-A +A

Afstand hoogstammige bomen en rechten verworven ingevolge verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Kapellen
Datum van de uitspraak: 
zat, 12/11/2011
A.R.: 
11A550
Publicatie
tijdschrift: 
enkel gepubliceerd op deze site
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

VREDEGERECHT van het kanton KAPELLEN

Rolnummer.: 11A550

VONNIS

Op de buitengewone openbare terechtzitting van maandag, twaalf november tweeduizend en twaalf, in de gerechtszaal van het Vredegerecht van het kanton KAPELLEN, wordt door Michel HENQUIN, plaatsvervangend vrederechter bijgestaan door Cathy SMOUT, griffier, het volgende vonnis uitgesproken :

INZAKE :

E.F., wonende te 2000 ANTWERPEN, […], hebbende als raadsman mr Sven GONDRY, advocaat te 2020 Antwerpen, Volhardingsstraat 71

eisende partij op verzet;

TEGEN :

D.H. wonende te 2920 KALMTHOUT, […] hebbende als raadsman mr Sylvie DOGGEN, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122/15

verwerende partij op verzet;

Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning in verzet van 8 september 2011;

[…]

Gelet op het tussenvonnis dd. 23 november 2012 tot aanstelling van een deskundige.

Gelet op de neerlegging van het deskundig verslag van dhr. Joris dd. 19 april 2012.

[…]

Gelet op art. 323 Ger.W. en na herneming van de zaak.

Het verzet van eiser op verzet strekt tot het te niet doen van het bestreden vonnis dd° 27 juli 2011 en opnieuw rechtdoende :

- Akte te verlenen aan eiser op verzet dat hij inmiddels drie dode dennen op zijn terrein heeft laten kappen

- Te zeggen voor recht dat eiser op verzet ingevolge verkrijgende verjaring het recht heeft verworven om bomen op zijn erf te hebben ingeplant op een afstand van minder dan twee meter ten opzichte van de perceelsgrens met het pand van verweerster op verzet

- Derhalve het overige van de oorspronkelijke vordering van verweerster op verzet af te wijzen als ongegrond

In ondergeschikte orde vordert eiser op verzet dat hem een redelijke termijn wordt verleend om tot rooiing over te gaan van drie Amerikaanse eiken, met veroordeling van verweerster op verzet tot de kosten van de beide procedures, waarbij eiser op verzet akkoord gaat om de rechtsplegingsvergoeding te begroten op het minimumtarief;

Verweerster op verzet erkent dat eiser op verzet inmiddels tot het kappen is overgegaan van de dode dennen;

Voor het overige vraagt zij de bevestiging van het verstekvonnis (rooien van drie Amerikaanse eiken op straf van dwangsom, en snoeien van overhangende takken op straf van dwangsom);

Zij stelt ook twee eisen die zij in haar oorspronkelijke vordering niet had gesteld, namelijk de veroordeling van eiser op verzet om de toekomstige groei van alle bomen waarvan de takken over haar perceel hangen, binnen redelijke perken te houden, en veroordeling van eiser op verzet tot betaling van 5.000,00 euro vermeerderd met de gerechtelijke intresten hoofdens schadevergoeding;

In ondergeschikte orde wat de Amerikaanse eiken betreft, vordert zij de veroordeling van eiser op verzet om deze te snoeien tot tegen de stam tot aan de hemelgrens op straf van dwangsom, en bevestiging van haar vordering zowel wat betreft het snoeien van de overhangende takken als de schadevergoeding, met machtiging voor verweerster op verzet om de overhangende takken zelf te snoeien teneinde de gevaarssituatie te beperken;

Tenslotte vordert zij de veroordeling van eiser op verzet tot de kosten van beide gedingen;

Verweerster op verzet is eigenares van het pand […] te 2920 Kalmthout, door aankoop in de maand november 2010;

Eiser op verzet is ingevolge het overlijden van zijn moeder op […] 2011 eigenaar van het naastgelegen pand kadastraal gelegen 1 afdeling F 30Y (volgens de dagvaarding gekend met als adres […], doch volgens aanvraag kapvergunning (stuk 1 eiser op verzet) gelegen […];

Partijen weten echter duidelijk over welk perceel het gaat, namelijk dit rechts gelegen ten opzichte van het eigendom van eiseres gezien van aan de straatzijde;

Verweerster op verzet vorderde de verwijdering van twee dode dennen en van drie Amerikaanse eiken, ingeplant op het perceel van eiser op verzet tegen de perceelsgrens;

Tevens vorderde zij veroordeling van eiser op verzet tot het afsnijden van alle overhangende takken;

Bij vonnis dd° 27.07.2011 gewezen bij verstek lastens eiser op verzet werd deze vordering gegrond verklaard;

Uit het deskundig verslag blijkt overduidelijk dat de kwestieuze bomen meer dan dertig jaar oud zijn.

Dit wordt door geen van de partijen betwist.

Derhalve kan eiser op verzet zich terecht beroepen op de verjaring om de verwijdering van de 3 bomen te betwisten.

Bovendien dient vastgesteld te worden dat de beide percelen in een gebied "woonbos" liggen zoals bepaald door de gemeente Kalmthout zodat het verwijderen van gezonde bomen een uitzondering dient te blijven.

Terzake dient eveneens verwezen te worden naar de bevindingen van de deskundige die heeft vastgesteld dat er geen gevaar is voor de woning van verweerster op verzet aangezien de bomen voldoende ver van de gevel staan.

De deskundige weerhoudt evenmin een risico tijdens normale weersomstandigheden voor de huisgenoten van verweerster op verzet (cfr. deskundige verslag p. 16 laatste 2 paragrafen).

Het verwijderen van de bomen lijkt dan ook niet aangewezen.

 

In casu is er ingevolge het ruimtelijk structuurplan van de gemeente Kalmthout wel een vast en erkend gebruik, nl. het behouden van het boskarakter van het gebied "woonbos".

Het ingeroepen artikel is in casu dan ook niet van toepassing.

Blijft het verzoek van verwerende partij op verzet tot het snoeien van de overhangende takken.

Aangezien in ons tussenvonnis van 23 november 2011 reeds het bestreden vonnis van 27 juli 2011 bevestigd werd voor wat betreft het afsnijden van de overhangende takken van alle bomen ingeplant op het erf van eiser op verzet, behoudens de 3 kwestieuze Amerikaanse eiken, dient deze vordering gelezen te worden als enkel voor deze 3 bomen.

Aangezien de deskundige in zijn verslag op p. 17 aangegeven heeft dat het snoeien mogelijk is zonder te raken aan de essentiële bestanddelen van de bomen.

Aangezien uit de debatten gebleken is dat de bomen tot op heden echter niet gesnoeid werden, doch dat evenmin het bewijs werd voorgebracht door verweerster op verzet dat dit sinds ons tussenvonnis gevorderd werd, lijkt de gevorderde dwangsom zoals thans gevraagd, voorbarig.

Eiser op verzet heeft immers uitdrukkelijk bevestigd akkoord te zijn om de nodige snoeiwerkzaamheden uit te voeren. Zowel eiser op verzet als de deskundige geven aan dat dit in de maanden januari - februari kan uitgevoerd worden, zodat het gepast is om het snoeien van de 3 Amerikaanse eiken te bevelen overeenkomstig de bepalingen van de deskundige tegen eind januari 2013.

Indien de snoeiwerkzaamheden tegen 31 januari 2013 niet uitgevoerd worden, kan een dwangsom van € 25,00 per boom en per dag vertraging toegekend worden.

Wat de gevorderde schadevergoeding betreft, dient te worden vastgesteld dat er van de beweringen van verweerster op verzet geen bewijzen worden voorgelegd.

Indien men een woning/perceel aankoopt in een gebied dat gekend is als "woonbos", dient men hiermee rekening te houden bij zijn verdere plannen i.v.m. de aanleg van zijn tuin. Het gegeven dat er op het belendende perceel bomen staan, doet hier geen afbreuk aan.

Als er al vertraging zou zijn in de aanleg van de tuin van verweerster op verzet -waar geen bewijs van voorgelegd wordt - blijkt niet dat dit aan huidig geschil kan worden verweten. Bovendien blijkt uit niets waarom verweerster op verzet niet rustig van haar tuin zou kunnen genieten, nu de deskundige heeft vastgesteld dat er geen risico's zijn tenzij men bij stormen onder de bomen gaat wandelen, wat niet het gedrag is van een normaal voorzichtig persoon.

De gevorderde schadevergoeding dient dan ook afgewezen te worden.

OM DEZE REDENEN,

Wij, Vrederechter voornoemd,

Rechtdoende op tegenspraak,

Ons tussenvonnis dd. 23 november 2011 verder uitwerkend.

Bevelen dat de 3 Amerikaanse eiken gesnoeid dienen te worden zoals beschreven door de deskundige, te weten het weghalen van alle dode takken, enkele zware zijtakken (gesteltakken) weghalen en de overhellende kruinen uitdunnen voor maximaal Vs van het volume en dit uiterlijk tegen 31 januari 2013.

Bij gebreke aan het uitvoeren van de snoeiwerken tegen 31 januari 2013, wordt een dwangsom van E 25,00 per boom en per dag vertraging toegekend, met een maximum van 2.500,00.

Rechtdoende op de kosten, zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten dient te dragen en slaan de rechtsplegingsvergoeding om.

Wijzen het meer- en/of andersgevorderde af.

Aldus gewezen en uitgesproken, plaats en datum als hierboven. Wij en de griffier tekenen.

 

Noot: 

Vredegerecht te Torhout, 23 november 2010, RW 2012-2013, 909

samenvatting

Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand worden geplant; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter van de scheidingslijn worden geplant. De vordering tot rooiing kan worden afgewezen bij het bewijs van een dertigjarige verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid om dichter bij de scheidingslijn te planten of bij bewijs van verkrijging van een dergelijke erfdienstbaarheid door bestemming door de huisvader, voorafgaandelijk aan het splitsen van de beide percelen. Het recht om beplantingen op minder dan de wettelijke afstand te behouden ingevolge bezit gedurende dertig jaar, doet het recht om de beplanting te snoeien tot aan de perceelgrens niet tenietgaan.

Tekst vonnis

V.N. en T. t/ D.M.R.

...

II. Vorderingen van partijen

1. Bij het inleidend exploot werd volgende vordering gesteld:

– verweerster te veroordelen tot rooiing van de zes bomen die zich langsheen de grens met het perceel van eisers bevinden, binnen een maand na betekening van het te vellen vonnis; eisers te machtigen om de nodige rooiingswerken zelf te laten uitvoeren door een door hen aan te wijzen aannemer op kosten van verweerster, voor zover verweerster nalaat om voormelde rooiing tijdig uit te voeren;

– verweerster te veroordelen tot het verwijderen van haar honden uit de tuin van eisers, binnen vierentwintig uur na betekening van het te vellen vonnis, op straffe van een dwangsom van 50 euro per dag vertraging;

– verweerster te veroordelen in betaling aan eisers van een schadevergoeding ten bedrage van 1.000 euro;

...

3. Verweerster betwist de vordering om de redenen die hierna worden weergegeven en ontmoet.

III. Feiten en voorafgaande gegevens

1. Gegevens betreffende het perceel van eisers:

– aankoopakte: notariële akte van 9 november 1982

– kopers: eiser alleen

– verkopers: M.V.

– kadastrale gegevens:

Stad Torhout, 2e afdeling R Vstraat, perceel bouwgrond

sectie D, deel nummer 957/V

oppervlakte: 35 aren 58 centiaren

– wijziging huwelijksvermogensstelsel: notariële akte van 17 februari 1988: inbreng van bovenvermeld onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen

– akte afstand-verdeling van 16 februari 1982: voormeld onroerend goed werd toebedeeld aan mevrouw Magdalena V.

2. Gegevens betreffende het perceel van verweerster:

– aankoopakte: notariële akte van 11 september 2000

– kopers: verweerster alleen

– verkopers: V.B. Hans

– kadastrale gegevens:

Stad Torhout, 2e afdeling, woonhuis met bijgebouwen en grond

sectie D, nummer 957/H/2

oppervlakte: 27 aren 20 centiaren

– eigendomsoorsprong:

akte afstand-verdeling van 16 februari 1982: voormeld onroerend goed werd toebedeeld aan de heer Marcel V.

proces-verbaal van definitieve toewijzing van 21 mei 2000: toegewezen aan voormelde verkoper.

3. Proces-verbaal van minnelijke schikking van 27 februari 2001 tussen dezelfde partijen: akkoord van verweerster om de overhangende takken van de bomen te snoeien tegen einde maart 2001.

4. Ingebrekestellingen:

– brief van 5 januari 2007, uitgaande van eisers: verzoek tot uitvoering van snoeiwerken tegen einde januari 2007;

– brief van 17 juni 2009, uitgaande van eisers: verzoek tot beëindiging van geluidshinder door verplaatsing van het hondenpark.

5. Strafinformatie opgesteld door de lokale politie Kouter. Melding door het parket te Brugge van de seponering van de zaak.

6. Onderzoeksmaatregelen:

– tussenvonnis van 27 oktober 2009 met bevel tot plaatsopneming;

– proces-verbaal van plaatsopneming van 8 december 2009:

“in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden doen wij volgende vaststellingen:

“In de voortuin van verweerster staat een grote hondenren langs de zijde van de eigendom van eisers.

“De hond is niet aanwezig. Verweerster verklaart dat de kwestige hond een Rottweiler betreft die zij reeds een acht- à negental jaar heeft. Ze beweert dat de hond slechts gedurende drie dagen in de week op dit erf verblijft. De overige tijd zou hij bij haar verblijven op een ander adres.

“Eisers betwisten dit en zeggen dat de hond er minstens vier dagen in de week verblijft. Ze beklagen er zich over dat de hond overmatig blaft, zowel tijdens de dag als ’s nachts en op alles en nog wat reageert (voorbijrijdende fietsers, joggers ...). Ze zouden de politie reeds ’s nachts hebben opgebeld vanwege het lawaai.

“Verweerster ontkent het storend geblaf en zegt dat de hond enkel blaft als er iemand in de nabijheid komt.

“Bij meting stellen wij vast dat de afstand van de hondenren tot aan de scheidingsgrens 4,10 m bedraagt. De afstand van de livingmuur van de eigendom van eisers tot aan de grensscheiding is ongeveer 5 meter.

“De ren staat ter hoogte van de woning van eisers op ongeveer 3 meter diep van de living en 5 meter van het terras.

“De tuin van verweerster strekt zich uit over een grote oppervlakte. Achteraan de tuin is een strook grond afgezet met draad op een 34-tal meter gemeten van de achterzijde van de woning. Het betreft een droge strook grond met wat bomen en struiken. In de gracht achter deze strook grond staat water; deze gracht is duidelijk niet onderhouden

“Verweerster beklaagt zich over wateroverlast in het achterste gedeelte van haar tuin. Eisers voeren aan dat deze gracht achter de eigendom van verweerders er oorspronkelijk niet lag en destijds door verweerster zelf werd gedolven en sedert jaren niet wordt onderhouden. Verweerster ontkent dit.

“Eisers beweren de steeds bestaande gracht tegenaan de grensscheiding te onderhouden en dat deze niet de oorzaak is van wateroverlast. De buis wordt onderzocht; ze is slijkvrij.

“Wij stellen vast dat, niettegenstaande de grote regenval van de laatste dagen, het achterste gedeelte van de tuin van verweerster niet drassig ligt.

“Voorts wordt vastgesteld dat diverse hoogstammige bomen zich bevinden op minder dan twee meter van de scheidingsgrens. Het betreft zes bomen en een paar vlinderstruiken.

“Bij afstapping vanaf de straatzijde meten wij op ongeveer 28 een eerste boom, een tweede op 32 meter, een derde op 34 meter, een vierde op 36 m, een vijfde op 37,50 m en een zesde op 39 meter. Deze laatste boom bevindt zich helemaal tegen de grensscheiding.

“Het betreft met uitzondering van één boom allemaal elzen. De grote boom (Canadese populier) vooraan is naar alle waarschijnlijkheid meer dan dertig jaar oud. Eisers vorderen dan ook niet verder meer dat deze boom gerooid wordt.

“Verweerster voert aan dat eisers geen bewijs leveren dat haar hond voor lawaai- en burenhinder zorgt en is voorlopig niet bereid in te gaan op ons voorstel om de hondenren te verplaatsen in een ander gedeelte van de tuin op die wijze dat de buren niet meer gestoord worden”.

IV. Beoordeling

...

B. Rooien van bomen

1. Eisers vorderen de rooiing van de zes bomen die zich langsheen de grens met hun perceel bevinden op grond van art. 35 Veldwetboek, dat bepaalt: “Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant”.

2. Voor de bomen, waarover de vordering gaat, bestaat geen vast en erkend gebruik in het kanton. In principe geldt aldus de 2m-regel.

3. Verweerster beroept zich op art. 692 en 694 BW om de vordering te doen afwijzen. De percelen waarover het geding loopt, zouden vroeger hebben toebehoord aan één en dezelfde eigenaar, namelijk de ouders van V. Marcel. De bomenrij zou reeds in mei 1982 aanwezig zijn geweest toen de verkavelde percelen werden verdeeld.

4. Wanneer een eigenaar van een stuk grond daarop een rij bomen plant en daarna overgaat tot splitsing van dit perceel waarbij een kavel ervan onmiddellijk paalt aan de rij bomen, kan de eigenaar die deze kavel aankoopt de rooiing van die rij bomen niet vorderen wegens de vestiging van erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

5. Uit volgende elementen wil verweerster het bewijs halen van de vestiging van een dergelijke erfdienstbaarheid:

– verweerster zelf heeft geen enkele boom van deze bomenrij aangeplant;

– de aanwezigheid van de bomenrij is een zichtbaar teken van erfdienstbaarheid onder verwijzing naar art. 694 BW;

– de door eiser opgestelde verklaring van 15 augustus 1982;

– de vermelding in de eigendomstitel van eisers dat de bestaande erfdienstbaarheden zouden worden geëerbiedigd en zullen worden opgelegd aan al zijn erfgenamen en rechthebbenden in welke hoedanigheid ook.

6. De percelen van de partijen behoorden destijds inderdaad toe in grotere oppervlakte en in één geheel aan de echtgenoten J.V.-M. Deze waren de ouders van de rechtsvoorgangers van beide partijen. Jules V. overleed op 26 februari 1964 en zijn echtgenote op 19 januari 1981. Samen met hun broer Henri werden zij ingevolge erfopvolging onverdeelde eigenaars van het geheel.

7. Er werd een verkavelingsplan opgesteld dat echt werd verklaard op 18 juni 1981 door de landmeter. Bij de daaropvolgende akte van verkaveling en verdeling van 16 februari 1982 werd het perceel, thans eigendom van eisers, toebedeeld aan hun verkoopster Magdalena V. Het perceel, thans eigendom van verweerster, werd toebedeeld aan Marcel V.

8. Magdalena V. ging snel over tot verkoop van het haar toebedeelde onroerend goed, namelijk op 9 november 1982 aan eiser, destijds alleen.

9. Merkwaardig genoeg dateert de door verweerster voorgelegde verklaring van eiser, opgenomen in het document van 15 augustus 1982, van vóór de verkoping van het perceel. Eiser was derhalve op dat ogenblik nog geen eigenaar, althans wordt daarvan geen bewijs voorgelegd. Wellicht was hij wel de kandidaat-koper, omdat zijn naam al vermeld staat op het verkavelingsplan. In de eigendomstitel van eiser van 9 november 1982 is vermeld onder de algemene voorwaarden dat hij er de eigendom, het genot en het vrij gebruik vanaf dat ogenblik van had.

10. Eiser heeft aldus deze verklaring afgelegd op een ogenblik dat hij nog geen eigenaar was. Dit document kan dan ook niet als bewijs dienen van de vestiging van een conventionele erfdienstbaarheid, omdat hij toen nog geen eigenaar was. Evenmin kan het tot bewijs dienen van het verlenen of het erkennen van een recht waarover hij op dat ogenblik nog niet beschikte of kon beschikken, zelfs geen persoonlijk recht (L. Lindemans, Erfdienstbaarheden in APR, Brussel, Larcier, 1958, p. 218, nrs. 480 e.v.; G. Blockx, “Erfdienstbaarheden. Vestiging van erfdienstbaarheden” in P. Hamelink en G. Blockx, Erfdienstbaarheden: algemene leer en erfdienstbaarheden door ’s mensens toedoen in Onroerend goed in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, losbladig, I.M.6 – 1, nr. 1). De enige die op dat ogenblik een recht had kunnen verschaffen aan de rechtsvoorganger van verweerster, was de rechtsvoorgangster van eiser, namelijk Magdalena V.

11. Voorts wil verweerster uit de loutere aanwezigheid van de bomenrij in augustus 1982 langsheen de grensscheiding met het perceel van eisers het bewijs halen dat deze bomenrij er reeds zou zijn geweest toen beide percelen nog in één hand verenigd waren en eigendom waren van de erfgenamen V. in onverdeeldheid of van de rechtsvoorgangers van deze erfgenamen.

12. Voor deze bewering wordt geen enkel bewijselement voorgebracht. Daarentegen zien wij op het verkavelingsplan dat de percelen van partijen gescheiden werden door een gracht. Er is geen enkele aanduiding van aangeplante bomen. Het bewijs moet immers worden geleverd dat de gemeenschappelijke eigenaar die toestand heeft geschapen of wanneer de erfgenamen mede-eigenaars deze toestand voor hun rekening hebben overgenomen. De toestand moet aldus worden beoordeeld vanuit het standpunt van de onverdeelde erfgenamen V., hoe zij het gezamenlijk blok hebben geërfd en behouden tot de splitsing.

13. Het moet voorts bewezen zijn dat deze toestand bestond bij de scheiding van de erven. Dit is aldus op het ogenblik van de akte verkaveling-verdeling van 16 februari 1982.

14. Magdalena V. was één van de mede-eigenaars bij de splitsing. Zij was er aldus perfect van op de hoogte hoe de toestand toen was en uiteraard ook bij de verkoop die zeer snel volgde op de splitsing. Bovendien werd zij ook mede-erfgenaam van de nalatenschap van haar broer Marcel op het ogenblik van diens overlijden op 20 februari 2000. Toch laat zij in de verkoopakte met eiser van 9 november 1982 opnemen dat bij haar weten geen enkele erfdienstbaarheid het verkochte goed bezwaarde, behalve die welke zouden kunnen voortvloeien uit de akte zelf of uit vroegere titels waarvan sprake in de oorsprong van eigendom. Noch in de verkoopakte, noch in de titels vermeld in de oorsprong van eigendom is sprake van enige erfdienstbaarheid. De clausule in notariële akten waarin gemeld wordt dat het goed verkocht wordt met alle heersende en lijdende, voortdurende en niet-voortdurende, zichtbare en onzichtbare erfdienstbaarheden kan enkel worden beschouwd als een stijlclausule die niets zegt over het werkelijk bestaan van een of andere erfdienstbaarheid.

15. Het document met de verklaring van eiser van 15 augustus 1982 werd opgesteld een zestal maanden na de verdeling van de eigendom van de rechtsvoorgangers van Marcel V. Aan te nemen is dat juist deze laatste de bomen langs de scheidingsgrens heeft geplant. Dit kan ook worden afgeleid uit het door verweerster aangevoerde middel van de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader. Daaruit mag de erkenning door verweerster worden afgeleid dat de bomen zoals ook beschreven in de plaatsopneming daar nog geen dertig jaar staan. Mocht dit wel het geval zijn geweest, dan had verweerster zich simpelweg kunnen beroepen op de dertigjarige verjaring. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat de mede-eigenaars deze bomen zelf zouden hebben aangeplant, gelet op de snelle verkaveling-verdeling na het overlijden van hun moeder in 1981.

16. Overigens wordt geen enkel bewijs aangedragen van de aanwezigheid van de bomen op het ogenblik van de scheiding van de percelen. Aldus zijn de voorwaarden niet vervuld voor de vestiging van een erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader.

17. Bijgevolg kan men zich ook niet beroepen op art. 694 BW. In dat geval gaat het trouwens om een vroeger bestaande zichtbare erfdienstbaarheid, die tijdelijk niet meer werd uitgeoefend doordat de beide erven in handen van dezelfde eigenaar zijn gekomen, maar die herleefde vanaf de dag dat die eigenaar over één van die erven beschikt zonder hierover in de akte van vervreemding iets te bedingen (Cass. 9 noember 1905, Pas. 1906, I, 44; Cass. 29 juni 1905, Pas. 1905, I, 276). In deze zaak gaat het niet om een dergelijk geval.

18. De rechtbank komt dan ook tot het besluit dat de bomen zoals vermeld in het proces-verbaal van plaatsopneming van 8 december 2009 na de scheiding-deling en in strijd met art. 37 Veldwetboek werden aangeplant, dus minder dan 2 m van de scheidingsgrens. De vordering tot de rooiing van deze zes bomen is dan ook gegrond.

C. Snoeien overhangende takken Canadese populier

1. Eisers vorderen de rooiing van deze boom niet, maar wel het snoeien van de overhangende takken ervan.

2. In art. 37 Veldwetboek wordt bepaald:

“Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.

“Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe. Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken.

“Het recht om de wortels weg te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet”.

3. Ter plaatse hebben we inderdaad moeten vaststellen dat de takken van de populier overhingen op het perceel van eisers.

4. Het recht om beplantingen op minder dan de wettelijke afstand te behouden, ingevolge bezit gedurende dertig jaar, doet de rechten bepaald in art. 37 Veldwetboek niet tenietgaan (H. Bocken, I. Traest en L. De Jager, Bomen in het recht, Gent, Kluwer – Story-Scientia, 1992, p. 68, nr. 102; R. Derine, F. Van Neste en H. Vandenberghe, Zakenrecht in Beginselen van het Belgisch Privaatrecht, Deel I, B, Antwerpen, Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij, 1974, p. 609 e.v., nr. 338). Aldus zijn eisers gerechtigd het snoeien van de boom te vorderen, zelfs al brengt dat mee dat een deel van de kruin van de boom flink moet worden ingekort en dit tot tegen de grensscheiding.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 29/11/2012 - 20:20
Laatst aangepast op: do, 12/03/2015 - 12:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.