-A +A

Afwerven van cliënteel geoorloofd als vrijheid van handel en nijverheid en van concurrentie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 04/06/2015

Het afwerven van cliënteel van een concurrent is op zich niet ongeoorloofd en vloeit voort uit de vrijheid van handel en nijverheid en van concurrentie. Hierbij mag rechtmatig gebruik worden gemaakt van de vorming, beroepskennis en ervaring die voordien werden verworven. Het benaderen van cliënteel van een concurrent, zelfs op systematische en georganiseerde wijze, wordt niet beschouwd als een oneerlijke handelspraktijk in de mate dat geen begeleidende omstandigheden worden bewezen die de afwerving een onrechtmatig karakter zouden geven.

De onrechtmatige afwerving van cliënteel staat evenmin vast, gezien er geen inbreukmakende begeleidende omstandigheden worden aangetoond: noch het onrechtmatig gebruik van confidentiele klantendatabanken (het vermeende "clienteel" is publiek toegankelijk en kan gemakkelijk ook via andere analoge tijdschriften opgespoord worden), noch het misbruik van identiteit (dat de heer Bonroy in het verleden voor appellante werkte, verhindert als zo danig niet dat hij thans voor een concurrent, geïntimeerde, prestaties levert) noch de slechtmaking worden op afdoende wijze hard gemaakt

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
NjW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2016
Pagina: 
918
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Big Media Group NV, [ ... ] appellante,[ ... ]

tegen

Bright Communications Bvba, [ ... ] geïntimeerde,

[ ... ]

ll. BEOORDELING

1. Appellante herneemt (enkel) in het beschikkend gedeelte van haar beroepsconclusie haar vordering in schadevergoeding, waarbij de schade begroot wordt op €1,00 provisioneel. Appellante vraagt wederom om de begroting van de schadevergoeding aan te houden. Zij voert evenwel geen grief aan tegen het oordeel van de eerste rechter die terecht stelde dat de stakingsrechter een limitatief omschreven bevoegdheid heeft. Hiertoe behoort niet het opleggen van een schadevergoeding. Dit deel van de vordering werd terecht niet toelaatbaar verklaard.

2. De eisuitbreiding door Big Media Group gestoeld op de onrechtmatige afwerving van personeel werd niet toelaatbaar verklaard door de eerste rechter, gezien deze niet voldeed aan art. 807 Ger.W.

Nu appellante onder randnr. 6.5 van haar beroepsconclusie stelt dat zij geen

hoger beroep tegen dit oordeel instelt, dient het Hof zich niet verder over deze vordering uit te spreken. De uitweiding van geïntimeerde hieromtrent is niet ter zake.

3. Ook in hoger beroep vraagt appellante om de tegenvordering onontvankelijk te verklaren.

Noch in het verzoekschrift hoger beroep noch in de beroepsconclusie reikt appellante enige grief aan tegen het oordeel van de eerste rechter dienaangaande.

De eerste rechter oordeelde terecht dat de door Bright Communications ingestelde tegeneisen wel degelijk tot de bevoegdheid van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel (afdeling Antwerpen) behoren, aangezien zij een verweer vormen tegen de merkenrechtelijke bescherming die door Big Media Group wordt ingeroepen.

Bovendien behoort dit tot de bevoegdheid van de stakingsrechter op grond van art. 3 § 4 WPMPC (wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming).

4. Appellante herneemt in hoger beroep haar stakingsvordering gestoeld op art. 95 WMPC.

Zij meent dat er sprake is van onrechtmatige afwerving van cliënteel, parasitaire concurrentie/aanhaking en het gebruik van bedrijfsfoto's genomen bij appellante, waarvan appellante stelt auteursrechthebbende te zijn. Zij vordert tevens een dwangsom en de publicatie op haar website en in een dagblad.

5. De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door appellante niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, de stakingsvordering ingesteld door Big Media Group en gestoeld op art. 95 WMPC ongegrond verklaard. Enkel in antwoord op de door appellante ontwikkelde grieven merkt het hof nog het volgende op:

5.1. Er is slechts sprake van parasitaire concurrentie in strikte omstandigheden.

Begaat in beginsel geen daad strijdig met de eerlijke handelsgebruiken, de verkoper die: het aanbod van een andere marktdeelnemer in verband met diensten of producten nabootst, tenzij de verkoper hierdoor, hetzij, een door de wetgeving op de intellectuele eigendom beschermd recht miskent, hetzij, dit aanbod doet onder begeleidende omstandigheden die indruisen tegen de eisen van de eerlijke handelsgebruiken, zonder zelf een creatieve inspanning te leveren, rechtstreeks voordeel haalt uit belangrijke inspanningen of investeringen gewijd aan een creatie met economische waarde van een andere verkoper. De rechter kan nochtans op grond van het behalen van een voordeel om een andere reden dan het louter nabootsen, oordelen dat dit handelen onrechtmatig is. Die andere redenen bestaan niet alleen uit de miskenning van intellectuele eigendomsrechten of verwarring stichtende reclame, maar kunnen elke vorm van onrechtmatig gedrag zijn (zie Cass. 29 mei 2009, TBH 2010, 773)

In casu wordt geen parasitaire concurrentie/aanhaking aangetoond. Vooreerst vormt het business concept van appellante (het uitbouwen van een netwerk met als rode draad een magazine) geen creatieve inspanning nu er heel wat vergelijkbare initiatieven (magazines en netwerkorganisaties) op de markt zijn. Verder merkt de eerste rechter terecht op dat geïntimeerde voldoende eigen creatieve inspanningen heeft geleverd: zowel de naam van het tijdschrift (en het netwerk) als de lay-out/vormgeving ervan als de gehanteerde kleur zijn verschillend. Ook de nevenactiviteiten, alhoewel gelijkaardig, verkregen een deels andere invulling. Van enige verwarringstichting tussen beide concepten kan evenmin sprake zijn.

5.2. Appellante blijft voorhouden dat de bedrijfsfoto's/afbeeldingen genomen bij appellante, waarop zij auteursrechten claimt, en die dienstig waren voor haar tijdschrift Manager Magazine, in het concurrerend tijdschrift van geïntimeerde werden gebruikt, evenals door geïntimeerde werden misbruikt om hetzelfde potentiële cliënteel te prospecteren en met hen te onderhandelen voor contracten.

Niet alleen bewijst appellante niet de auteursrechthebbende te zijn op de foto's doch bovendien toont appellante niet aan dat foto's/afbeeldingen genomen tijdens happenings van appellante en/of bestemd voor het tijdschrift van appellante in het tijdschrift van geïntimeerde werden gebruikt en /of tijdens de onderhandelingen met potentieel cliënteel werden aangewend. Ook ter zitting hierover ondervraagd kon appellante hierover geen voorbeeld/uitsluitsel verstrekken.

Noch een vermeende auteursrechtelijke inbreuk op het fotografisch materiaal noch een vermeende verwarring door het gebruik van afbeeldingen dienstig voor het tijdschrift van appellante worden bewezen.

5.3. Het afwerven van cliënteel van een concurrent is op zich niet ongeoorloofd en vloeit voort uit de vrijheid van handel en nijverheid en van concurrentie. Hierbij mag rechtmatig gebruik worden gemaakt van de vorming, beroepskennis en ervaring die voordien werden verworven. Het benaderen van cliënteel van een concurrent, zelfs op systematische en georganiseerde wijze, wordt niet beschouwd als een oneerlijke handelspraktijk in de mate dat geen begeleidende omstandigheden worden bewezen die de afwerving een onrechtmatig karakter zouden geven.

De onrechtmatige afwerving van cliënteel staat evenmin vast, gezien er geen inbreukmakende begeleidende omstandigheden worden aangetoond: noch het onrechtmatig gebruik van confidentiele klantendatabanken (het vermeende "clienteel" is publiek toegankelijk en kan gemakkelijk ook via andere analoge tijdschriften opgespoord worden), noch het misbruik van identiteit (dat de heer Bonroy in het verleden voor appellante werkte, verhindert als zo danig niet dat hij thans voor een concurrent, geïntimeerde, prestaties levert) noch de slechtmaking worden op afdoende wijze hard gemaakt. Slechtmaking veronderstelt overigens dat een bijzonder schadelijke aanval wordt uitgevoerd op een hande-

laar (thans onderneming) , waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn reputatie of aan de reputatie van zijn producten, diensten of activiteiten, door een lasterlijke of eer rovende daad, of zelfs door een eenvoudige kritiek die toelaat hem te identificeren.

Ter zake worden geen overtuigende stukken bijgebracht. Enige vermeende desorganisatie/destabilisatie van appellante wordt evenmin aangetoond. Het loutere feit dat appellante belangrijke omzetdalingen (o.m. ten gevolge van vermeend lagere door geïntimeerde gebruikte tariferingen) kent, bewijst op zich uiteraard geen onrechtmatige afwerving van cliënteel.

6. Er bestaat evenmin reden om een getuigenbewijs (in zake de vermeende slechtmaking) toe te laten zoals door appellante gevorderd. De feiten door appellante aangevoerd zijn onvoldoende in tijd en ruimte gepreciseerd en het Hof acht zich bovendien voldoende geïnformeerd op grond van de voorgelegde stukken.

7. In beroepsconclusie stelt appellante dat het merk "Sterck" uitgevonden en ontwikkeld werd door haar tijdens een brainstorming in het najaar 2012. Zij brengt de notulen van een vergadering onder haar stuk 19 en een uitprint actielijst december 2012 (stuk 15) bij. Appellante meent dan ook dat zij geen merkinschrijving te kwader trouw verrichtte. Zij stelt rechtmatige merkinschrijvingen bij het BBIE gedaan te hebben. Hieraan gekoppeld meent appellante dat het gebruik van de begrippen Sterck en aanverwanten haar toekomt.

Ter zitting verklaart de raadsman van appellante evenwel dat het vonnis a quo werd uitgevoerd wat betreft het merkdepot van de drie woordmerken (die op tegeneis van geïntimeerde vernietigd werden) (zie P.V. van terechtzitting)

8. Met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat Bright Communications voldoende naar recht bewijst dat Big Media Group niet enkel te kwader trouw doch ook anterieur aan het door Bright Communications gedeponeerde overging tot het depot van drie woordmerken onder de nummers 0937403, 0937404 en 0937405.

De voorwaarden tot nietigverklaring op grond van het BVIE ( art. 2.28.3.b juncto art. 2.4.f. BVIE en art. 2.28.3.a juncto art. 2.3. BVIE) zijn vervuld en de vordering tot nietigverklaring is gegrond. Het oordeel van de eerste rechter wordt integraal onderschreven en hierbij hernomen. Terecht stelt geïntimeerde dat appellante niet bewijst dat zij tijdens een vergadering in het najaar 2012 het begrip Sterck Magazine zou gelanceerd/uitgevonden hebben. Niet alleen brengt geïntimeerde een verslag van dezelfde vergadering bij waarin de aanduiding van de naam niet wordt vermeld doch bovendien legt zij facturen voor van communicatiebureaus inzake het bedenken van de naam en uitwerken van het concept (stukken 14 en 15). Van enig te goeder trouw verrichte merkinschrijving en rechtmatige gebruik van de tekens Sterck en Sterck Magazine door appellante is geen sprake.

9. De eerste rechter stelde met reden en op gemotiveerde wijze tevens een inbreuk vast en de staking werd bevolen van het gebruik van het begrip Sterck/ Sterck Magazine in de domeinnaam door Big Media Group geregistreerd. Ook werd elk ander gebruik voor soortgelijke en diensten verboden. Er werd terecht zowel een inbreuk op de handelsnaam van Bright Communications (inbreuk op art. 95 WMPC) als op het dominant onderdeel van het Benelux beeldmerk op naam van geïntimeerde weerhouden ( inbreuk op art. 2.20.lb BVIE m.b.t. overeenstemmend gebruik voor soortgelijke waren en diensten en inbreuk op art. 2.20.ld BVIE m.b.t. overeenstemmend gebruik als vermeld in de domeinnaam).

Overigens worden tegen deze motivering van de eerste rechter geen concrete grieven door appellante aangevoerd.

10. Verder weerhield de eerste rechter ook met reden een inbreuk op art. 4 en 6 van de Domeinnaamwet en werd de vordering tot staking en overdracht op grond van deze wet gegrond verklaard.

 

Er werd hierbij vastgesteld dat de door appellante geregistreerde domeinnaam zodanig overeenstemmend is met de oudere handelsnaam van geïntimeerde en met het dominant onderdeel van het beeldmerk van geïntimeerde dat er verwarringsgevaar ontstaat, dat appellante geen recht noch legitiem belang heeft jegens de domeinnaam en dat appellante de domeinnaam registreerde met het doel een ongerechtvaardigd voordeel te halen uit het gebruik ervan.

Ook tegen dit gemotiveerd oordeel van de eerste rechter, dat het Hof hierbij herneemt, voert appellante geen pertinente grief aan.

11. Tenslotte merkte de eerste rechter op dat, op grond van art.118 WMPC, de stakingsvordering uitvoerbaar bij voorraad is doch dit niet van toepassing is omtrent de nietigverklaring van de merkinschrijvingen. Gezien de verstrekkende gevolgen werd de uitvoerbaarheid uitgesloten voor deze maatregel. Ter zitting meldde de raadsman van appellante dat het vonnis reeds werd uitgevoerd wat betreft de bevolen nietigverklaring van de drie woordmerken zodat dienaangaande evenmin enige betwisting voorligt.

12. Besluit:

Het hoger beroep is ongegrond. De hoofdvordering van appellante werd terecht ongegrond verklaard en de tegenvorderingen van geïntimeerde werden met reden deels gegrond verklaard.

[ ... ]

 

 

 

Noot: 

Heleen Boonen, Parasitaire concurrentie en de vrijheid van kopie, NjW 2016, 921

• MERTENS, D., "Het Hof van Cassatie over 'parasitaire mededinging' en 'aanhaking', Scherpstelling of genadeschot?", RW 2010-11, afl. 37, 1562-1566

• STEENNOT, R., "Recht op nabootsing", NjW 2010, afl. 217, 154.

• LONDERS, G., "Onrechtmatig imiteren, kopiëren en aanhaken" in Handelspraktijken anno 1996, Antwerpen, Kluwer, 1996, 204-207, nrs. 5.1-5.3;

• Brussel 7 december 2006, TBH 2007, 580, noot V. WELLENS

• Luik 11 mei 2007, Jaarboek Handelspraktijken & Mededinging 2007, 483, noot A. PUTTEMANS

• Cass. 29 mei 2009, TBH 2010, 773

• Axel Clerens Parasitaire mededinging: naar een theorie van misbruik op het recht van kopie RABG , 2011/01, 4 met talrijke verwijzingen naar rechtspraak.

• zie ook RW 2010-2011, 1561 NOOT Dave Mertens– Het Hof van Cassatie over «parasitaire mededinging» en «aanhaking». Scherpstelling of genadeschot?
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/05/2018 - 19:18
Laatst aangepast op: vr, 25/05/2018 - 19:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.