-A +A

Afstand van recht op natrekking doet een recht van opstal ontstaan

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 23/03/2016
A.R.: 
C.14.0121.N

Dat de afstand van het natrekkingsrecht door de vruchtgebruikers resulteert in een opstalrecht, is een gevolg van het numerus clausus-beginsel inzake zakelijke rechten. Hierdoor ontstaat een gesplitste eigendomsverhouding tussen de grond enerzijds en de opstallen anderzijds.

Door afstand van natrekking is er sprake van een rechtstreeks bij titel gevestigd zelfstandig zakelijk opstalrecht en niet van een accessoir opstalrecht. Het opstalrecht is dan ook geen accessorium van een andere zakelijke of persoonlijke rechtsverhouding, zoals geïntimeerden ten onrechte betogen.

Hiervan is er immers enkel sprake indien het opstalrecht kadert in de toekenning van een ander zakelijk of persoonlijk recht, zoals een erfpacht, een erfdienstbaarheid, een huur/pacht, een concessie, e.d.m. Indien dan constructies worden opgericht binnen deze rechtsverhouding, kaderen de opstallen in een accessoir opstalrecht.

Een zelfstandig opstalrecht komt overigens niet alleen tot stand ingevolge een opstalcontract dat dit recht expliciet vestigt, maar ook onrechtstreeks door een afstand van het recht op natrekking (vgl. H. Vandenberghe en T. Viaene, “Actuele ontwikkelingen inzake erfpacht en opstal”, TBO 2006, (34), p. 44, nr. 36). Dit houdt o.a. ook in dat het opstalrecht in eerste instantie wordt beheerst door de Opstalwet.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

G.N. t/ J.R., J.J. en B.M.

...

4. Beoordeling: ten gronde

4.1. Principaal hoger beroep

De eis in vereffening en verdeling – Is er sprake van een “onverdeeldheid”?

4.1.1. Opdat een vereffening en verdeling zou kunnen bevolen worden, moet er sprake zijn van een onverdeeldheid.

Een onverdeeldheid impliceert rechten van gelijke aard op hetzelfde ogenblik en dit op een zelfde goed of boedel.

Geïntimeerden, hierin bijgevallen door de eerste rechter, voeren aan dat er geen onverdeeldheid (meer) is, omdat eerste geïntimeerde, de man, enige volle eigenaar zou zijn van het onroerend goed, grond en woning, gelegen te Edegem, (...). Dit zou het geval zijn van het feit dat de ouders van de man, tweede en derde geïntimeerden, afstand hebben gedaan van het vruchtgebruik ten voordele van hun zoon, de eerste geïntimeerde, die zelf reeds blote eigenaar van de grond was ingevolge aankoop.

Deze afstand van het vruchtgebruik zou tevens impliceren dat de vrouw, appellante, geen opstalhouder meer zou zijn.

4.1.2. Uit de kadastrale bescheiden kan appellante op zich geen dienende argumenten afleiden. Deze stukken, die uitgaan van de fiscus, hebben op zich geen zelfstandige civielrechtelijke bewijswaarde; het kadaster heeft niet als eerste roeping om eigendomstitels te verschaffen die beslissend zijn in discussies van zakenrechtelijke aard, zoals deze.

4.1.3. Het staat buiten betwisting dat de grond aanvankelijk aan de man in blote eigendom toebehoorde, terwijl deze aan zijn ouders, tweede en derde geïntimeerden, toebehoorde in vruchtgebruik.

Uit de betreffende akte van 19 december 1980 blijkt dat de duur van het vruchtgebruik loopt tot aan het overlijden van de overlevende van de beide vruchtgebruikers.

De afstand van het recht van natrekking door de vruchtgebruikers riep simultaan een opstalrecht in het leven, ten voordele van de begunstigden van deze afstand, oprichters van de constructies/eigenaars van de opstallen (vgl. Cass. 19 mei 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1230).

Aangezien de man en de vrouw beiden de begunstigden waren van de afstand van het recht van natrekking, is de vrouw mede-opstalhouder/houder van een opstalrecht.

Er is geen andere lezing mogelijk van de bewuste akte, die trouwens bepaalt dat door de vruchtgebruikers (op de grond) een toelating tot bouwen wordt verleend aan hun zoon, de heer R.J. (eerste geïntimeerde), en aan mejuffrouw N.G., appellante.

Dat de afstand van het natrekkingsrecht door de vruchtgebruikers resulteert in een opstalrecht, is een gevolg van het numerus clausus-beginsel inzake zakelijke rechten. Hierdoor ontstaat een gesplitste eigendomsverhouding tussen de grond enerzijds en de opstallen anderzijds.

De toekenning van het opstalrecht gebeurde voor de wettelijke maximumduur, zoals de akte in kwestie bevestigt. Diezelfde akte bevestigt ook dat de gebouwen opgericht door eerste geïntimeerde en appellante hun eigendom blijven gedurende heel deze duur.

Voor zoveel als nodig merkt het hof op dat er sprake is van een rechtstreeks bij titel gevestigd zelfstandig zakelijk opstalrecht en niet van een accessoir opstalrecht. Het opstalrecht is dan ook geen accessorium van een andere zakelijke of persoonlijke rechtsverhouding, zoals geïntimeerden ten onrechte betogen. Hiervan is er immers enkel sprake indien het opstalrecht kadert in de toekenning van een ander zakelijk of persoonlijk recht, zoals een erfpacht, een erfdienstbaarheid, een huur/pacht, een concessie, e.d.m. Indien dan constructies worden opgericht binnen deze rechtsverhouding, kaderen de opstallen in een accessoir opstalrecht.

Een zelfstandig opstalrecht komt overigens niet alleen tot stand ingevolge een opstalcontract dat dit recht expliciet vestigt, maar ook onrechtstreeks door een afstand van het recht op natrekking (vgl. H. Vandenberghe en T. Viaene, “Actuele ontwikkelingen inzake erfpacht en opstal”, TBO 2006, (34), p. 44, nr. 36). Dit houdt o.a. ook in dat het opstalrecht in eerste instantie wordt beheerst door de Opstalwet.

4.1.4. De ouders deden nadien afstand van hun vruchtgebruik. Bij deze akte was de vrouw, appellante, geen partij.

De afstand gebeurde niet “slechts” ten voordele van de man, eerste geïntimeerde, zoals geïntimeerden beweren. Ook de man was trouwens geen partij bij de betreffende akte. De betreffende akte vermeldt, mogelijk ook om fiscale redenen, eenvoudigweg geen begunstigde; het betreft bijgevolg een volstrekt eenzijdige afstand, als abdicatieve rechtshandeling.

De afstand kan vanzelfsprekend slechts slaan op de rechten die tweede en derde geïntimeerden, afstanddoeners, alsdan (nog) hadden; dit is het vruchtgebruik op de grond. Op de constructies hadden de afstanddoeners immers geen rechten of aanspraken, ingevolge hun afstand van het recht van natrekking.

4.1.5. Door de afstand van het vruchtgebruik is de man, ingevolge de elasticiteit van het eigendomsrecht, volle eigenaar van de grond
geworden

. Hij wordt hierdoor echter geen volle eigenaar van de woning (opstallen), zodat er geen sprake is van een beëindiging van het opstalrecht, buiten de wil van appellante om. De man, die als blote eigenaar van de grond de facto ook de begunstigde is van de afstand van het vruchtgebruik door zijn ouders, kan immers niet meer rechten verkrijgen van de afstanddoeners dan dezen hadden en, zoals vermeld, hadden dezen geen rechten (meer) op de constructies/opstallen, ingevolge de eerdere afstand van het recht van natrekking. Het tijdelijk zakelijk genotsrecht (vruchtgebruik) waarvan afstand werd gedaan had enkel nog de grond als voorwerp.
4.1.6. Voor zoveel als nodig zij opgemerkt dat de afstand van het vruchtgebruik slechts relatieve werking heeft. De afstand van het vruchtgebruik door tweede en derde geïntimeerden betreft immers een buitengewone uitdovingsgrond die zijn oorzaak vindt in het handelen van tweede en derde geïntimeerden zelf, waarop appellante, die een derde is in dat verband, niet kon anticiperen, zodat het opstalrecht in verhouding tot haar hoe dan ook onverminderd blijft voortbestaan.

De afstand van het vruchtgebruik vermag immers geen afbreuk te doen aan rechten die zijn toegestaan aan derden met een concurrerend recht (zie o.a.: V. Sagaert, Beginselen van Belgisch privaatrecht. V, Goederenrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 441, nr. 546 en p. 619, nr. 784).

De vrouw, appellante, is een derde met een concurrerend recht; zij was immers geen partij bij de akte houdende afstand van het vruchtgebruik en zij heeft een contractueel opstalrecht, zoals hierboven is overwogen.

De afstand van het vruchtgebruik, die enkel op de zakelijke rechten op de grond slaat, sorteert slechts rechtsgevolgen binnen de verhouding vruchtgebruiker/blote eigenaar, maar tast de eerdere rechten die de toenmalige vruchtgebruikers hadden verleend aan derden niet aan; de rechten die zijn verleend door de vruchtgebruiker gaan slechts teloor op het ogenblik dat het vruchtgebruik normaliter zou zijn opgehouden, in casu bij het overlijden van de langstlevende vruchtgebruiker, zoals de aankoopakte van de grond immers stipuleert. Dit houdt voor de vrouw/appellante in dat haar opstalrechten nog steeds onverkort bestaan.

Het feit dat de vrouw op de hoogte zou zijn geweest van deze afstand, omdat hiervan melding wordt gemaakt in de akte van kredietopening bij de bank (zie ook infra, randnr. 4.1.8.), doet aan voorgaande overwegingen geen afbreuk.

4.1.7. Bovendien meent het hof dat voornoemde beoordeling ook perfect aansluit bij het beding in de akte van 1 oktober 1992, waarbij eerste geïntimeerde voor zoveel als nodig afstand doet van het recht van natrekking en hij dezelfde toelating verleent tot bouwen aan appellante, voor het geval zijn ouders voor hem zouden komen te overlijden, zodat de gebouwen steeds onverdeelde eigendom zullen worden en blijven van eerste geïntimeerde en appellante. M.a.w., dit beding heeft tot doel ervoor te zorgen dat bij het einde van het vruchtgebruik (ingevolge het overlijden van de vruchtgebruikers/opstalgevers en de hieraan gekoppelde overgang van de blote eigendom in volle eigendom van eerste geïntimeerde) het opstalrecht van appellante gehandhaafd en gevrijwaard blijft.

Dit beding, dat geen twijfel open laat en geen verdere interpretatie behoeft, verduidelijkt dat de uitdoving van het vruchtgebruik de rechten van appellante ongeschonden laat.

De stelling van de man, eerste geïntimeerde, dat hij thans volle eigenaar zou zijn van de grond en de opstallen, staat haaks op de draagwijdte van voornoemde bepaling.

4.1.8. Overigens is het frappant dat in de notariële akte van kredietopening met hypotheekstelling van de bank, die dateert van na de akte houdende afstand van het vruchtgebruik – en waarin de eigendomsoorsprong overigens ook deze afstand van het vruchtgebruik vermeldt – appellante ook wordt betiteld als hypotheeksteller.

4.1.9. Het bovenstaande noopt tot de conclusie dat de man en de vrouw wel degelijk (nog steeds) in onverdeeldheid zijn voor wat het opstalrecht betreft. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter de vordering van de vrouw ongegrond heeft verklaard.

Hoewel art. 815 BW, op grond waarvan elke mede-eigenaar de verdeling kan vorderen, niet van toepassing is op vrijwillige mede-eigendom (zie o.a. ook: Cass. 20 september 2013, Pas. 2013, 1733, conclusie advocaat-generaal A. Henkes), kan de weigering om uit onverdeeldheid te treden – afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval – rechtsmisbruik uitmaken. De concubant die de verdeling van het opstalrecht nastreeft, kan o.a. inroepen dat de oorzaak van de overeenkomst die gelegen is in de affectieve relatie van de deelgenoten en tot doel heeft het goed samen te kunnen beheren, door de beëindiging van de relatie geen bestaansreden meer heeft (vgl. o.a.: V. Sagaert, “Concubanten bouwen op de eigen grond van één van hen: de stilzwijgende afstand van natrekking als zakenrechtelijk beschermingsmechanisme” (noot onder Cass. 26 december 2014), RW 2015-16, (184), p. 185-186, nr. 5). Een overeenkomst die voortbouwt op een bestaande rechtsverhouding tussen de partijen, houdt op te bestaan indien de onderliggende rechtsverhouding een einde neemt waardoor iedere zin wordt ontnomen aan de verdere instandhouding van de overeenkomst. Door de beëindiging van de affectieve relatie heeft de instandhouding van het opstalrecht geen bestaansreden meer.

4.1.10. De vereffening en verdeling kan bijgevolg worden bevolen, inbegrepen de aanstelling van een notaris-vereffenaar.

4.1.11. Het spreekt voor zich dat een eventuele openbare verkoop, waartoe thans uiteraard nog geen aanleiding bestaat en waaromtrent de notaris-vereffenaar in voorkomen geval verder zal oordelen, enkel het opstalrecht van de woning kan betreffen.

4.1.12. De vordering tot vereffening en verdeling is ten aanzien van tweede en derde geïntimeerden ongegrond. Dezen zijn immers niet in onverdeeldheid met de appellante, ook niet in de periode vóór de afstand van hun vruchtgebruik, aangezien geen onverdeeldheid bestaat tussen een vruchtgebruiker en een opstalhouder.

...

4.1.14. Voor wat de initiële hoofdeis betreft is het principaal hoger beroep gegrond, in de hierboven aangegeven mate.
 

Noot: 

Vincent Sagaert, Concubanten bouwen op de eigen grond van één van hen: de stilzwijgende afstand van natrekking als zakenrechtelijk beschermingsmechanisme, noot onder voormeld arrest in het RW 2015-2016, 187.

• E. Dirix, “Vermogensrechtelijke aspecten van het concubinaat” in P. Senaeve (ed.), Concubinaat, Leuven, Acco, 1992, 209-226;

• J. Fonteyn, “La renonciation à accession au sein du couple – Une question de temps”, Rev.not.b. 2013, 82-101;

• I. Samoy, “Investeren in andermans woning bij feitelijke samenwoning” in W. Pintens, J. Du Mongh en Ch. Declerck (eds.), Patrimonium 2008, Antwerpen, Intersentia, 2008, 273-285).

• F. Baudoncq en V. Guffens, “Bouwen op andermans grond in het specifiek geval van concubinaat”, T.Not. 2003, 318-346;

• S. Bouly, “Zakenrechtelijke en vermogensrechtelijke aspecten van bouwen op de grond van een partner”, TBBR 2011, 44-52;

• S. Becqué-Ickowitz, “La construction sur le terrain d’un époux séparé de biens financée par des sommes indivises”, Rev.trim.dr. civ. 2008, 589 e.v.

• V. Sagaert, Goederenrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, nrs. 333 en 982


Rechtspraak:

• Hof van Beroep te Antwerpen, 3e Kamer – 23 maart 2016, RW 2016-2017, 588

G.N. t/ J.R., J.J. en B.M.

...

4. Beoordeling: ten gronde

4.1. Principaal hoger beroep

De eis in vereffening en verdeling – Is er sprake van een “onverdeeldheid”?

4.1.1. Opdat een vereffening en verdeling zou kunnen bevolen worden, moet er sprake zijn van een onverdeeldheid.

Een onverdeeldheid impliceert rechten van gelijke aard op hetzelfde ogenblik en dit op een zelfde goed of boedel.

Geïntimeerden, hierin bijgevallen door de eerste rechter, voeren aan dat er geen onverdeeldheid (meer) is, omdat eerste geïntimeerde, de man, enige volle eigenaar zou zijn van het onroerend goed, grond en woning, gelegen te Edegem, (...). Dit zou het geval zijn van het feit dat de ouders van de man, tweede en derde geïntimeerden, afstand hebben gedaan van het vruchtgebruik ten voordele van hun zoon, de eerste geïntimeerde, die zelf reeds blote eigenaar van de grond was ingevolge aankoop.

Deze afstand van het vruchtgebruik zou tevens impliceren dat de vrouw, appellante, geen opstalhouder meer zou zijn.

4.1.2. Uit de kadastrale bescheiden kan appellante op zich geen dienende argumenten afleiden. Deze stukken, die uitgaan van de fiscus, hebben op zich geen zelfstandige civielrechtelijke bewijswaarde; het kadaster heeft niet als eerste roeping om eigendomstitels te verschaffen die beslissend zijn in discussies van zakenrechtelijke aard, zoals deze.

4.1.3. Het staat buiten betwisting dat de grond aanvankelijk aan de man in blote eigendom toebehoorde, terwijl deze aan zijn ouders, tweede en derde geïntimeerden, toebehoorde in vruchtgebruik.

Uit de betreffende akte van 19 december 1980 blijkt dat de duur van het vruchtgebruik loopt tot aan het overlijden van de overlevende van de beide vruchtgebruikers.

De afstand van het recht van natrekking door de vruchtgebruikers riep simultaan een opstalrecht in het leven, ten voordele van de begunstigden van deze afstand, oprichters van de constructies/eigenaars van de opstallen (vgl. Cass. 19 mei 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1230).

Aangezien de man en de vrouw beiden de begunstigden waren van de afstand van het recht van natrekking, is de vrouw mede-opstalhouder/houder van een opstalrecht.

Er is geen andere lezing mogelijk van de bewuste akte, die trouwens bepaalt dat door de vruchtgebruikers (op de grond) een toelating tot bouwen wordt verleend aan hun zoon, de heer R.J. (eerste geïntimeerde), en aan mejuffrouw N.G., appellante.

Dat de afstand van het natrekkingsrecht door de vruchtgebruikers resulteert in een opstalrecht, is een gevolg van het numerus clausus-beginsel inzake zakelijke rechten. Hierdoor ontstaat een gesplitste eigendomsverhouding tussen de grond enerzijds en de opstallen anderzijds.

De toekenning van het opstalrecht gebeurde voor de wettelijke maximumduur, zoals de akte in kwestie bevestigt. Diezelfde akte bevestigt ook dat de gebouwen opgericht door eerste geïntimeerde en appellante hun eigendom blijven gedurende heel deze duur.

Voor zoveel als nodig merkt het hof op dat er sprake is van een rechtstreeks bij titel gevestigd zelfstandig zakelijk opstalrecht en niet van een accessoir opstalrecht. Het opstalrecht is dan ook geen accessorium van een andere zakelijke of persoonlijke rechtsverhouding, zoals geïntimeerden ten onrechte betogen. Hiervan is er immers enkel sprake indien het opstalrecht kadert in de toekenning van een ander zakelijk of persoonlijk recht, zoals een erfpacht, een erfdienstbaarheid, een huur/pacht, een concessie, e.d.m. Indien dan constructies worden opgericht binnen deze rechtsverhouding, kaderen de opstallen in een accessoir opstalrecht.

Een zelfstandig opstalrecht komt overigens niet alleen tot stand ingevolge een opstalcontract dat dit recht expliciet vestigt, maar ook onrechtstreeks door een afstand van het recht op natrekking (vgl. H. Vandenberghe en T. Viaene, “Actuele ontwikkelingen inzake erfpacht en opstal”, TBO 2006, (34), p. 44, nr. 36). Dit houdt o.a. ook in dat het opstalrecht in eerste instantie wordt beheerst door de Opstalwet.

4.1.4. De ouders deden nadien afstand van hun vruchtgebruik. Bij deze akte was de vrouw, appellante, geen partij.

De afstand gebeurde niet “slechts” ten voordele van de man, eerste geïntimeerde, zoals geïntimeerden beweren. Ook de man was trouwens geen partij bij de betreffende akte. De betreffende akte vermeldt, mogelijk ook om fiscale redenen, eenvoudigweg geen begunstigde; het betreft bijgevolg een volstrekt eenzijdige afstand, als abdicatieve rechtshandeling.

De afstand kan vanzelfsprekend slechts slaan op de rechten die tweede en derde geïntimeerden, afstanddoeners, alsdan (nog) hadden; dit is het vruchtgebruik op de grond. Op de constructies hadden de afstanddoeners immers geen rechten of aanspraken, ingevolge hun afstand van het recht van natrekking.

4.1.5. Door de afstand van het vruchtgebruik is de man, ingevolge de elasticiteit van het eigendomsrecht, volle eigenaar van de grond

geworden

. Hij wordt hierdoor echter geen volle eigenaar van de woning (opstallen), zodat er geen sprake is van een beëindiging van het opstalrecht, buiten de wil van appellante om. De man, die als blote eigenaar van de grond de facto ook de begunstigde is van de afstand van het vruchtgebruik door zijn ouders, kan immers niet meer rechten verkrijgen van de afstanddoeners dan dezen hadden en, zoals vermeld, hadden dezen geen rechten (meer) op de constructies/opstallen, ingevolge de eerdere afstand van het recht van natrekking. Het tijdelijk zakelijk genotsrecht (vruchtgebruik) waarvan afstand werd gedaan had enkel nog de grond als voorwerp.
4.1.6. Voor zoveel als nodig zij opgemerkt dat de afstand van het vruchtgebruik slechts relatieve werking heeft. De afstand van het vruchtgebruik door tweede en derde geïntimeerden betreft immers een buitengewone uitdovingsgrond die zijn oorzaak vindt in het handelen van tweede en derde geïntimeerden zelf, waarop appellante, die een derde is in dat verband, niet kon anticiperen, zodat het opstalrecht in verhouding tot haar hoe dan ook onverminderd blijft voortbestaan.

De afstand van het vruchtgebruik vermag immers geen afbreuk te doen aan rechten die zijn toegestaan aan derden met een concurrerend recht (zie o.a.: V. Sagaert, Beginselen van Belgisch privaatrecht. V, Goederenrecht, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 441, nr. 546 en p. 619, nr. 784).

De vrouw, appellante, is een derde met een concurrerend recht; zij was immers geen partij bij de akte houdende afstand van het vruchtgebruik en zij heeft een contractueel opstalrecht, zoals hierboven is overwogen.

De afstand van het vruchtgebruik, die enkel op de zakelijke rechten op de grond slaat, sorteert slechts rechtsgevolgen binnen de verhouding vruchtgebruiker/blote eigenaar, maar tast de eerdere rechten die de toenmalige vruchtgebruikers hadden verleend aan derden niet aan; de rechten die zijn verleend door de vruchtgebruiker gaan slechts teloor op het ogenblik dat het vruchtgebruik normaliter zou zijn opgehouden, in casu bij het overlijden van de langstlevende vruchtgebruiker, zoals de aankoopakte van de grond immers stipuleert. Dit houdt voor de vrouw/appellante in dat haar opstalrechten nog steeds onverkort bestaan.

Het feit dat de vrouw op de hoogte zou zijn geweest van deze afstand, omdat hiervan melding wordt gemaakt in de akte van kredietopening bij de bank (zie ook infra, randnr. 4.1.8.), doet aan voorgaande overwegingen geen afbreuk.

4.1.7. Bovendien meent het hof dat voornoemde beoordeling ook perfect aansluit bij het beding in de akte van 1 oktober 1992, waarbij eerste geïntimeerde voor zoveel als nodig afstand doet van het recht van natrekking en hij dezelfde toelating verleent tot bouwen aan appellante, voor het geval zijn ouders voor hem zouden komen te overlijden, zodat de gebouwen steeds onverdeelde eigendom zullen worden en blijven van eerste geïntimeerde en appellante. M.a.w., dit beding heeft tot doel ervoor te zorgen dat bij het einde van het vruchtgebruik (ingevolge het overlijden van de vruchtgebruikers/opstalgevers en de hieraan gekoppelde overgang van de blote eigendom in volle eigendom van eerste geïntimeerde) het opstalrecht van appellante gehandhaafd en gevrijwaard blijft.

Dit beding, dat geen twijfel open laat en geen verdere interpretatie behoeft, verduidelijkt dat de uitdoving van het vruchtgebruik de rechten van appellante ongeschonden laat.

De stelling van de man, eerste geïntimeerde, dat hij thans volle eigenaar zou zijn van de grond en de opstallen, staat haaks op de draagwijdte van voornoemde bepaling.

4.1.8. Overigens is het frappant dat in de notariële akte van kredietopening met hypotheekstelling van de bank, die dateert van na de akte houdende afstand van het vruchtgebruik – en waarin de eigendomsoorsprong overigens ook deze afstand van het vruchtgebruik vermeldt – appellante ook wordt betiteld als hypotheeksteller.

4.1.9. Het bovenstaande noopt tot de conclusie dat de man en de vrouw wel degelijk (nog steeds) in onverdeeldheid zijn voor wat het opstalrecht betreft. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter de vordering van de vrouw ongegrond heeft verklaard.

Hoewel art. 815 BW, op grond waarvan elke mede-eigenaar de verdeling kan vorderen, niet van toepassing is op vrijwillige mede-eigendom (zie o.a. ook: Cass. 20 september 2013, Pas. 2013, 1733, conclusie advocaat-generaal A. Henkes), kan de weigering om uit onverdeeldheid te treden – afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval – rechtsmisbruik uitmaken. De concubant die de verdeling van het opstalrecht nastreeft, kan o.a. inroepen dat de oorzaak van de overeenkomst die gelegen is in de affectieve relatie van de deelgenoten en tot doel heeft het goed samen te kunnen beheren, door de beëindiging van de relatie geen bestaansreden meer heeft (vgl. o.a.: V. Sagaert, “Concubanten bouwen op de eigen grond van één van hen: de stilzwijgende afstand van natrekking als zakenrechtelijk beschermingsmechanisme” (noot onder Cass. 26 december 2014), RW 2015-16, (184), p. 185-186, nr. 5). Een overeenkomst die voortbouwt op een bestaande rechtsverhouding tussen de partijen, houdt op te bestaan indien de onderliggende rechtsverhouding een einde neemt waardoor iedere zin wordt ontnomen aan de verdere instandhouding van de overeenkomst. Door de beëindiging van de affectieve relatie heeft de instandhouding van het opstalrecht geen bestaansreden meer.

4.1.10. De vereffening en verdeling kan bijgevolg worden bevolen, inbegrepen de aanstelling van een notaris-vereffenaar.

4.1.11. Het spreekt voor zich dat een eventuele openbare verkoop, waartoe thans uiteraard nog geen aanleiding bestaat en waaromtrent de notaris-vereffenaar in voorkomen geval verder zal oordelen, enkel het opstalrecht van de woning kan betreffen.

4.1.12. De vordering tot vereffening en verdeling is ten aanzien van tweede en derde geïntimeerden ongegrond. Dezen zijn immers niet in onverdeeldheid met de appellante, ook niet in de periode vóór de afstand van hun vruchtgebruik, aangezien geen onverdeeldheid bestaat tussen een vruchtgebruiker en een opstalhouder.

...

4.1.14. Voor wat de initiële hoofdeis betreft is het principaal hoger beroep gegrond, in de hierboven aangegeven mate.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 04/12/2016 - 11:23
Laatst aangepast op: vr, 27/01/2017 - 15:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.