-A +A

Afstand principaal beroep en gevolg voor incidenteel beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 14/01/2013
A.R.: 
C.11.0341.N

Vermits de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen, kan hij dit doen tot aan het sluiten van het debat.

Wanneer de eiser in hoger beroep afstand van geding doet, is het incidenteel beroep van de gedaagde in hoger beroep alleen dan niet ontvankelijk, wanneer hij de afstand van geding heeft aangenomen.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.11.0341.N
1. D.V.C.,
2. E.V.C.,
eisers,
tegen
1. A.D,
2. M.V.W.,
verweerders,
3. W.V.C,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 10 september 2010.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. Het blijkt niet dat na de afstand van hoger beroep door de derde verweerder tussen deze en de eisers voor de appelrechters nog een geding bestond.
Het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de derde verweerder kan alleen strek-ken tot de bindendverklaring van het arrest.

Eerste onderdeel

2. Artikel 1054, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of voor de betekening erin berust heeft.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het incidenteel beroep echter niet kan worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.

Artikel 825, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat om geldig te zijn de af-stand van geding moet aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.

Artikel 826, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege inhoudt dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen ge-ding geweest was.

3. De afstand van geding door de eiser in hoger beroep kan niet gelijkgesteld worden met een nietigheid of laattijdigheid van het hoger beroep.

Vermits de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instel-len, kan hij dit doen tot aan het sluiten van het debat.

4. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat wanneer de eiser in hoger be-roep afstand van geding doet, het incidenteel beroep van de gedaagde in hoger beroep alleen dan niet ontvankelijk is, wanneer hij de afstand van geding heeft aangenomen.

5. De appelrechters stellen vast dat:

- de derde verweerder afstand heeft gedaan van zijn hoger beroep bij conclusie neergelegd op 26 februari 2010;

- de eisers incidenteel beroep hebben ingesteld bij conclusie neergelegd op 14 mei 2010.

Zij oordelen dat het incidenteel beroep van de eisers niet kan aangezien worden als een incidenteel beroep, maar als een hoger beroep ingesteld bij conclusie overeenkomstig artikel 1056, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Zij oordelen tevens dat het hoger beroep van de eisers dat is ingesteld meer dan een maand na de betekening van het beroepen vonnis, wegens laattijdigheid niet ontvankelijk is.

6. De appelrechters die niet vaststellen dat de eisers de afstand van geding door de derde verweerder hebben aanvaard, konden niet zonder schending van de aangewezen wetsbepalingen oordelen dat het hoger beroep van de eisers geen in-cidenteel beroep was en dit beroep wegens laattijdigheid niet ontvankelijk verklaren.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het aan de derde verweerder akte geeft van zijn afstand van het hoger beroep .
Verklaart het arrest bindend voor de derde verweerder.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer,  in open-bare rechtszitting van 14 januari 2013 uitgesproken

C.11.0341.N
Conclusie van advocaat-generaal Chr. Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan heeft deze zaak betrekking op een vordering van eerste en tweede verweerders tegen eisers en derde verweerder tot wegname van dieren, tot het kappen, minstens snoeien van twee populieren en tot het betalen van een morele schadevergoeding van 500 euro.

2. Bij vonnis van 6 november 2009 werd deze vordering door de vrederechter van het derde kanton Brugge toelaatbaar en gegrond verklaard. Eisers werden samen met derde verweerder in solidum veroordeeld tot verwijdering van de dieren op het betreffende perceel onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag, tot het rooien van de betreffende hoogstammige bomen, eveneens onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag en tot betaling aan eerste en tweede verweerders van een schadevergoeding "ex aequo et bono" begroot op 500 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en tot de kosten van het geding.

3. Bij verzoekschrift neergelegd op 1 december 2009 tekende derde verweerder hoger beroep aan tegen dit vonnis. Derde verweerder deed afstand van zijn hoger beroep bij conclusie neergelegd op 26 februari 2010.

4. Bij conclusie, neergelegd op 11 maart 2010, tekenden eisers incidenteel hoger beroep aan tegen voormeld vonnis, hen inmiddels betekend bij exploot van 23 december 2009.

5. Bij vonnis van 10 september 2010 verleende de rechtbank van eerste aanleg te Brugge aan derde verweerder akte van zijn afstand van hoger beroep en wees zij het door eisers ingestelde incidenteel beroep af als ontoelaatbaar.

6. Het cassatieberoep tegen dit arrest maakt het voorwerp uit van de huidige procedure.
Het enig cassatiemiddel

7. In het enig middel voert eiser schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 28, 820, 824, 825, 826, 1042, 1051, 1054 en 1056.4° van het Gerechtelijk Wetboek.

8. Eisers voeren in het eerste onderdeel aan dat zij gedaagden in hoger beroep bleven, ook nadat derde verweerder afstand had gedaan van zijn principaal hoger beroep alvorens eisers conclusie hadden genomen en alvorens zij bij conclusie incidenteel beroep hadden ingesteld vermits eisers in hun op 14 mei 2010 neergelegde appelconclusie, waarbij zij hun eerder bij conclusie van 11 maart 2010 ingesteld incidenteel beroep handhaafden, uitdrukkelijk stelden niet akkoord te gaan met de door derde verweerder gedane afstand van hoger beroep (1) en vermits uit de stukken waarop Uw Hof vermag acht te slaan evenmin kan worden afgeleid dat eisers de afstand van hoger beroep vanwege derde verweerder zouden hebben aangenomen (2). Eisers bleven aldus gedaagden in hoger beroep vermits enkel een afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege inhoudt dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was, ook al moest die afstand, om geldig te zijn, niet door hen worden aangenomen.

9. Als gedaagden in hoger beroep konden eisers bijgevolg incidenteel beroep instellen bij conclusie neergelegd op 11 maart 2010, ook al had derde verweerder afstand van zijn principaal beroep gedaan bij conclusie neergelegd op 26 februari 2010, alvorens eisers conclusies hadden genomen, vermits eisers die afstand nooit hebben aangenomen.

10. In het tweede onderdeel voeren eisers schending aan van de bewijskracht van het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd door derde verweerder op 1 december 2009.

Bespreking van het eerste onderdeel

11. De problematiek die door het onderdeel aan de orde wordt gesteld is deze van het lot van het incidenteel beroep wanneer de eiser in hoger beroep afstand doet van zijn hoger beroep, en meer bepaald of en in welk geval de verweerder in hoger beroep alsdan procespartij blijft.

12. Ingevolge artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1054, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft.

Luidens het tweede lid van voormeld artikel 1054 kan het incidenteel beroep echter niet worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.

Overeenkomstig artikel 1056.4° van het Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

De artikelen 820 tot en met 827 van het Gerechtelijk Wetboek regelen de afstand van geding.

De afstand kan ingevolge artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.

Artikel 825, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek preciseert dat de afstand van geding, om geldig te zijn, moet aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.

Het tweede lid van voormeld artikel 825 bepaalt dat de afstand in geval van betwisting ingewilligd of in voorkomend geval geweigerd wordt bij beslissing van de rechter.

Artikel 826 van het Gerechtelijk Wetboek tenslotte bepaalt dat afstand van geding die aangenomen is, van rechtswege inhoudt dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.

13. Artikel 1054, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient naar mijn oordeel restrictief te worden geïnterpreteerd; er kunnen geen bijkomende gevallen worden gecreëerd die het incidenteel beroep niet toelaatbaar zouden maken. Een afstand van geding door de eiser in hoger beroep in de zin van de artikelen 820, 824, 825 en 826 van het Gerechtelijk Wetboek, welke artikelen ingevolge artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn op de rechtsmiddelen, kan dan ook niet worden gelijkgesteld met een nietigheid of laattijdigheid van het hoger beroep in de zin van artikel 1054, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Uw Hof oordeelde in die zin in zijn arrest van 6 oktober 1992, en stelde daarin tevens dat "uit het geheel van de bepalingen van de artikelen 1054, 825 en 826 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat, wanneer door de eiser in hoger beroep afstand van geding is gedaan, het incidenteel beroep dat door de gedaagde in hoger beroep nadien wordt ingesteld, enkel dan niet ontvankelijk is wanneer de gedaagde in hoger beroep de afstand van geding heeft aangenomen".(1)

14. Uw Hof besliste tevens in zijn arrest van 29 november 2007 dat een gedaagde in hoger beroep tegen een partij in het geding in hoger beroep incidenteel hoger beroep kan instellen tot aan de sluiting van het debat voor de appelrechter, ook al is de termijn voor het instellen van principaal hoger beroep verstreken(2).

15. De algemene regel bij afstand van geding lijkt mij te zijn dat deze aangenomen moet worden. De uitzondering voorzien door artikel 825, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij die afstand niet moet worden aangenomen zo hij geschiedt "alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen" lijkt mij beperkt te zijn tot de conclusie van de tegenpartij over de grond van de zaak en niet het geval te viseren van een conclusie van de tegenpartij waarin deze incidenteel beroep instelt. In dit laatste geval lijkt artikel 1054, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek te primeren. Voormeld artikel 825, eerste lid, heeft het immers over een conclusie "over het onderwerp van de vordering waarvan wordt afgezien".

16. De ratio legis lijkt mij evident te zijn; wanneer een conclusie van de verweerder in hoger beroep enkel verweer beoogt over de vordering, verliest hij daartoe zijn belang wanneer eiser afstand doet van zijn hoger beroep en verliest hij ook zijn belang om zich tegen die afstand te verzetten. Wil de verweerder in hoger beroep echter van zijn appelconclusie gebruik maken om op eenvoudige en goedkope manier incidenteel beroep aan te tekenen, wat hij luidens de bewoordingen van artikel 1054, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek "te allen tijde" en dus ook na het verstrijken van de termijnen voor het principaal beroep kan doen, dan kan een afstand van het hoofdberoep hem in problemen brengen; hij kan dan ook niet geacht worden de afstand te hebben aangenomen.

17. De "automatische" geldigheid van de afstand, voorzien door artikel 825, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, lijkt mij dan ook beperkt te zijn tot het eerste geval, namelijk die waarin de verweerder in hoger beroep in conclusie enkel verweer voert over de grond van de zaak.

18. Wendt de verweerder in hoger beroep zijn conclusie aan om incidenteel hoger beroep in te stellen, kan hij niet geacht worden met de afstand te hebben ingestemd en zal het uiteindelijk de rechter toekomen de afstand al dan niet in te willigen; inmiddels blijft er een geding bestaan tussen eiser en verweerder in hoger beroep.

19. Nu de appelrechters vaststellen dat derde verweerder afstand heeft gedaan van zijn hoger beroep bij conclusie van 26 februari 2010 en dat eisers incidenteel beroep instelden bij conclusie van 14 mei 2010, maar niet vaststellen dat eisers de afstand van hoger beroep door derde verweerder hebben aanvaard, schenden zij naar mijn oordeel de als geschonden aangewezen wetsbepalingen door hun oordeel dat het hoger beroep van eisers geen incidenteel beroep was en dat dit hoger beroep wegens laattijdigheid niet ontvankelijk is.

20. Het eerste onderdeel lijkt mij dienvolgens gegrond te zijn.
Conclusie: vernietiging
_____________
(1) Cass. 16 okt. 1992, AR nr. 7904, AC 1991-92, nr. 668.
(2) Cass. 29 nov. 2007, AR C.07.0152.N, AC 2007, nr. 595.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 22/08/2017 - 11:50
Laatst aangepast op: di, 22/08/2017 - 11:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.