdragsluitende staat van toepassing is (art. 1, 1) a en b).

Dit Verdrag is niet van toepassing op o.m. de koop van roerende zaken, gekocht voor persoonlijk gebruik of voor gebruik in gezin of huishouding, tenzij de verkoper te eniger tijd vóór of bij het sluiten van de overeenkomst niet wist of had behoren te weten dat de zaken voor zodanig gebruik werden gekocht (art. 2, a).

Terecht oordeelde de eerste rechter dat de voorliggende koopovereenkomst niet onder de uitzondering van art. 2 valt, omdat niet gesteld kan worden dat de tractor die L.Ko. bij Ke. aankocht, het vermoeden doet rijzen of moet doen rijzen dat dit voertuig bestemd is voor persoonlijk gebruik of voor gebruik in gezin of huishouding.

Volgens voormelde bepalingen valt de overeenkomst tussen partijen in principe dan ook onder het Weens Koopverdrag, zoals ook de eerste rechter terecht oordeelde. De koop werd immers gesloten tussen L.Ko., wonende te Essen (België) en de BV K.-V., met zetel gevestigd te Roosendaal (Nederland).

Ke. houdt evenwel staande dat onderhavig geschil beoordeeld dient te worden op basis van het Nederlandse recht. Hij baseert zich hiervoor op art. 8.1 EVO-Verdrag juncto art. 20.1 van haar algemene voorwaarden, namelijk de “Metaalunievoorwaarden” die gedeponeerd werden ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam, “zoals deze luiden volgens de laatstelijk aldaar neergelegde tekst”.

Art. 8.1 EVO-Verdrag bepaalt dat het bestaan en de geldigheid van de overeenkomst of van een bepaling daarvan worden beheerst door het recht dat ingevolge het EVO-Verdrag toepasselijk zou zijn, indien de overeenkomst of de bepaling geldig zou zijn.

Ke. voert aan dat, indien haar algemene voorwaarden geldig zouden zijn – zoals zij beweert – dan ingevolge het rechtskeuzebeding het Nederlandse recht met uitsluiting van het Weens Koopverdrag van toepassing zou zijn op die overeenkomst (conform art. 20.1 en 20.2 van die voorwaarden).

L.Ko. betwist evenwel de toepasselijkheid van deze voorwaarden, omdat hij vóór het sluiten van de overeenkomst daarvan geen kennis heeft kunnen nemen en ze evenmin heeft aanvaard.

Overeenkomstig art. 8.2. EVO-Verdrag kan een partij zich, voor het bewijs dat zij haar toestemming niet heeft verleend, beroepen op het recht van het land waar zij haar gewone verblijfplaats heeft, indien uit de omstandigheden blijkt dat het niet redelijk zou zijn de gevolgen van haar gedrag te bepalen overeenkomstig het recht, bedoeld in voorgaand lid.

L.Ko. woont in België, zodat hij zich – in alle redelijkheid – op het Belgische recht kan beroepen, teneinde na te gaan of de algemene voorwaarden al dan niet toepasselijk zijn.

Het standpunt van Ke. dat de problematiek inzake het al dan niet toepasselijk zijn van de algemene voorwaarden beoordeeld dient te worden op grond van het Nederlandse recht, kan niet worden gevolgd. De betwisting strekt zich in casu net uit tot de vraag of de algemene voorwaarden in casu toepassing dienen te vinden. De al dan niet toepasselijkheid van de algemene voorwaarden beoordelen op grond van het Nederlandse recht impliceert dat deze voorwaarden inderdaad reeds van toepassing zouden zijn.

Zoals reeds vermeld, betwist L.Ko. de toepasselijkheid van deze voorwaarden en dit om reden dat hij van deze voorwaarden voorafgaandelijk aan het sluiten van de overeenkomst niet in kennis werd gesteld.

Naar het oordeel van het hof is dit geloofwaardig. Op het originele exemplaar van de koopovereenkomst, dat door L.Ko. wordt voorgelegd, staan geen algemene voorwaarden vermeld, ook niet op de achterzijde.

Naar Belgisch recht dient de mogelijkheid om de algemene voorwaarden te raadplegen en er kennis van te nemen, aan de wederpartij geboden te worden voorafgaandelijk aan de aanvaarding van het aanbod, m.a.w. vóór het sluiten van het contract. Wanneer het aanbod enkel een verwijzing bevat naar de algemene voorwaarden zonder dat deze zijn medegedeeld aan de koper, leidt de rechtspraak hier logischerwijze uit af dat deze voorwaarden niet tegenwerpbaar zijn. De mogelijkheid tot raadpleging op een welbepaalde plaats (zoals in casu de verwijzing naar de deponering van de Metaalunievoorwaarden ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam) volstaat niet om deze algemene voorwaarden tegenwerpelijk te maken aan de wederpartij wanneer de partijen geen regelmatige handelsbetrekkingen met elkaar onderhouden, wat in casu kennelijk het geval is.

Daar aldus dient te worden aangenomen dat L.Ko. geen kennis had van de algemene voorwaarden van Ke. (en hij hiermee dus niet kan hebben ingestemd), moet ervan worden uitgegaan dat partijen voorafgaandelijk geen rechtskeuze hebben gedaan.

Overeenkomstig art. 6 van het Weens Koopverdrag moet de wil van partijen om het Weens Koopverdrag uit te sluiten en te kiezen voor een ander recht duidelijk zijn. Enkel wanneer vaststaat dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen, kan in de algemene voorwaarden een van het Weens Koopverdrag afwijkend rechtskeuzebeding gemaakt worden. Wanneer niet kan aangetoond worden dat de koper kennis heeft gekregen van de algemene voorwaarden waarin een rechtskeuzebeding werd opgenomen, kan dit niet beschouwd worden als deel uitmakend van de overeenkomst en als duidelijke wilsuiting van de koper dat hij van het Weens Koopverdrag wenste af te wijken.

In casu heeft L.Ko. blijkbaar geen kennis kunnen nemen van de algemene voorwaarden, laat staan dat hij deze aanvaard heeft. Minstens wordt dit alvast niet aangetoond, integendeel.

Het zij herhaald dat op het door L.Ko. voorgelegde origineel exemplaar van de koopovereenkomst geen algemene voorwaarden worden vermeld. Deze werden hem kennelijk ook nooit overhandigd; evenmin werd de tekst van de Metaalunievoorwaarden aan hem (voorafgaandelijk aan het sluiten van de overeenkomst) medegedeeld, minstens wordt dit niet aangetoond.

Overigens is Ke. zelf ook eerder vaag over de inhoud van de toepasselijke voorwaarden, omdat zij zelf bij de verwijzing naar deze voorwaarden aanhaalt dat het de voorwaarden zijn “volgens de laatstelijk aldaar neergelegde tekst”.

De tekst van de voorwaarden waarop zij zich thans meent te kunnen beroepen staat niet vermeld op de overeenkomst, noch op enig ander document dat aan L.Ko. werd bezorgd, maar werd blijkbaar enkel en alleen neergelegd ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam.

De door Ke. aangehaalde rechtspraak is, in tegenstelling tot wat zij poogt aan te voeren, in casu niet relevant en spreekt integendeel haar stelling tegen.

Zo oordeelt het eerste door Ke. aangevoerde vonnis dat de algemene voorwaarden, niettegenstaande zij niet (volledig) voorafgaandelijk werden meegedeeld, toch toepassing dienen te vinden omdat er tussen partijen reeds een bestendige handelsrelatie bestond. Dit laatste is echter in casu kennelijk niet het geval, minstens wordt dit niet aangetoond. Uit dit vonnis dient dan ook a contrario te worden afgeleid dat de algemene voorwaarden van Ke. in casu geen toepassing kunnen vinden, omdat partijen slechts eenmalig met elkaar gecontracteerd hebben, minstens blijkt nergens uit dat er tussen hen een bestendige handelsrelatie bestond.

Het tweede door Ke. vermelde vonnis beslist dat de algemene voorwaarden geen toepassing kunnen vinden wanneer zij niet integraal en voorafgaandelijk aan de wederpartij werden meegedeeld, zoals in casu kennelijk het geval is, zodat de uitsluiting van het Weens Koopverdrag (zoals bepaald in deze voorwaarden) niet kan worden aangenomen.

Ten slotte oordeelt het ingeroepen arrest van het Hof van ’s Hertogenbosch enkel dat het Weens Koopverdrag deel uitmaakt van het Nederlandse recht en uitdrukkelijk uitgesloten dien te worden, wat in het geschil waarover het Hof van ‘s Hertogenbosch zich diende te buigen, blijkbaar het geval was. Dit arrest heeft het niet over de betwisting betreffende de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op zich en is dus verder niet relevant voor huidige betwisting.

Gelet op dit alles, besluit het hof dan ook, zoals de eerste rechter, dat in casu het Weens Koopverdrag van toepassing is en dat partijen van de toepassing daarvan niet geldig zijn afgeweken.

4.2.2. Ten gronde

Overeenkomstig art. 38 van het Weens Koopverdrag (hierna: CISG) dient de koper de geleverde zaken binnen een zo kort mogelijke termijn na levering te onderzoeken, en dient hij, overeenkomstig art. 39 CISG, de verkoper binnen een redelijke termijn op de hoogte te brengen van de tekortkomingen.

Welnu, in casu heeft L.Ko. zeer snel na de levering van de tractor op 20 september 2006, aan Ke. medegedeeld dat deze niet normaal functioneerde en allerhande gebreken vertoonde, in die mate zelfs dat het voertuig niet meer reed. Dit wordt overigens niet betwist door Ke., die onderkende dat er een probleem was en die overging tot herstelling.

Zoals de eerste rechter terecht opmerkte, houdt het binnen zeer korte tijd na levering niet meer rijden van een tractor, waarbij het probleem enkel door een herstelling kan worden opgelost, in dat dit voertuig niet geschikt was voor zijn normale bestemming.

Overeenkomstig het Weens Koopverdrag moet de verkoper zaken leveren die beantwoorden aan de in de overeenkomst gestelde eisen, wat inhoudt dat deze geschikt dienen te zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van dezelfde omschrijving gewoonlijk worden gebruikt (art. 35 CISG).

Art. 36, tweede lid CISG voegt daaraan toe dat de verkoper (tevens) aansprakelijk is voor elk niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst dat optreedt na de risico-overdracht en te wijten is aan een tekortkoming in de nakoming van één van de verplichtingen van de verkoper, waaronder begrepen een garantie dat de zaken gedurende een bepaalde tijd geschikt zullen blijven voor het doel waarvoor zij normaal bestemd zijn.

Volgens Ke. werd het probleem met het olieverbruik onder garantie hersteld, een garantie van drie maanden, die in de koopovereenkomst uitdrukkelijk werd verleend. Er zou echter schade geweest zijn aan de (motor van de) tractor, doordat L.Ko. zou zijn blijven rijden met de tractor, hoewel het oliedruklampje brandde. De herstelling van deze schade zou, volgens Ke., geenszins vallen onder de garantietermijn van drie maanden, omdat de noodzaak daartoe te wijten was aan het eigen gedrag van L.Ko.

Zoals de eerste rechter terecht opmerkte, beroept Ke. zich hierbij blijkbaar impliciet op art. 79 CISG, dat bepaalt dat een partij die tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenis overmacht kan inroepen wanneer haar niet-nakoming te wijten is aan een hindernis die buiten haar macht ligt of redelijkerwijze door haar niet kon worden voorzien. De beweerde fout van L.Ko. moet dan voor haar die hindernis geweest zijn die buiten haar macht lag en redelijkerwijze door haar niet kon worden voorzien.

Zoals de eerste rechter, is het hof echter van oordeel dat uit niets blijkt dat de beweerde schade te wijten zou zijn geweest aan een fout van L.Ko. Het hof sluit zich in dit verband volledig aan bij de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, die hier als herhaald dient te worden beschouwd.

Ten overvloede wijst het hof erop dat L.Ko. nagenoeg onmiddellijk na de levering van de tractor klachten heeft geformuleerd m.b.t. de tractor, waarop Ke. blijkbaar ook onmiddellijk de nodige herstellingen uitvoerde, zonder hierbij het nodige voorbehoud te formuleren of minstens te wijzen op het feit dat deze herstelling niet zou vallen onder de bedongen garantie; minstens wordt dit laatste niet aangetoond. Een feit is, zoals ook de eerste rechter terecht opmerkte, dat L.Ko. op de diverse betalingsherinneringen van Ke. steeds reageerde met de stelling dat het betrokken herstel onder de garantie viel, en dat Ke. deze stelling nooit op gemotiveerde wijze heeft betwist.

Op een handelaar rust echter de verplichting, omwille van een vlot en efficiënt handelsverkeer, dat hij op de brieven en in het bijzonder op de klachten van klanten onmiddellijk reageert wanneer niet wordt ingestemd met de inhoud ervan. Het niet reageren bij ontvangst van een brief of klacht, geldt dan als vermoeden van aanvaarding.

Om de hierboven vermelde redenen, aangevuld met die opgegeven door de eerste rechter, kan Ke. de door haar gefactureerde prijs voor de door haar uitgevoerde herstellingen niet opeisen van L.Ko.

 

Noot: 

In een opmerkelijk arrest van het Hof van Beroep te Brussel (Brussel 16de kamer, 23 maart 2012, DCCR april – mei - juni 2013 pagina 49). werd gesteld dat de loutere mogelijkheid voor de consument om kennis te nemen van de algemene voorwaarden volstaat, waarna hij al dan niet na lezing ervan en het al dan niet gebruik maken van deze mogelijkheid, deze voorwaarden expliciet of impliciet kan aanvaarden. Nergens wordt immers vereist dat de consument de voorwaarden waarvan hij kennis kon krijgen of die hij kon zien of gezien heeft, daadwerkelijk gelezen heeft.

Volgt hierna dit arrest:

Circonstances de fait de la cause

Au mois d'octobre 2006, monsieur P. et son épouse, madame H., ci-après dénommés les époux P., ont contacté le centre d'appel de la s.a. A., ci-après dénommée A. pour effectuer un voyage en Jordanie au mois de décembre suivant.

Il ressort du dossier de réservation déposé par A. que les époux P. ont contacté le centre d'appel d' A. à plusieurs reprises, modifiant les dates et lieux de départ de leur voyage et que:

- le 3 novembre 2006, ils ont finalement réservé pour chacun d'eux les billets suivants:

• départ le 9 décembre 2006 de la gare TGV à Bruxelles-Midi à destination de l'aéroport de Paris, Charles de Gaulle, par un vol ferré, et ensuite de Paris à Amman, par un vol aérien,

• retour le 19 décembre 2006 d'Amman à destination de Paris, par vol aérien et ensuite de Paris à Bruxelles, par vol ferré,

- A. leur a confirmé cet itinéraire de voyage par un courriel du même jour.

Le prix des billets s'élevait à 1.526,26 EUR par personne.

Le 3 novembre 2006, A. a envoyé les billets et un bulletin qui reprenait l'itinéraire ainsi que les heures de départ et d'arrivée.

Les époux P. n'ont pas réagi à la réception du courriel du 3 novembre 2006, ni à la réception des billets de train et de l'itinéraire qui leur a été transmis par A.

Lorsque les époux P. se sont présentés à l'aéroport à Paris et qu'il a été constaté qu'ils n'avaient pas utilisé le billet de train, ceux-ci étant arrivés en voiture, A. a exigé le paiement d'un complément de prix de 1.682 EUR par billet ou 3.364 EUR, pour effectuer le voyage entre Paris et Amman.

Par courrier du 28 décembre 2006, monsieur P. a demandé à A. de lui rembourser la somme de 3.364 EUR.
Un échange de courriers s'en est suivi au terme duquel aucun accord n'a été conclu.

Procédure

Par citation signifiée le 17 août 2007 à A., les époux P. ont sollicité la condamnation de celle-ci au paiement de la somme de 3.364 EUR, majorée des intérêts moratoires au taux légal depuis le 23 février 2007.

A. a contesté le fondement de la demande.

Par le jugement attaqué du 30 juin 2008, le tribunal de commerce de Bruxelles a reçu la demande et l'a déclarée non fondée. Il a condamné les époux P. aux dépens, l'indemnité de procédure étant liquidée à 650 EUR.

Devant la cour, les époux P. sollicitent la réformation du jugement attaqué et réitèrent leur demande originaire. Ils sollicitent la condamnation d' A. aux dépens des deux instances, liquidant l'indemnité de procédure d'appel à 650 EUR.

A. conteste le fondement de la demande originaire et la motivation du jugement attaqué en ce qu'il a décidé que ses conditions générales de transport n'étaient pas applicables. Elle a formé une demande incidente nouvelle, improprement qualifiée d'appel incident, tendant, à titre principal, à dire pour droit que les conditions générales de transport d' A. sont applicables et, à titre subsidiaire, à dire pour droit qu' A. a légitimement appliqué un réajustement tarifaire. Elle sollicite la condamnation des époux P. aux dépens, liquidant l'indemnité de procédure d'appel à 650 EUR.

Discussion

A. soutient que la réservation des époux P. portait sur deux voyages de Bruxelles à Amman et non de Paris à Amman et qu'en n'effectuant pas préalablement le vol ferré entre Bruxelles et Paris, les époux P. n'ont pas effectué le voyage prévu. A. en déduit qu'elle était autorisée à solliciter un ajustement du prix du voyage, en application de l'article III, point 4 de ses conditions générales de transport qui disposent que « si le passager modifie son voyage sans accord du transporteur, ce dernier ajustera le tarif au regard de ce changement ».

Les époux P. contestent avoir commandé un voyage au départ de Bruxelles, l'application des conditions générales d' A. et devoir le supplément de prix qu'ils ont payé pour pouvoir effectuer le voyage entre Paris et Amman à la date prévue du 9 décembre 2006.

1. Le point de départ du voyage

Pour des raisons commerciales propres à A., le prix du voyage vers Amman au départ de Paris est supérieur au prix de ce voyage au départ de Bruxelles, même si les voyageurs au départ de Bruxelles rejoignent Paris par un vol ferré préalable en TGV.

Il apparaît du dossier de réservation d' A. que le voyage a été réservé de Bruxelles à Amman et non de Paris à Amman (cfr pièce n° 1 de son dossier).

Les mentions contenues dans ce dossier sont corroborées par la circonstance que les époux P. n'ont pas émis de contestation à la réception :

- de l'itinéraire mentionnant un départ de Bruxelles et non de Paris,

- des billets de train de Bruxelles à Paris pour le voyage à l'aller et de Paris à Bruxelles pour le retour (pièce n° 3),

- de l'extrait de compte bancaire émis le 15 novembre 2006 pour un débit effectué le 3 novembre 2006 qui reprenait le trajet in extenso depuis Bruxelles (pièce n° 2).

C'est donc à juste titre que le premier juge a considéré que les époux P. avaient réservé un voyage de Bruxelles à Amman pour un prix promotionnel et non un voyage de Paris à Amman.

La circonstance que les époux P. n'étaient pas en Belgique au moment de la réception des billets et que ceux-ci ont été réceptionnés par la secrétaire n'est pas de nature à énerver le raisonnement qui précède.

2. Application des conditions générales de transport d'A.

Pour pouvoir faire la loi des parties, les conditions générales doivent avoir été portées à la connaissance du cocontractant de leur rédacteur préalablement et au plus tard au moment de la conclusion du contrat et avoir été acceptées par celui-ci. La jurisprudence assimile à la connaissance effective des conditions la possibilité réelle et raisonnable, compte tenu des circonstances objectives et subjectives de l'espèce, d'avoir effectivement connaissance des conditions générales applicables au contrat en cours de formation ( cfr D. PHILIPPE et M. CHAMMAS, «L'opposabilité des conditions générales», in Le processus de formation du contrat, C.U.P., vol. 09/2004, p. 204).

En l'espèce, même à supposer qu' A. ait transmis les billets dans la pochette qu'elle communique, il ne peut en être déduit que les conditions générales sont entrées dans le champ contractuel.

En effet, cette pochette ne comprend pas les conditions générales mais une indication suivant laquelle :

« Tout transport effectué par chaque transporteur est régi par les conditions de transport du transporteur et la réglementation applicable, lesquelles sont réputées faire partie intégrante des présentes et peuvent être consultées sur demande dans les bureaux du transporteur ».

En outre, une telle clause qui renvoie aux conditions qui peuvent être consultées dans les bureaux du transporteur, voire sur son site internet, alors que la réservation n'est pas faite par internet mais par téléphone, et que la référence est communiquée au contractant après la conclusion du contrat de transport, lors de l'envoi des billets, ne permet pas d'établir qu'au moment de la conclusion du contrat, les époux P. avaient connaissance des conditions générales et les ont acceptées.

Il ne peut davantage être déduit de la circonstance que les époux P. ont effectué en 2004 un voyage organisé par A., en collaboration avec d'autres compagnies de transport, que les parties étaient en relations suivies, ni que ces relations permettraient de réputer les conditions applicables.

C'est dès lors à bon droit que le premier juge a considéré que les conditions générales de transport d' A. n'étaient pas applicables.

3. Le devoir d'information

L'article 30 de la loi du 14 juillet 1991 relative aux pratiques du commerce et à la protection du consommateur, dans sa version applicable au litige, disposait que :

« Au plus tard au moment de la conclusion de la vente, le vendeur doit apporter de bonne foi au consommateur les informations correctes et utiles relatives aux caractéristiques du produit ou du service et aux conditions de vente, compte tenu du besoin d'information exprimé par le consommateur et compte tenu de l'usage déclaré par le consommateur ou raisonnablement prévisible ».

Dès lors que, dans la phase précontractuelle, les époux P. ont, comme le soutient A., manifesté la volonté d'effectuer un voyage depuis Bruxelles, Paris ou Genève, celle-ci avait l'obligation de les informer correctement de la nécessité d'utiliser le vol ferré préalable entre Bruxelles et Paris pour effectuer ensuite le vol aérien entre Paris et Amman sans supporter un réajustement de prix.

A. n'a pu considérer légitimement que les époux P. connaissaient les conditions générales dès lors qu'il a été dit ci-avant qu'elles n'étaient pas entrées dans le champ contractuel.

En s'abstenant d'informer les époux P. de la possibilité d'un réajustement du prix du voyage si l'itinéraire était modifié, A. n'établit pas avoir donné aux époux P. les informations correctes et utiles relatives au voyage qu'ils envisageaient d'effectuer en Jordanie.

La cour observe d'ailleurs que, postérieurement à la conclusion du contrat, lorsqu' A. a communiqué l'itinéraire du voyage et transmis les billets, elle n'a pas attiré l'attention des époux P. sur la circonstance que le changement du point de départ du voyage par le passager peut avoir pour résultat de modifier le tarif du voyage ou que le billet ne sera pas accepté si les coupons n'ont pas été utilisés dans leur ordre d'émission, alors qu'elle avait expressément attiré leur attention sur la nécessité de disposer des documents nécessaires au voyage (passeport, visa, vaccin, etc.).

Il s'ensuit qu' A. a manqué au devoir d'information qui pèse sur elle et que l'ajustement tarifaire demandé aux époux P. pour effectuer le voyage de Paris à Amman, au motif qu'ils n'avaient pas effectué préalablement le voyage en vol ferré entre Bruxelles et Paris, d'un montant de 1.682 EUR par billet ou 3.364 EUR, n'était pas dû par ceux-ci.

Il convient, dès lors, de condamner A. à rembourser les époux P. de ce montant, majoré des intérêts moratoires aux taux légaux successifs depuis la mise en demeure du 23 février 2007 et de déclarer les demandes nouvelles formées par A. non fondées.

Par ces motifs,

La Cour,

Statuant contradictoirement,

Reçoit l'appel et la demande nouvelle. Déclare l'appel seul fondé.

En conséquence,

Réforme le jugement attaqué, sauf en ce qu'il a liquidé les dépens. Déclare la demande originaire fondée.

Condamne A. à rembourser aux époux P. la somme de 3.364 EUR, majorée des intérêts moratoires aux taux légaux successifs depuis le 23 février 2007.

Condamne A. aux dépens des deux instances, liquidés pour les époux P. à 216,38 EUR (citation)+ 650 EUR (indemnité de procédure d'instance)+ 186 EUR (mise au rôle de la requête d'appel)+ 650 EUR (indemnité de procédure d'appel).

Noot onder dieze uitspraak in het DCCR na de publicatie van het arrest: :Renzo Van Der Bruggen , Het no showbeding in algemene vliegvoorwaarden: over de tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden en de algemene verplichting tot informatie van de consument

Inhoudstafel van deze noot:
1 Inleiding
2 Feiten
3 Tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden
3.1 Kennisname
• Mogelijkheid
• Tijdstip
• Beschikbaarheid
3.2 Aanvaarding
• Uitdrukkelijk
• Stilzwijgend
3.3 Eerste Aanleg versus Tweede Aanleg
4 punt van vertrek
5 Algemenen verplichting tot informatie van de consument
5.1 Eerste Aanleg
5.2 Tweede Aanleg
6 Onrechtmatig

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/12/2014 - 15:28
Laatst aangepast op: di, 09/12/2014 - 15:43

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.