-A +A

Afstand hoogstammige bomen vordering tot rooien

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Torhout
Datum van de uitspraak: 
din, 23/11/2010
Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2012/263
Pagina: 
393
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

VN, en T, [ ... ] eisers, [ ... ]

tegen

DMR,[ ... ] verweerster, [ ... ]

[ ... ]

2. Rooien van bomen

1. Eisers vorderen de rooiing van de 6 bomen die zich langsheen de grens met hun perceel bevinden op grond van art. 35 Veldw.: Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.

2. Voor de bomen, waarover de vordering gaat, bestaat geen vast en erkend gebruik in het kanton. In principe geldt aldus de 2 rneter-regel.

3. Verweerster beroept zich op artikel 692 en 694 B.W. om de vordering te doen afwijzen. De percelen waarover het geding loopt zouden vroeger hebben toebehoord aan één en dezelfde eigenaar namelijk de ouders van V M. De bomenrij zou reeds in mei 1982 aanwezig zijn geweest toen de verkavelde percelen werden verdeeld.

4- Wanneer een eigenaar van een stuk grond daarop een rij bomen plant en daarna overgaat tot splitsing van dit perceel waarbij een kavel ervan onmiddellijk paalt aan de rij bomen, dan kan de eigenaar die deze kavel aankoopt de rooiing van die rij bomen niet vorderen wegens de vestiging van erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

5. Uit volgende elementen wil verweerster bewijs halen van de vestiging van dergelijke erfdienstbaarheid:

verweerster zelf heeft geen enkele boom van deze bomenrij aangeplant

de aanwezigheid van de bomenrij is een zichtbaar teken van erfdienstbaarheid onder verwijzing naar artikel 694 B.W. de door eiser opgestelde verklaring van 15 augustus 1982

de vermelding in de eigendomstitel van eisers dat de bestaande erfdienstbaarheden zouden worden geëerbiedigd en zullen worden opgelegd aan al zijn erfgenamen en rechthebbenden ten welke titel ook.

6. De percelen van de partijen behoorden inderdaad destijds toe in grotere oppervlakte en in één geheel aan de echtgenoten J V-M. Deze waren de ouders van de rechtsvoorgangers van beide partijen. J V overleed op 26 februari 1964 en zijn echtgenote op 19 januari r98r.

Samen met hun broer H werden zij ingevolge erfopvolging onverdeelde eigenaars van het geheel.

7. Er werd een verkavelingsplan opgesteld dat echt werd verklaard op I8 juni I98I door de landmeter. Bij de daaropvolgende akte verkaveling en verdeling van I6 februari I982 werd het perceel, thans eigendom van eisers, toebedeeld aan hun verkoopster M V. Het perceel, thans eigendom van verweerster, werd toebedeeld aan Ma V.

8. M V ging snel over tot verkoop van het haar aanbedeeld onroerend goed, namelijk op 9 november I982 aan eiser, destijds alleen.

9. Merkwaardig genoeg dateert de door verweerster voorgelegde verklaring van eiser, opgenomen in het document van IS augustus I982 van vóór de verkoping van het perceel.

Eiser was derhalve op dat ogenblik nog geen eigenaar, althans wordt daarvan geen bewijs voorgelegd. Wellicht was hij wel de kandidaat-koper vermits zijn naam al vermeld staat op het verkavelingsplan. In de eigendomstitel van eiser van 9 november I982 is vermeld onder de algemene voorwaarden dat hij er de eigendom het genot en het vrij gebruik vanaf dat ogenblik van had.

10. Eiser heeft aldus deze verklaring afgelegd op een ogenblik dat hij nog geen eigenaar was. Dit document kan dan ook niet als bewijs dienen van de vestiging van een conventionele erfdienstbaarheid vermits hij toen nog geen eigenaar was. Evenmin kan het tot bewijs dienen van het verlenen of het erkennen van een recht waarover hij op dat ogenblik nog niet beschikte of kon beschikken, zelfs geen persoonlijk recht (LINDEMANS, L., Erfdienstbaarheden, A.P.R., I9S8, 2I8, nr. 480 e.v.; BLOCKX, G., Erfdienstbaarheden, Vestiging van erfdienstbaarheden, in HAMELINK, P., en BLOCKX, G., Erfdienstbaarheden: algemene leer en erfdienstbaarheden door 's mensens toedoen, I.M., in O.G.P., Antwerpen, Kluwer, losbladig, I.M.6 - I, nr. r.). De enige die op dat ogenblik een recht had kunnen verschaffen aan de rechtsvoorganger van verweerster was de rechtsvoorgangster van eiser, met name M V.

11 Verder wil verweerster uit de loutere aanwezigheid van de bomenrij in augustus I982 langsheen de grensscheiding met het perceel van eisers het bewijs halen dat deze bomenrij er reeds zou geweest zijn toen beide percelen nog in één hand verenigd waren en eigendom waren van de erfgenamen V in onverdeeldheid of van de rechtsvoorgangers van deze erfgenamen.

I2. Voor deze bewering wordt geen enkel bewijselement voorgebracht. Daarentegen zien wij op het verkavelingsplan dat de percelen van partijen gescheiden werden door een gracht. Er is geen enkele aanduiding van aangeplante bomen. Het bewijs moet immers worden geleverd dat de gemeenschappelijke eigenaar die toestand heeft geschapen of wanneer de erfgenamen me-de-eigenaars deze toestand voor hun rekening hebben overgenomen. De toestand moet aldus worden beoordeeld vanuit het standpunt van de onverdeelde erfgenamen V hoe zij het gezamenlijk blok hebben geerfd en behouden tot de splisting.

I3. Het moet verder bewezen zijn dat deze toestand bestond bij de scheiding van de erven. Dit is aldus op het ogenblik van de akte verkaveling-verdeling van I6 februari I982.

I4- M V was één van de mede-eigenaars bij de splitsing. Zij was er aldus perfect van op de hoogte hoe de toestand toen was en uiteraard ook bij de verkoop die zeer snel volgde op de splitsing. Bovendien werd zij ook mede-erfgenaam van de nalatenschap van haar broer Ma op het ogenblik van diens overlijden op 20 februari 2000. Toch laat zij opnemen in de verkoopakte met eiser van 9 november I982 dat bij haar weten geen enkele erfdienstbaarheid het verkochte goed bezwaarde behalve die welke zouden kunnen voortvloeien uit de akte zelf of uit vroegere titels waarvan sprake in de oorsprong van eigendom. Noch in de verkoopakte, noch in de titels vermeld in de oorsprong van eigendom is sprake van enige erfdienstbaarheid.

De clausule in notariële akten waarin gemeld wordt dat het goed verkocht wordt met alle heersende en lijdende, voortdurende en niet voortdurende, zichtbare en onzichtbare erfdienstbaarheden kan enkel worden beschouwd als een stijlclausule die niets zegt over het werkelijk bestaan van een of andere erfdienstbaarheid.

15. Het document met de verklaring van eiser van IS augustus I982 werd opgesteld een zestal maanden na de verdeling van de eigendom van de rechtsvoorgangers van Ma V. Aan te nemen is dat juist deze laatste de bomen langs de scheidingsgrens heeft geplant. Dit kan ook worden afgeleid uit het door verweerster aangevoerde middel van de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader. Daaruit mag de erkenning door verweerster worden afgeleid dat de bomen zoals ook beschreven in de plaatsopneming daar nog geen 30 jaar staan. Mocht dit wel het geval zijn geweest dan had verweerster zich simpelweg kunnen beroepen op de dertigjarige verjaring. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de mede-eigenaars deze bomen zelf zouden hebben aangeplant gelet op de snelle verkavelingverdeling na het overlijden van hun moeder in I98r.

I6. Overigens wordt geen enkel bewijs aangedragen van de aanwezigheid van de bomen op het ogenblik van de scheiding van de percelen. Aldus zijn de voorwaarden niet vervuld voor de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

I7. Dienvolgens kan men zich ook niet beroepen op artikel 694 B.W .. In dat geval gaat het trouwens om een vroeger bestaande zichtbare erfdienstbaarheid, die tijdelijk niet meer werd uitgeoefend doordat de beide erven in handen van dezelfde eigenaar zijn gekomen, maar die herleefde vanaf de dag dat die eigenaar over één van die erven beschikt zonder hieromtrent in de akte van vervreemding iets te bedingen (Cass., 9 november I90S, Pas., I9o6, I, 44; Cass., 29 juni I90S, Pas., I90S, I, 276). In deze zaak gaat het niet om dergelijk geval.

I8. De rechtbank komt dan ook tot het besluit dat de bomen zoals vermeld in het procesverbaal van plaatsopneming van 8 december 2009 na de scheiding-deling en in strijd met artikel 37 Veldw. werden aangeplant, dus minder dan 2 m van de scheidingsgrens. De vordering tot de rooiing van deze 6 bomen is dan ook gegrond.

[ ... ]

4- Verwijdering van de hond

1. Eisers vorderen de verwijdering van de hond van verweerster op grond van artikel I382 B.W..

2. Verweerster houdt inderdaad een grote hond, namelijk een Rottweiler, op haar erf. Hiertoe heeft zij een hondenren geplaatst op het stuk van haar tuin onmiddellijk grenzend aan het perceel van eisers en tevens aan de openbare weg. De tuin van verweerster strekt zich bovendien uit over een grote oppervlakte (het gehele perceel bedraagt 2720 m2).

3. Deze hondenren is geplaatst op 4,ro m van de scheidingsgrens. De afstand van de livingmuur van eisers tot aan de scheidingsgrens is ongeveer S m .. Ter hoogte van de woning van eisers staat deze ren op een diepte van de living van ongeveer 3 m en van S m van het terras. Verweerster beweert dat de hond slechts in de hondenren wordt geplaatst wanneer haar kleinkind op bezoek komt. Zij beweert verder dat sinds de aanvang van de huidige procedure de hond omzeggens permanent in de hondenren verblijft aan de [ ... ] in [ ... ]. De hond zou aldus slechts sporadisch aanwezig zijn op het perceel van verweerster, palend aan dat van eisers.

4. Deze laatsten betwisten dit categoriek. De hond van verweerster zou zeer regelma - tig in dat kleine deel van de tuin zitten en ook in de hondenren. Daar zou hij zeer veel blaffen en huilen door ondermeer voorbijkomende joggers en voorbijrijdende fietsers.

5.• In het proces-verbaal van plaatsopneming erkent verweerster dat de hond blaft als er iemand in de nabijheid komt. Vermits de hondenren is geplaatst in het deel van de tuin palend aan de openbare weg, waar er inderdaad regelmatig fietsers en joggers voorbijkomen slaat de hond veel aan het blaffen. Bovendien ligt de hondenren zodanig dicht bij het huis van eisers, dat wanneer deze buiten komen er eveneens wordt geblaft door de hond.

[ ... ]

10. Verweerster heeft ook geanticipeerd op de onderzoeksmaatregel door de rechtbank bevolen. Immers op de dag van de plaatsopneming was de hond niet aanwezig maar was deze in de handelszaak van verweerster. Op die wijze poogde verweerster onderzoeksdaden te ontlopen.

11 Uit niets blijkt evenwel dat de aard van de hond is veranderd sedert de tussenkomst van de politie zodat mag worden aangenomen dat de hond niet minder blaft dan vroeger. Overigens is de aard van de hond vrij dominant tot agressief en wordt hij veelal als een gevaarlijke hond gecatalogeerd, zeer zeker bij niet doorgedreven training (http://en.wikipedia.org/wiki/Rottweiler). Er is geen enkel gegeven voorhanden dat verweerster de hond onderwerpt aan een doorgedreven training tot het bekomen van een sociaal gedrag. Het is trouwens om die reden dat zij de hond in de hondenren plaatst wanneer haar kleinkind er is.

12. Vooral de handelwijze van verweerster erin bestaande de hond te plaatsen in dat gedeelte van de tuin dat onmiddellijk grenst aan de woning van eisers getuigt van een gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg. Verweerster behoorde te weten dat dit zou leiden tot overlast. Haar tuin is meer dan 2700 vierkante meter groot en uitgerekend op de meest schadelijke plaats brengt zij de hond onder en plaatst zij de hondenren. Zelfs op het voorstel van de rechtbank om de hondenren te verplaatsen of de hond onder te brengen in een ander gedeelte van het tuin op een wijze waardoor de buren niet meer zouden worden gestoord, wilde verweerster niet ingaan.

13. Verweerster heeft aldus nagelaten de nodige maatregelen te nemen teneinde de schade (hinder door het blaffen) te vermijden. Ondermeer bewijst zij niet de hond te onderwerpen aan een intense training tot vermijding van het blaffen en tot het socialiseren met de buurt maar bovendien plaatst zij de hond op een plaats waar dit noodzakelijk tot schade moet leiden gelet op de aard van de hond en het gebrek aan opleiding. Dergelijke handelwijze moet worden beschouwd als een fout in de zin van artikel 1382 B.W .. De schade is van morele aard. Materiële schade wordt niet bewezen.

I4- Herstel van de schade dient te gebeuren in natura met bijkomende schadevergoeding die meer van symbolische aard is. Verweerster dient dan ook verbod te worden opgelegd de hond van het ras Rottweiler nog langer in de tuin te houden. Dit houdt in dat de hond wel in het woonhuis mag worden ondergebracht. Met tuin wordt aldus bedoeld, alles wat buiten het woonhuis ligt en deel uitmaakt van het perceel van verweerster. Verder is er schadevergoeding toe te kennen zoals hierna bepaald.

[ ... ]

OM DEZE REDENEN, DE VREDERECHTER,

[ ... ]

Beveelt verweerster de zes hoogstammige bomen (elzen), die niet op de bij de wet vereiste afstand van twee meter staan van de scheidingsgrens tussen de erven van beide partijen, en wel zoals beschreven in het P.V. van plaatsopneming van 8 december 2009, te rooien binnen de termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de betekening van onderhavig vonnis, om deze werken binnen voormelde termijn te beëindigen.

En bij gebreke hieraan binnen de gestelde termijn te voldoen, machtigt eisers tot de rooiing van voormelde bomen te doen overgaan, door een door de eerst daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder aangeduide aannemer, zo nodig met behulp van de Openbare Macht, werken op kosten van verweerster, op eenvoudige voorlegging van de factuur der werken, door de gerechtsdeurwaarder, mits naleving van alle wettelijke pleegvormen terzake.

Rechtspraak

[ ... ]

Legt verweerster het verbod op de hond van het ras Rottweiler nog langer te houden in de tuin van het perceel, gelegen te[ ... ] en dit vanaf 24 uur na de betekening van onderhavig vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van vijftig euro (€ 50,00) per vastgestelde inbreuk door een daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder.

Veroordeelt verweerster om te betalen aan eisers, de som van één euro(€ 1.00) morele schadevergoeding.

[ ... ]

Noot onder dit vonnis in het NJW Hoogstammige bomen en blaffende honden

Bronverwijzingen in deze noot

Over bomen:
Vred. Westerlo 9 januari 2006, RW 2005-06, 1354

Vred. Fontaine-l'Evêque 28 februari 2008, T. Vred. 2009, 475

Over honden

S. STIJN5, Burenhinder, Antwerpen, Story- Scientia, 2000, 441 ).

 

Noot: 

Vredegerecht te Torhout, 23 november 2010, RW 2012-2013, 909

samenvatting

Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand worden geplant; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter van de scheidingslijn worden geplant. De vordering tot rooiing kan worden afgewezen bij het bewijs van een dertigjarige verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid om dichter bij de scheidingslijn te planten of bij bewijs van verkrijging van een dergelijke erfdienstbaarheid door bestemming door de huisvader, voorafgaandelijk aan het splitsen van de beide percelen. Het recht om beplantingen op minder dan de wettelijke afstand te behouden ingevolge bezit gedurende dertig jaar, doet het recht om de beplanting te snoeien tot aan de perceelgrens niet tenietgaan.

Tekst vonnis

V.N. en T. t/ D.M.R.

...

II. Vorderingen van partijen

1. Bij het inleidend exploot werd volgende vordering gesteld:

– verweerster te veroordelen tot rooiing van de zes bomen die zich langsheen de grens met het perceel van eisers bevinden, binnen een maand na betekening van het te vellen vonnis; eisers te machtigen om de nodige rooiingswerken zelf te laten uitvoeren door een door hen aan te wijzen aannemer op kosten van verweerster, voor zover verweerster nalaat om voormelde rooiing tijdig uit te voeren;

– verweerster te veroordelen tot het verwijderen van haar honden uit de tuin van eisers, binnen vierentwintig uur na betekening van het te vellen vonnis, op straffe van een dwangsom van 50 euro per dag vertraging;

– verweerster te veroordelen in betaling aan eisers van een schadevergoeding ten bedrage van 1.000 euro;

...

3. Verweerster betwist de vordering om de redenen die hierna worden weergegeven en ontmoet.

III. Feiten en voorafgaande gegevens

1. Gegevens betreffende het perceel van eisers:

– aankoopakte: notariële akte van 9 november 1982

– kopers: eiser alleen

– verkopers: M.V.

– kadastrale gegevens:

Stad Torhout, 2e afdeling R Vstraat, perceel bouwgrond

sectie D, deel nummer 957/V

oppervlakte: 35 aren 58 centiaren

– wijziging huwelijksvermogensstelsel: notariële akte van 17 februari 1988: inbreng van bovenvermeld onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen

– akte afstand-verdeling van 16 februari 1982: voormeld onroerend goed werd toebedeeld aan mevrouw Magdalena V.

2. Gegevens betreffende het perceel van verweerster:

– aankoopakte: notariële akte van 11 september 2000

– kopers: verweerster alleen

– verkopers: V.B. Hans

– kadastrale gegevens:

Stad Torhout, 2e afdeling, woonhuis met bijgebouwen en grond

sectie D, nummer 957/H/2

oppervlakte: 27 aren 20 centiaren

– eigendomsoorsprong:

akte afstand-verdeling van 16 februari 1982: voormeld onroerend goed werd toebedeeld aan de heer Marcel V.

proces-verbaal van definitieve toewijzing van 21 mei 2000: toegewezen aan voormelde verkoper.

3. Proces-verbaal van minnelijke schikking van 27 februari 2001 tussen dezelfde partijen: akkoord van verweerster om de overhangende takken van de bomen te snoeien tegen einde maart 2001.

4. Ingebrekestellingen:

– brief van 5 januari 2007, uitgaande van eisers: verzoek tot uitvoering van snoeiwerken tegen einde januari 2007;

– brief van 17 juni 2009, uitgaande van eisers: verzoek tot beëindiging van geluidshinder door verplaatsing van het hondenpark.

5. Strafinformatie opgesteld door de lokale politie Kouter. Melding door het parket te Brugge van de seponering van de zaak.

6. Onderzoeksmaatregelen:

– tussenvonnis van 27 oktober 2009 met bevel tot plaatsopneming;

– proces-verbaal van plaatsopneming van 8 december 2009:

“in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden doen wij volgende vaststellingen:

“In de voortuin van verweerster staat een grote hondenren langs de zijde van de eigendom van eisers.

“De hond is niet aanwezig. Verweerster verklaart dat de kwestige hond een Rottweiler betreft die zij reeds een acht- à negental jaar heeft. Ze beweert dat de hond slechts gedurende drie dagen in de week op dit erf verblijft. De overige tijd zou hij bij haar verblijven op een ander adres.

“Eisers betwisten dit en zeggen dat de hond er minstens vier dagen in de week verblijft. Ze beklagen er zich over dat de hond overmatig blaft, zowel tijdens de dag als ’s nachts en op alles en nog wat reageert (voorbijrijdende fietsers, joggers ...). Ze zouden de politie reeds ’s nachts hebben opgebeld vanwege het lawaai.

“Verweerster ontkent het storend geblaf en zegt dat de hond enkel blaft als er iemand in de nabijheid komt.

“Bij meting stellen wij vast dat de afstand van de hondenren tot aan de scheidingsgrens 4,10 m bedraagt. De afstand van de livingmuur van de eigendom van eisers tot aan de grensscheiding is ongeveer 5 meter.

“De ren staat ter hoogte van de woning van eisers op ongeveer 3 meter diep van de living en 5 meter van het terras.

“De tuin van verweerster strekt zich uit over een grote oppervlakte. Achteraan de tuin is een strook grond afgezet met draad op een 34-tal meter gemeten van de achterzijde van de woning. Het betreft een droge strook grond met wat bomen en struiken. In de gracht achter deze strook grond staat water; deze gracht is duidelijk niet onderhouden

“Verweerster beklaagt zich over wateroverlast in het achterste gedeelte van haar tuin. Eisers voeren aan dat deze gracht achter de eigendom van verweerders er oorspronkelijk niet lag en destijds door verweerster zelf werd gedolven en sedert jaren niet wordt onderhouden. Verweerster ontkent dit.

“Eisers beweren de steeds bestaande gracht tegenaan de grensscheiding te onderhouden en dat deze niet de oorzaak is van wateroverlast. De buis wordt onderzocht; ze is slijkvrij.

“Wij stellen vast dat, niettegenstaande de grote regenval van de laatste dagen, het achterste gedeelte van de tuin van verweerster niet drassig ligt.

“Voorts wordt vastgesteld dat diverse hoogstammige bomen zich bevinden op minder dan twee meter van de scheidingsgrens. Het betreft zes bomen en een paar vlinderstruiken.

“Bij afstapping vanaf de straatzijde meten wij op ongeveer 28 een eerste boom, een tweede op 32 meter, een derde op 34 meter, een vierde op 36 m, een vijfde op 37,50 m en een zesde op 39 meter. Deze laatste boom bevindt zich helemaal tegen de grensscheiding.

“Het betreft met uitzondering van één boom allemaal elzen. De grote boom (Canadese populier) vooraan is naar alle waarschijnlijkheid meer dan dertig jaar oud. Eisers vorderen dan ook niet verder meer dat deze boom gerooid wordt.

“Verweerster voert aan dat eisers geen bewijs leveren dat haar hond voor lawaai- en burenhinder zorgt en is voorlopig niet bereid in te gaan op ons voorstel om de hondenren te verplaatsen in een ander gedeelte van de tuin op die wijze dat de buren niet meer gestoord worden”.

IV. Beoordeling

...

B. Rooien van bomen

1. Eisers vorderen de rooiing van de zes bomen die zich langsheen de grens met hun perceel bevinden op grond van art. 35 Veldwetboek, dat bepaalt: “Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant”.

2. Voor de bomen, waarover de vordering gaat, bestaat geen vast en erkend gebruik in het kanton. In principe geldt aldus de 2m-regel.

3. Verweerster beroept zich op art. 692 en 694 BW om de vordering te doen afwijzen. De percelen waarover het geding loopt, zouden vroeger hebben toebehoord aan één en dezelfde eigenaar, namelijk de ouders van V. Marcel. De bomenrij zou reeds in mei 1982 aanwezig zijn geweest toen de verkavelde percelen werden verdeeld.

4. Wanneer een eigenaar van een stuk grond daarop een rij bomen plant en daarna overgaat tot splitsing van dit perceel waarbij een kavel ervan onmiddellijk paalt aan de rij bomen, kan de eigenaar die deze kavel aankoopt de rooiing van die rij bomen niet vorderen wegens de vestiging van erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

5. Uit volgende elementen wil verweerster het bewijs halen van de vestiging van een dergelijke erfdienstbaarheid:

– verweerster zelf heeft geen enkele boom van deze bomenrij aangeplant;

– de aanwezigheid van de bomenrij is een zichtbaar teken van erfdienstbaarheid onder verwijzing naar art. 694 BW;

– de door eiser opgestelde verklaring van 15 augustus 1982;

– de vermelding in de eigendomstitel van eisers dat de bestaande erfdienstbaarheden zouden worden geëerbiedigd en zullen worden opgelegd aan al zijn erfgenamen en rechthebbenden in welke hoedanigheid ook.

6. De percelen van de partijen behoorden destijds inderdaad toe in grotere oppervlakte en in één geheel aan de echtgenoten J.V.-M. Deze waren de ouders van de rechtsvoorgangers van beide partijen. Jules V. overleed op 26 februari 1964 en zijn echtgenote op 19 januari 1981. Samen met hun broer Henri werden zij ingevolge erfopvolging onverdeelde eigenaars van het geheel.

7. Er werd een verkavelingsplan opgesteld dat echt werd verklaard op 18 juni 1981 door de landmeter. Bij de daaropvolgende akte van verkaveling en verdeling van 16 februari 1982 werd het perceel, thans eigendom van eisers, toebedeeld aan hun verkoopster Magdalena V. Het perceel, thans eigendom van verweerster, werd toebedeeld aan Marcel V.

8. Magdalena V. ging snel over tot verkoop van het haar toebedeelde onroerend goed, namelijk op 9 november 1982 aan eiser, destijds alleen.

9. Merkwaardig genoeg dateert de door verweerster voorgelegde verklaring van eiser, opgenomen in het document van 15 augustus 1982, van vóór de verkoping van het perceel. Eiser was derhalve op dat ogenblik nog geen eigenaar, althans wordt daarvan geen bewijs voorgelegd. Wellicht was hij wel de kandidaat-koper, omdat zijn naam al vermeld staat op het verkavelingsplan. In de eigendomstitel van eiser van 9 november 1982 is vermeld onder de algemene voorwaarden dat hij er de eigendom, het genot en het vrij gebruik vanaf dat ogenblik van had.

10. Eiser heeft aldus deze verklaring afgelegd op een ogenblik dat hij nog geen eigenaar was. Dit document kan dan ook niet als bewijs dienen van de vestiging van een conventionele erfdienstbaarheid, omdat hij toen nog geen eigenaar was. Evenmin kan het tot bewijs dienen van het verlenen of het erkennen van een recht waarover hij op dat ogenblik nog niet beschikte of kon beschikken, zelfs geen persoonlijk recht (L. Lindemans, Erfdienstbaarheden in APR, Brussel, Larcier, 1958, p. 218, nrs. 480 e.v.; G. Blockx, “Erfdienstbaarheden. Vestiging van erfdienstbaarheden” in P. Hamelink en G. Blockx, Erfdienstbaarheden: algemene leer en erfdienstbaarheden door ’s mensens toedoen in Onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, losbladig, I.M.6 – 1, nr. 1). De enige die op dat ogenblik een recht had kunnen verschaffen aan de rechtsvoorganger van verweerster, was de rechtsvoorgangster van eiser, namelijk Magdalena V.

11. Voorts wil verweerster uit de loutere aanwezigheid van de bomenrij in augustus 1982 langsheen de grensscheiding met het perceel van eisers het bewijs halen dat deze bomenrij er reeds zou zijn geweest toen beide percelen nog in één hand verenigd waren en eigendom waren van de erfgenamen V. in onverdeeldheid of van de rechtsvoorgangers van deze erfgenamen.

12. Voor deze bewering wordt geen enkel bewijselement voorgebracht. Daarentegen zien wij op het verkavelingsplan dat de percelen van partijen gescheiden werden door een gracht. Er is geen enkele aanduiding van aangeplante bomen. Het bewijs moet immers worden geleverd dat de gemeenschappelijke eigenaar die toestand heeft geschapen of wanneer de erfgenamen mede-eigenaars deze toestand voor hun rekening hebben overgenomen. De toestand moet aldus worden beoordeeld vanuit het standpunt van de onverdeelde erfgenamen V., hoe zij het gezamenlijk blok hebben geërfd en behouden tot de splitsing.

13. Het moet voorts bewezen zijn dat deze toestand bestond bij de scheiding van de erven. Dit is aldus op het ogenblik van de akte verkaveling-verdeling van 16 februari 1982.

14. Magdalena V. was één van de mede-eigenaars bij de splitsing. Zij was er aldus perfect van op de hoogte hoe de toestand toen was en uiteraard ook bij de verkoop die zeer snel volgde op de splitsing. Bovendien werd zij ook mede-erfgenaam van de nalatenschap van haar broer Marcel op het ogenblik van diens overlijden op 20 februari 2000. Toch laat zij in de verkoopakte met eiser van 9 november 1982 opnemen dat bij haar weten geen enkele erfdienstbaarheid het verkochte goed bezwaarde, behalve die welke zouden kunnen voortvloeien uit de akte zelf of uit vroegere titels waarvan sprake in de oorsprong van eigendom. Noch in de verkoopakte, noch in de titels vermeld in de oorsprong van eigendom is sprake van enige erfdienstbaarheid. De clausule in notariële akten waarin gemeld wordt dat het goed verkocht wordt met alle heersende en lijdende, voortdurende en niet-voortdurende, zichtbare en onzichtbare erfdienstbaarheden kan enkel worden beschouwd als een stijlclausule die niets zegt over het werkelijk bestaan van een of andere erfdienstbaarheid.

15. Het document met de verklaring van eiser van 15 augustus 1982 werd opgesteld een zestal maanden na de verdeling van de eigendom van de rechtsvoorgangers van Marcel V. Aan te nemen is dat juist deze laatste de bomen langs de scheidingsgrens heeft geplant. Dit kan ook worden afgeleid uit het door verweerster aangevoerde middel van de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader. Daaruit mag de erkenning door verweerster worden afgeleid dat de bomen zoals ook beschreven in de plaatsopneming daar nog geen dertig jaar staan. Mocht dit wel het geval zijn geweest, dan had verweerster zich simpelweg kunnen beroepen op de dertigjarige verjaring. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de mede-eigenaars deze bomen zelf zouden hebben aangeplant, gelet op de snelle verkaveling-verdeling na het overlijden van hun moeder in 1981.

16. Overigens wordt geen enkel bewijs aangedragen van de aanwezigheid van de bomen op het ogenblik van de scheiding van de percelen. Aldus zijn de voorwaarden niet vervuld voor de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

17. Bijgevolg kan men zich ook niet beroepen op art. 694 BW. In dat geval gaat het trouwens om een vroeger bestaande zichtbare erfdienstbaarheid, die tijdelijk niet meer werd uitgeoefend doordat de beide erven in handen van dezelfde eigenaar zijn gekomen, maar die herleefde vanaf de dag dat die eigenaar over één van die erven beschikt zonder hierover in de akte van vervreemding iets te bedingen (Cass. 9 noember 1905, Pas. 1906, I, 44; Cass. 29 juni 1905, Pas. 1905, I, 276). In deze zaak gaat het niet om een dergelijk geval.

18. De rechtbank komt dan ook tot het besluit dat de bomen zoals vermeld in het proces-verbaal van plaatsopneming van 8 december 2009 na de scheiding-deling en in strijd met art. 37 Veldwetboek werden aangeplant, dus minder dan 2 m van de scheidingsgrens. De vordering tot de rooiing van deze zes bomen is dan ook gegrond.

C. Snoeien overhangende takken Canadese populier

1. Eisers vorderen de rooiing van deze boom niet, maar wel het snoeien van de overhangende takken ervan.

2. In art. 37 Veldwetboek wordt bepaald:

“Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.

“Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe. Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken.

“Het recht om de wortels weg te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet”.

3. Ter plaatse hebben we inderdaad moeten vaststellen dat de takken van de populier overhingen op het perceel van eisers.

4. Het recht om beplantingen op minder dan de wettelijke afstand te behouden, ingevolge bezit gedurende dertig jaar, doet de rechten bepaald in art. 37 Veldwetboek niet tenietgaan (H. Bocken, I. Traest en L. De Jager, Bomen in het recht, Gent, Kluwer – Story-Scientia, 1992, p. 68, nr. 102; R. Derine, F. Van Neste en H. Vandenberghe, Zakenrecht in Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, Deel I, B, Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1974, p. 609 e.v., nr. 338). Aldus zijn eisers gerechtigd het snoeien van de boom te vorderen, zelfs al brengt dat mee dat een deel van de kruin van de boom flink moet worden ingekort en dit tot tegen de grensscheiding.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 20/07/2013 - 15:31
Laatst aangepast op: za, 20/07/2013 - 15:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.