-A +A

afstand hoogstammige bomen geen rechtsmisbruik rooiing

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Zoutleeuw
Datum van de uitspraak: 
don, 20/11/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Vrederechters
Uitgever: 
die Keure
Jaargang: 
2011/-5-6
Pagina: 
2011
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Vred. Landen-Zoutleeuw (zetel Zoutleeuw)
20 november 2008.

I. Procedure
De zaak werd ingeleid bij dagvaarding, op 8 november 2006 betekend door gerechtsdeurwaarder I., plaatsvervanger van gerechtsdeurwaarder H.
Bij tussenvonnis van 30 november 2006 werd een plaatsopneming bevolen. Deze laatste vond plaats op 11 december 2006.

Nadien werden nog volgende conclusies neergelegd:

- een conclusie van de eisende partijen, neergelegd op 3 juni 2008;
- een conclusie van de verwerende partijen, neergelegd op 8 september 2008; - een syntheseconclusie van de eisende partijen, neergelegd op 30 september 2008;
- een “aanvullende syntheseconclusie” van de eisende partijen, op de griffie toegekomen op 1 oktober 2008 (per fax) en nogmaals op 2 oktober 2008 (per gewone post);
- een syntheseconclusie van de verwerende partijen, op de griffie toegekomen op 15 oktober 2008 (per fax) en nogmaals op 20 oktober 2008 (per gewone post).
Er werd ook rekening gehouden met de bewijsstukken van de partijen.

De vrederechter heeft de middelen en conclusies van beide partijen gehoord op de openbare zitting van 13 november 2008, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen.

Op die zitting werden alle partijen geldig vertegenwoordigd door hun advocaat. Dit vonnis wordt bijgevolg op tegenspraak geveld.

De artikelen 2, 3, 30, 32 tot en met 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

II. Bijzonderste feiten en voorwerp van de vorderingen

1. Eerste eiseres is sedert 2004 eigenares van de woning te Zoutleeuw, ...veld 63 /b, en tweede eiseres, die haar afgevaardigd bestuurder is, woont in deze woning.
Verweerders zijn eigenaars van het ernaast gelegen perceel aan het ...veld 64 te Zoutleeuw.

Eiseressen zeggen dat zij langs de grens tussen beide erven, maar nog volledig op hun perceel, een betonnen boordplaat hebben ingegraven met daarboven een houten afsluiting. Deze afsluiting is volgens hen dus niet gemeen.

Verweerders hebben op hun perceel, maar dicht bij de perceelsgrens, dan weer drie zilverberken, enkele notenbomen en een naaldboom geplaatst waarvan sommige ruim 15 meter hoog zijn geworden en de afsluiting scheef aan het duwen zijn.
Eiseressen verklaren veel hinder van deze bomen te ondervinden, en dan vooral van de berken, die niet alleen veel licht wegnemen, maar ook bijna gans het jaar nu eens stuifmeel verspreiden (waarvoor tweede eiseres allergisch is), dan weer hun uitgebloeide bloesem verliezen, en in de herfst ten slotte hun bladeren.

2. Eiseressen beweren dat zij al meermaals de rooiing van deze beplantingen hebben gevraagd, maar dat verweerders daar niet willen op ingaan. Een en ander heeft tot ernstige discussies aanleiding gegeven, en zelfs tot feitelijkheden waarvoor de politie al meermaals ter plaatse diende te komen.

Volgens eiseressen zouden verweerders uit wraak al een paar strafklachten tegen hen hebben ingediend voor vermeende bouwmisdrijven (onder meer betreffende de plaatsing van de houten scheidingswand tegen de grenslijn).

3. Verweerders werden in juni 2006 door tweede eiseres reeds in verzoening opgeroepen voor dit vredegerecht, maar zij kwamen niet opdagen, zodat vaststaat dat een minnelijke regeling van het geschil niet mogelijk is.

De kennelijke vijandigheid van verweerders tegen eiseressen breidde zich om onduideljke redenen ook uit tegen de rechtbank, vermits verweerders bij de uitvoering van de plaatsopneming de rechtbank de toegang tot hun woning ontzegden, zodat de rechtbank en de aanwezige partijen en de raadslieden de tuin van verweerders slechts wisten te bereiken door zich een weg te banen doorheen het dichte struikgewas naast de woning van verweerders.

4. Eiseressen vragen op grond van artikel 36 van het Veldwetboek de rooiing van alle bomen en beplantingen die op minder dan de wettelijke afstand van de grenslijn staan, en de inkorting van alle andere planten die over de grenslijn hangen.

III. Beoordeling door de rechter

A. Ontvankelijkheid

5. Verweerders stellen in hun conclusie dat de vordering onontvankelijk is, maar zij leggen niet uit waarom.
Eiseressen hebben de vereiste hoedanigheid en belang om een rooiingsvordering in te stellen, zodat de vordering ontvankelijk verklaard kan worden.

B. De wettelijke afstand van de beplantingen

6. Tijdens de plaatsopneming werd vastgesteld dat de dennen en berken van verweerders hoogstammig zijn en dat zij veel te dicht op de grenslijn staan. Verweerders bekennen ook in hun conclusie dat de bomen op minder dan twee meter van de grens staan. Dit is in strijd met de minimale beplantingsafstanden opgelegd door artikel 35 van het Veldwetboek van 7 oktober 1886.

De rechtbank stelde vast dat ook de struiken over de grenslijn hingen.
De wettelijke sancties in dat geval zijn de rooiing van de bomen (Artikel 36 van het Veldwetboek) en het afsnijden van de overhangende takken (Artikel 37 van het Veldwetboek).

C. Afwijkende erfdienstbaarheid van plantrecht

7. Verweerders menen dat deze sancties niet kunnen toegepast worden, omdat zij over een erfdienstbaarheid beschikken om beplantingen te hebben op een kleinere dan de wettelijke minimumafstand. Zij beweren dat de vader van eerste verweerder de bomen in 1984 geplant heeft en dat hij op dat ogenblik de uitdrukkelijke toelating van zijn buren had gekregen om de bomen dichter bij de grens te plaatsen dan wettelijk toegelaten, omdat het de bedoeling was een groenscherm te creëren en een niveauverschil tussen de beide percelen in stand te houden.

Zelf wonen verweerders pas 22 jaar in hun woning (Volgens de gegevens gehecht aan de dagvaarding zijn verweerders er inderdaad sinds 9 januari 1986 gedomicilieerd) en kregen ook zij naar eigen zeggen “ongeveer meer dan 20 jaar geleden” de uitdrukkelijke toelating van de toenmalige eigenaar van de woning van eiseressen om de bomen daar te laten staan. Sindsdien zou overigens nooit nog iemand over de bomen gereclameerd hebben, behalve dan eiseressen.

8. Artikel 35 van het Veldwetboek dat de minimale beplantingsafstanden bepaalt, is slechts van aanvullend recht. Dat wil zeggen dat ervan afgeweken kan worden. Een eigenaar kan bijgevolg het recht verkrijgen om beplantingen te hebben op een kortere afstand dan deze die door artikel 35 van het Veldwetboek is voorgeschreven (Vred. Westerlo 9 januari 2006, RW 2005-06, 1354.). Dit recht is een erfdienstbaarheid, zodat de opeenvolgende eigenaars van het lijdend erf de beperking voortvloeiend uit de erfdienstbaarheid zullen moeten aanvaarden.

De bewijslast van het bestaan van een erfdienstbaarheid rust op degene die zich op die erfdienstbaarheid beroept. Het zijn met andere woorden verweerders die moeten aantonen dat er ten voordele van hun erf een erfdienstbaarheid van plantrecht op een kortere dan de wettelijk toegelaten minimumafstand werd gevestigd.

9. Een erfdienstbaarheid om planten te hebben op een kortere dan de wettelijk toegelaten afstand is een erfdienstbaarheid die door ‘s mensen toedoen gevestigd wordt. Bijgevolg kan zij slechts op drie manieren tot stand komen, met name door een titel (artikelen 690-691 van het Burgerlijk Wetboek), door dertigjarig bezit (zelfde wetsartikelen) of door de zogenoemde “bestemming door de huisvader” (artikelen 692-693 van het Burgerlijk Wetboek).

10. Zonder enige nadere uitleg te geven, beweren verweerders in hun conclusie dat de erfdienstbaarheid door verjaring verkregen werd.

Dertigjarige verjaring is echter onmogelijk, vermits verweerders zelf erkennen dat de bomen pas in 1984 werden aangeplant en er sedertdien nog geen dertig jaar verstreken is.

11. Verweerders beweren in hun conclusie vervolgens dat de erfdienstbaarheid is ontstaan door bestemming door de huisvader.

Bestemming door de huisvader is een daad waarbij een eigenaar van twee erven tussen beide een materiële toestand schept die een erfdienstbaarheid zou uitmaken, indien de erven aan twee onderscheiden eigenaars zouden toebehoren (DEKKERS EN DIRIX, Handboek Burgerlijk Recht, dl. II, Zakenrecht, zekerheden, verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2005, 274, nr. 690). De erfdienstbaarheid kan bijgevolg alleen ontstaan indien bewezen wordt dat de twee erven eerst aan één en dezelfde eigenaar toebehoorden en dat zij nadien juridisch werden gescheiden, nadat de eerste eigenaar een toestand van erfdienstbaarheid had gecreëerd (Zie artikel 693 van het Burgerlijk Wetboek ).
Verweerders bewijzen echter niet (en beweren niet eens) dat hun perceel en dat van eiseressen aan één eigenaar toebehoorden op het ogenblik van de aanplanting van de bomen. Integendeel erkennen zij zelf in hun conclusie dat de bomen door hun vader “in onderling overleg met de buren” geplant werden “op minder dan 2 meter van
de scheidingsgrens met het perceel” met de bedoeling een niveauverschil te ondersteunen aangezien de grond “van de toenmalige buren” ruim 80 cm lager lag. Hiermee bekennen zij ondubbelzinnig dat hun vader op het moment van de aanplanting geen eigenaar was van beide percelen samen, dat het erf van eiseressen toen integendeel eigendom was van andere buren, en dat de bomen
op minder dan 2 meter van de toen reeds bestaande grenslijn werden gezet.
De erfdienstbaarheid kan dus geenszins door bestemming door de huisvader zijn ontstaan.
12. Er rest verweerders bijgevolg enkel nog de mogelijkheid om het ontstaan van de beweerde erfdienstbaarheid door titel te bewijzen.
De bewijslevering van een conventionele erfdienstbaarheid, welke het bewijs van het bestaan van een titel vereist, dient overeenkomstig het gemeen recht te gebeuren (Rb. Antwerpen 7 juni 2002, TBBR 2004, 445; G. BLOCKX, F. LENS EN L. WYNANT, Erfpacht, opstal en erfdienstbaarheden, Mechelen, Kluwer, 2006, 197; Vred. Westerlo 26 september 1997, T.Vred. 1999, 248).
Waar het bewijs van een erfdienstbaarheid het bewijs van materiële feiten insluit, mag dit met alle mogelijke middelen geleverd worden (DEKKERS EN DIRIX, o.c., 280, nr. 707.). Dat betekent dat ook het bewijs met getuigenissen en vermoedens mogelijk is, maar dat, zodra de waarde van het geschil 375 euro overstijgt, de titel van vestiging overeenkomstig artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek alleen met een geschrift bewezen mag worden.
Verweerders geven toe dat er geen schriftelijke overeenkomst of andere geschreven titel (bv. een testament) bestaat waaruit een erfdienstbaarheid zou blijken. Zij beweren dat de erfdienstbaarheid mondeling werd toegestaan door de vroegere eigenaars van het perceel van eiseressen. Zij leiden dat akkoord af uit het jarenlange stilzwijgen van de buren, minstens vragen zij om het mondelinge akkoord met getuigenissen te mogen bewijzen.
13. Eiseressen menen dat geen getuigenbewijs mogelijk is omdat er zelfs geen begin van bewijs door geschrift bestaat. Hiermee verwijzen zij, zonder het artikel zelf te vermelden, duidelijk naar artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek, dat zegt dat een vordering met een hogere waarde dan 375 euro niet met getuigenissen (En evenmin met vermoedens: zie artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek) mag bewezen worden, tenzij indien er een begin van geschreven bewijs bestaat. Eiseressen beroepen zich bijgevolg impliciet, maar ondubbelzinnig op het verbod tot het houden van een getuigenverhoor op grond van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek, omdat de waarde van de erfdienstbaarheid hoger is dan 375 euro.
Die waarde komt overeen met de meer- of minderwaarde, die de erfdienstbaarheid betekent respectievelijk voor het heersend en dienstbaar erf (Vred. Zelzate 27 april 2006, TBBR 2007, 532, noot J. KOKELENBERG «Gods (afval)water over Gods akker laten lopen: erfdienstbaarheid, burenhinder of geen van beiden?»; Rb. Marche-en-Famenne
25 maart 1933, BJ 1933, 437; Onroerend goed in de praktijk, I.M.7, 8, nr. 4.2.).

De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van beplantingen op een kleinere afstand van de grenslijn dan wettelijk toegelaten, een ernstige minderwaarde veroorzaakt aan het lijdende erf van de buren, die het bedrag van 375 euro sterk overstijgt.

Bomen die te dicht op de grens staan nemen alleszins licht weg van het lijdend erf en verhinderen een goede luchtcirculatie langs de gevel. Verweerders geven in hun conclusie ook toe dat het algemeen geweten is dat een berkenboom “door het jaar heen het nodige afval oplevert”. Kopers van het lijdend erf zullen bijgevolg afgeschrikt worden door en in de prijszetting alleszins rekening houden met het constante meerwerk dat het afval van de onregelmatig geplante bomen met zich meebrengt (opkuisen van bladeren, takken, zaaddoosjes, leegmaken van dakgoten, enz.).

Omgekeerd is één van de voornaamste argumenten van verweerders om zich tegen de rooiing van de bomen te verzetten de “grote emotionele waarde” van de bomen (omdat die nog werden aangeplant door de vader van eerste verweerder), bieden de bomen hen privacy en verhinderen zij naar eigen zeggen het afkalven van hun hoger gelegen perceel (waardoor zij dus andere en kostelijkere verstevigingswerken uitsparen). Er dient bijgevolg aangenomen te worden dat de waarde van de erfdienstbaarheid bijgevolg veel hoger is dan 375 euro.

Hieruit volgt dat geen bewijs met getuigenissen of vermoedens kan toegelaten worden en dat uit het gebrek aan geschrift volgt dat verweerders er niet in slagen het bestaan te bewijzen van een conventionele erfdienstbaarheid van plantrecht op kortere afstand dan wettelijk toegelaten.

D. Rechtsmisbruik

14. Volgens verweerders plegen eiseressen rechtsmisbruik door de rooiing van de bomen te vorderen, omdat zij geen hinder van de bomen ondervinden.

Voor de vordering tot rooiing van bomen die geplant werden in strijd met wettelijke voorschriften van artikel 35 van het Veldwetboek, is niet vereist dat de bomen hinder of schade zouden veroorzaken (Cass. 30 april 1981, RW 1981-82, 2410.). Zodra de wettelijke afstand niet is gerespecteerd moet de vordering tot rooiing ingewilligd worden, ongeacht het bestaan van schade en/of overlast. Het is de wet zelf die het bestaan van de schade impliceert (Vred. Sint-Kwintens-Lennik 1 december 1997, AJT 1998-99, 275.).

15. Er wordt wel aangenomen dat een vordering tot rooiing van onwettig geplante bomen rechtsmisbruik kan uitmaken, met name wanneer het recht tot rooiing wordt uitgevoerd zonder redelijk belang. Dat is meer speciaal het geval wanneer de door de rooiing veroorzaakte schade buiten verhouding zou zijn met het nagestreefde voordeel voor eiseressen.

Er dient daarbij echter opnieuw benadrukt te worden dat het recht tot rooiing gesteund is op de wet zelf, zonder dat de wet enige bijkomende voorwaarde van schade in hoofde van de rechthebbende stelt. Beweren, zoals verweerders doen, dat het instellen van een rooiingsvordering automatisch rechtsmisbruik uitmaakt wanneer de eiser niet bewijst dat de bomen schade berokkenen, is een ontoelaatbare uitholling van artikel 36 van het Veldwetboek dat zelf geen schade vereist. Bijgevolg zal het rechtsmisbruik zeer strikt en zeer beperkend moeten worden toegepast.

16. Vooreerst moet het bewezen zijn dat de nabuur hoe dan ook geen enkele schade van de onrechtmatig geplante bomen ondervindt. Dit is hier niet het geval.

Uit de schriftelijke getuigenverklaringen van de laatste twee rechtsvoorgangers van eiseressen blijkt integendeel dat de bomen van verweerders wel degelijk hinderlijk zijn en dat zij daardoor al van in het begin een bron van ergernis en aanhoudende burenruzies zijn.

Tijdens het plaatsbezoek werd ook vastgesteld dat de bomen en struiken sterk overhingen over de perceelsgrens. Uit het fotodossier van verweerders zelf blijkt overigens duidelijk hoe de bomen tot ver over de grens en zelfs bijna tot over het dak van eiseressen overhangen en het pad naast de woning van eiseressen zowat overkoepelen. Verweerders spreken de bewering van eiseressen niet tegen dat eiseressen jaarlijks nieuwe planten naast het pad moeten zetten, omdat er te weinig licht is, noch dat zij binnenskamers regelmatig last van vocht hebben omdat de buitengevels bij gebrek aan zonlicht onvoldoende opdrogen.

Het staat bijgevolg vast dat eiseressen daardoor schade lijden door overschaduwing, afvallende bladeren, “katjes” en zaaddoosjes van de berken, enzovoort. Verweerders erkennen in hun conclusie overigens zelf dat vooral de berken heel het jaar door voor veel afval zorgen.

Hetzelfde kan gezegd worden van de, weliswaar onzichtbare, wortels.
Verder kan men zich afvragen welk nadeel verweerders lijden door de eventuele rooiing van de bomen. De bomen hebben geen esthetische waarde. Bovendien betreft het niet zeer waardevolle bomen. In de mate dat de bomen al nodig zouden zijn om het niveauverschil tussen de twee erven te verstevigen, kunnen bij eventuele rooiing gemakkelijk nieuwe, vervangende aanplantingen gebeuren met dezelfde functie. Door de rooiing wordt aan de eigendom van de verweerders geen onherstelbare schade toegebracht.

E. Afstand van recht
17. In tegenstelling tot wat verweerders aanvoeren, houdt de aankoop van een perceel, wetende dat op het aangelande erf bomen te dicht op de grenslijn staan, geenszins de verzaking van de koper in aan zijn wettelijk recht om de rooiing van de onwettig geplante bomen te eisen. De koper treedt immers eenvoudig in de rechten van zijn rechtsvoorganger.

F. Overhangende takken

18. Dat de struiken en bomen die wel op voldoende afstand geplant zijn geen overhangende takken mogen hebben, wordt niet betwist.

Verweerders dienen bijgevolg ook veroordeeld te worden om deze overhangende takken te snoeien.

G. Eigenrichting

19. De bewering van verweerders dat eiseressen het recht in eigen handen zouden genomen hebben door zelf reeds takken te verwijderen, is niet bewezen.
Bovendien is dit verweermiddel irrelevant, vermits verweerders daar geen concrete gevolgen voor de huidige vordering aan vastkoppelen. Hun stelling “degene die eigenrichting uitvoert kan niet bevestigd worden in deze houding” is uiteraard correct, maar heeft geen invloed op de rooiingsvordering van eiseressen, die precies aantoont dat eiseressen geen (verdere) eigenrichting willen plegen.

H. Voorlopige tenuitvoerlegging

20. Krachtens artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de laatste conclusie van een partij altijd de vorm van een syntheseconclusie aan, die alle vorige conclusies en de inleidende akte vervangt.

Vermits eiseressen in hun conclusie hun vordering uit de dagvaarding tot voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis niet hernemen, dienen zij bijgevolg geacht te worden die vordering niet langer te handhaven.

IV. Uitspraak
Om alle bovenstaande redenen verklaart de vrederechter de vordering ontvankelijk en gegrond. De vrederechter beveelt de verwerende partijen om binnen de maand na de betekening van dit vonnis op hun erf te Zoutleeuw, ...veld 64 alle berken en dennen die op minder dan twee meter van de grenslijn met het erf van eiseressen staan, en alle struiken die op minder dan een halve meter van de grenslijn met het erf van eiseressen staan, te rooien, en om alle overhangende takken van de andere beplantingen te verwijderen tot aan de grenslijn.

De vrederechter veroordeelt beide verweerders in solidum tot betaling van een dwangsom van 50 euro per dag vertraging in de uitvoering van deze werken, en tot betaling van de proceskosten van eiseressen.

De proceskosten worden aan de zijde van de eisende partijen samen bepaald op 181,68 euro voor dagvaarding en rolstelling, 23,06 euro kosten van de plaatsopneming en 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding, en aan de zijde van de verwerende partijen samen op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 20/12/2011 - 23:42
Laatst aangepast op: di, 20/12/2011 - 23:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.