-A +A

Afstand van een beroepsgrief kan gebrek aan nauwkeurigheid niet verhelpen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 18/04/2017
A.R.: 
P.17.0105.N

De afstand of de beperking van het hoger beroep die partijen kunnen doen tot op het ogenblik van de rechtszitting overeenkomstig artikel 206 Wetboek van Strafvordering of het afstand doen van een of meerdere grieven kan een gebrek aan nauwkeurigheid bij het bepalen van grieven in het verzoekschrift of het grievenformulier niet remediëren.

Evenmin volstaat het loutere feit dat een partij op de rechtszitting afstand doet van zijn hoger beroep, dit beperkt of afstand doet van een of meerdere grieven om vast te stellen dat de in het verzoekschrift of het grievenformulier bepaalde grieven niet voldoende nauwkeurig zijn bepaald.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/13
Pagina: 
1088
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(H.M. - Rolnr.: P.17.0105.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 3 januari 2017.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Middel in zijn geheel
1. Het middel voert schending aan van artikel 14, 5. IVBPR, de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 2, 1. zevende aanvullend protocol EVRM en de artikelen 204 en 206 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte vervallen van zijn hoger beroep wegens het onvoldoende nauwkeurig zijn van de grieven; de eiser heeft gebruik gemaakt van het bij koninklijk besluit vastgesteld grievenformulier waarop hij de grieven heeft aangekruist die hij aan de beoordeling van de appelrechters wenste te onderwerpen; voormeld artikel 204 vereist enkel dat de grieven nauwkeurig worden vermeld, niet dat de grieven in dit formulier worden gemotiveerd noch dat de grieven gegrond zijn; door te oordelen dat volgens het pleidooi van eisers raadsman slechts één van de acht aangekruiste grieven dienend is in hoger beroep en dat de overige grieven inaccuraat, al te vaag en niet pertinent zijn, beoordelen de appelrechters de gegrondheid van de grieven en voegen zij ten onrechte een voorwaarde toe aan artikel 204 Wetboek van Strafvordering die het niet bevat (eerste onderdeel); artikel 206, zesde lid Wetboek van Strafvordering laat de eiser toe zijn hoger beroep op de rechtszitting te beperken; uit de enkele vaststelling dat volgens het pleidooi van eisers raadsman slechts één van de aangekruiste grieven dienend is, kunnen de appelrechters dan ook niet afleiden dat de initieel geformuleerde grieven onnauwkeurig zijn, met de vervallenverklaring van het hoger beroep tot gevolg (tweede onderdeel); het oordeel dat het gegeven dat een partij ter rechtszitting bepaalde geformuleerde grieven niet langer opportuun acht, leidt tot de onnauwkeurigheid van de grieven en dus tot het verval van het hoger beroep, houdt bovendien een buitensporig formalisme in dat in strijd is met het recht op een eerlijk proces (derde onderdeel).

2. Het door artikel 6, 1. EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet om het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verhouding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden.

3. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt:

“Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in hoger beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd. (…). Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt. (…).”

Het door artikel 204, derde lid Wetboek van Strafvordering bedoelde grievenformulier werd vastgesteld met het koninklijk besluit van 18 februari 2016 tot uitvoering van artikel 204, derde lid Wetboek van Strafvordering.

4. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat:

de wetgever door het invoeren van de verplichting om de tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis geformuleerde grieven nauwkeurig te bepalen een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt en in het bijzonder nutteloze werklast en kosten wil vermijden door niet langer niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter voor te leggen;
door de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen de appellant wordt gedwongen na te denken over de wenselijkheid en de gevolgen van het instellen van het hoger beroep en de geïntimeerde dadelijk kan uitmaken welke beslissingen van het eerste vonnis worden betwist en waarover hij in hoger beroep verweer zal moeten voeren;
aan alle partijen die een hoofdberoep of volgberoep aantekenen op straffe van vervallenverklaring van dat hoger beroep de verplichting wordt opgelegd te preciseren welke punten van het in eerste aanleg gewezen vonnis zouden moeten worden gewijzigd, zonder dat zij evenwel daartoe de argumenten voor de beoogde wijzigingen dienen op te geven;
het modelgrievenformulier vooral bedoeld is voor hen die geen advocaat hebben noch een ruime scholing om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken en om hen in staat te stellen te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd;
bij een gebruik van het grievenformulier het niet de bedoeling kan zijn dat systematisch alle grieven worden aangevinkt, aangezien daardoor de beoogde doelstelling niet kan worden bereikt.
Uit het voorgaande volgt dat de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering aan een appellant opgelegde verplichting om op straffe van vervallenverklaring van het hoger beroep nauwkeurig de grieven op te geven tegen de beroepen beslissing, in overeenstemming is met artikel 6 EVRM.

5. De doelstellingen die de wetgever beoogt met de verplichting de grieven nauwkeurig te bepalen kunnen slechts worden bereikt als die verplichting wordt beoordeeld op het tijdstip waarop het verzoekschrift of het grievenformulier uiterlijk moet zijn ingediend.

De afstand of de beperking van het hoger beroep die partijen kunnen doen tot op het ogenblik van de rechtszitting overeenkomstig artikel 206 Wetboek van Strafvordering of het afstand doen van een of meerdere grieven kan een gebrek aan nauwkeurigheid bij het bepalen van grieven in het verzoekschrift of het grievenformulier niet remediëren.

Evenmin volstaat het loutere feit dat een partij op de rechtszitting afstand doet van zijn hoger beroep, dit beperkt of afstand doet van een of meerdere grieven om vast te stellen dat de in het verzoekschrift of het grievenformulier bepaalde grieven niet voldoende nauwkeurig zijn bepaald.

6. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.

Niet is vereist dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier noodzakelijk:

reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt;
enkel de meest “juiste” grief aankruist;
zijn grieven beperkt tot grieven die niet ambtshalve door de rechter kunnen worden ingeroepen;
voor elke aangekruiste grief reeds preciseert op welke telastlegging deze betrekking heeft.
7. Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite te oordelen of de appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier zijn grieven tegen het beroepen vonnis voldoende nauwkeurig heeft opgegeven, zoals vereist door artikel 204 Wetboek van Strafvordering.

8. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

9. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

de eiser als grieven heeft aangekruist: “1.1 schuldigverklaring; 1.2 kwalificatie van het misdrijf; 1.3 voorschriften betreffende de rechtspleging; 1.4 strafmaat; 1.6 niet toepassen van het gevraagde gewoon uitstel - probatie-uitstel - gewone opschorting - probatieopschorting; 1.9 verjaring; 1.10 schending EVRM; 1.11 vrijspraak A en B”;
namens de eiser werd verklaard dat het hoger beroep enkel gericht is tegen de bewezenverklaring van de feiten onder de telastleggingen A en B, en dat met uitzondering van de grief “1.1 schuldigverklaring” alle andere grieven werden aangekruist om “zeker” te spelen.
Het bestreden vonnis oordeelt op de volgende gronden dat de eiser vervallen wordt verklaard van zijn hoger beroep wegens het verzuim om al zijn grieven nauwkeurig te omschrijven:

slechts één van de acht aangekruiste grieven is dienend in hoger beroep, namelijk de grief “1.1 schuldigverklaring”;
de namens de eiser aangeduide grief “1.2 kwalificatie van het misdrijf” is volgens het pleidooi van eisers raadsman niet dienend vermits het hoger beroep enkel is gericht tegen de bewezenverklaring van de feiten; door de eiser werd ook niet gepreciseerd op welke telastlegging die grief betrekking heeft;
“hetzelfde” geldt voor de grieven 1.3, 1.4, 1.6 en 1.10;
het niet eisers bedoeling was om hoger beroep aan te tekenen omwille van een mogelijke verjaring; de grief “1.9 verjaring” is ook een aspect dat de rechtbank ambtshalve dient op te werpen vermits de verjaring van de strafvordering van openbare orde is;
de grief “1.11 vrijspraak A en B” onvoldoende nauwkeurig is vermits de juiste grief voor het verzoek te worden vrijgesproken voor de telastleggingen A en B de grief “1.1 schuldigverklaring” is.
Uit die vaststellingen blijkt dat de appelrechters zich voor de beoordeling van de nauwkeurigheid van de grieven niet plaatsen op het tijdstip waarop het verzoekschrift of het grievenformulier diende te zijn ingediend, het gebrek aan het opgeven van de redenen voor de grieven in aanmerking nemen en oordelen dat geen grief kan worden aangevoerd met betrekking tot een beslissing die de appelrechters ambtshalve moeten onderzoeken. Het bestreden vonnis kan bijgevolg niet wettig oordelen dat de eiser niet heeft voldaan aan de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering opgelegde verplichting zijn grieven voldoende nauwkeurig op te geven en kan op die grond de eiser niet vervallen verklaren van zijn hoger beroep.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de verwijzingsrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 13:53
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 13:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.