-A +A

Afwezigheid recht van wederoverdracht na onteigening doorverkoop onteigeningsoverschot onvoldoende reden door de tijdelijke aanwending met oog op onteigening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/05/2016
A.R.: 
C.15.0007.F

Het arrest stelt vast dat 'het litigieuze deel tijdelijk gebruikt werd in het kader van werkzaamheden die uitgevoerd werden ten gevolge van de oorspronkelijke onteigening', en beslist bijgevolg naar recht dat het aangevoerde recht van wederoverdracht in dit geval niet aanwezig is, aangezien de omstandigheid dat een onteigeningsoverschot aan het eind van de werkzaamheden doorverkocht werd aan een handelsvennootschap op zich geen afdoende reden vormt om voorbij te gaan aan het feit dat dit litigieuze deel tijdelijk gebruikt werd met het oog op de onteigening, waardoor het recht van wederoverdracht beëindigd is.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0007.F

1. P. v. Z.,

e.a.,

optredend in persoonlijke naam en in de hoedanigheid van erfgenamen van gravin Marie-Josephine d'Aspremont Lynden,

tegen

WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering, in de persoon van de minister-president,



I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 4 februari 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Middel

Eerste onderdeel

Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald.

Krachtens artikel 23, Onteigeningswet 1835 zal, indien de voor werken van alge-meen nut aangekochte gronden die bestemming niet krijgen, een volgens in artikel 6, titel II van de wet van 8 maart 1810 aangeduide wijze afgekondigd bericht de gronden doen kennen die het bestuur kan weerverkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de oude eigenaars, die de eigendom van bedoelde gronden willen terugkopen, op straf van vervallenverklaring gehouden zulks te verklaren.

Ingeval het bestuur dat bericht niet afkondigt, kunnen de oude eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen en zal die teruggave in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat ze niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.

Het arrest stelt vast dat "het litigieuze deel tijdelijk gebruikt werd in het kader van werkzaamheden die uitgevoerd werden ten gevolge van de oorspronkelijke ontei-gening" en beslist bijgevolg naar recht "dat het aangevoerde recht van wede-roverdracht [...] in dit geval niet aanwezig is, aangezien de omstandigheid dat een onteigeningsoverschot aan het einde van de werkzaamheden doorverkocht werd aan een handelsvennootschap op zich geen afdoende reden vormt om voorbij te gaan aan het feit dat dit litigieuze deel tijdelijk gebruikt werd met het oog op de onteigening, waardoor het recht van wederoverdracht beëindigd is."

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, en in open-bare terechtzitting van 23 mei 2016 uitgesproken 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 26/06/2018 - 20:35
Laatst aangepast op: di, 26/06/2018 - 20:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.