-A +A

Afpersing door uitoefenen van een onwettige retentierecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 07/07/2015

Wanneer in de overeenkomst tussen een politiedienst gesteld staat dat het takelbedrif over geen retentierecht op de weggetakelde voertuigen beschikt, maakt de weigering tot teruuggave van het voertuig aan de eigenaar van een weggetakeld voertuig in afwezigheid van betaling, een onwettige uitoefening van het retentierecht uit, hetgeen afpersing is.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/1
Pagina: 
71
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(D.S.A. / D.Y., D.A., G.J.)

(…)

De feiten van de tenlastelegging sub A.1. en A.3. zijn, na onderzoek van de zaak door het hof, bewezen gebleven in hoofde van de eerste en tweede beklaagden.

Hierbij wordt aan de beklaagden verweten dat zij geldsommen hebben afgeperst van de eigenaars van de voertuigen door, na het wegtakelen van de voertuigen, de onmiddellijke betaling van een betwistbare schuldvordering afgeperst te hebben door geweigerd te hebben het getakelde voertuig en/of de inhoud ervan terug te geven aan de rechtmatige eigenaar terwijl de beklaagden geenszins over enig retentierecht zouden beschikt hebben.

Het twistpunt betreft derhalve of de beklaagden al dan niet rechtmatig het retentierecht uitoefenden vermits zij, in dat geval, niet schuldig kunnen zijn aan enige afpersing.

Het staat vast en werd geenszins betwist dat de firma NV D.Y.E. ten tijde van voormelde feiten en dit vanaf 25 november 2004 gebonden was door een schriftelijke overeenkomst voor “de takeling, het wegslepen en de bewaring van voertuigen op vordering van de politiediensten” binnen de politiezone Brussel-West.

In deze voorwaarden staat onder meer het volgende uitdrukkelijk gestipuleerd:

in artikel 15: dat er aangaande “teruggevonden gestolen voertuigen” geen takel - en stallingsvergoeding geëist wordt;

in artikel 20: dat er geen enkele vergoeding mag worden aangerekend voor:

het wegslepen of de bewaring van gestolen en teruggevonden voertuigen op het hele nationale grondgebied behalve in het geval er geen verzekering werd afgesloten;
het wegslepen of de bewaring voor administratieve motieven;
het wegslepen van voertuigen die aan de politiezone of aan de gemeentebesturen van de politiezone behoren en dit op het hele nationale grondgebied;
iedere takeling of bewaring die aan de politiezone Brussel-West of aan één van de gemeentebesturen van de politiezone zouden kunnen worden aangerekend;
de bewaring van de 2 eerste dagen van een normaal getakeld voertuig.
in artikel 5: dat de kosten van de bewaarplaats worden berekend in overeenstemming met het tarief van Detabel (behalve de eerste 2 dagen voor dewelke geen vergoeding mag gevraagd worden) en dat de vastgelegde tarieven het voorwerp dienen uit te maken van een duidelijk zichtbare aanplakking in de kantoren van de takeldienst en ter beschikking moeten blijven van het cliënteel;

in artikel 6: dat de takeldienst geen enkel retentierecht heeft op de op de openbare weg weggesleepte voertuigen indien de politiediensten de eigenaars of de bestuurders de toelating hebben verleend deze af te halen en de takeldienst mag de teruggave onder geen beding afhankelijk maken van zijn kosten voor het wegslepen of het verplaatsen.

De burgerrechtelijke principes van het retentierecht zijn derhalve niet toepasselijk op de hierna vermelde gevallen gelet op de uitdrukkelijke exoneratie van het retentierecht in het raamcontract.

Ten onrechte maken de beklaagden het verschil in toepasselijke tarieven voor enerzijds een gerechtelijke takeling en anderzijds een administratieve takeling nu dit onderscheid in de raamovereenkomst niet voorzien wordt.

In de aanhef van de raamovereenkomst staat te lezen: “aangaande het wegslepen, het verplaatsen en de bewaring van voertuigen op vordering van de politiedienst”, zonder enig onderscheid.

Terecht stelt het Openbaar Ministerie in zijn conclusie dat het niet opgaat toe te treden tot een raamovereenkomst om nadien de tarieven daarin vermeld te gaan betwisten. Integendeel hebben de beklaagden, door het aannemen van en het verrichten van takeldiensten op vordering van de politiediensten zich verbonden tot naleving van de verplichtingen die een voorwaarde vormden om dergelijke takelingen te mogen doen.

Daarenboven hadden de beklaagden zich, op grond van artikelen 2 en 4 van punt 6 (van de na te leven voorwaarden door de takeldienst) van de bijlage bij de MOB nr. 062, ertoe verbonden om de tarieven niet te overschrijden, de vastgelegde voorwaarden na te leven en zich aan te passen aan de richtlijnen van deze omzendbrief evenals als die uitgaande van de gerechtelijke autoriteiten.

Uit de stukken van het strafdossier, meer bepaald de verklaring van de heer V.P. van 25 oktober 2005 en het proces-verbaal van de verbalisanten van dezelfde dag, alsook het verhoor van A.D. d.d. 25 november 2005 en de verklaring van Y.D. van 31 januari 2006 besluit het hof tot de schuld van de beklaagden aan het feit van de tenlastelegging sub A.1.

Het staat vast dat het voertuig van de heer P. werd weggetakeld op vraag van de politie, zone West, door de takeldienst van de beklaagden om reden dat dit voertuig verkeerd geparkeerd stond.

Op 25 oktober 2005 weigerde de takeldienst Y.E. het voertuig vrij te geven tenzij de eigenaar, de genaamde P., een document “schuldbekentenis” ondertekende ter waarde van 95 EUR of onmiddellijk 60 EUR cash betaalde om de vrijgave van zijn voertuig te bekomen.

De beklaagde Y.D. verklaarde dat:

er gebruik wordt gemaakt van het retentierecht als een persoon niet betaalt na een depannage van een voertuig ten gevolge van een ongeval;
dit inhoudt dat hij het voertuig en de nummerplaten, evenals een gedeelte van de inhoud van het voertuig in zijn bezit houdt tot wanneer er betaald wordt door de klant;
hij dit enkel toepaste bij sommige ongevallen;
hij weet dat het retentierecht niet bestaat wanneer het voertuig om een andere reden door hen getakeld dient te worden.
Dit alles toegepast op voorgaande zaak van de heer P. betekent dit in concreto dat er wel degelijk gebruik gemaakt werd van het retentierecht door de takeldienst ten aanzien van een eigenaar van een getakeld voertuig waarvoor conform voormeld artikel 6 geenszins het retentierecht kon worden ingeroepen, wetende dat dit niet kon worden ingeroepen.

Dit is ook het geval voor het feit vermeld onder tenlastelegging sub A.3.

De vrachtwagen, eigendom van de NV K., werd in de nacht van 12 op 13 maart 2005 weggetakeld op vraag van de politie, om reden dat deze verkeerdelijk zou geparkeerd geweest zijn voor een school (zie stuk 66 van karton IV). De vennootschap diende op 13 maart 2005 het bedrag van 2.202,20 EUR te betalen alvorens zij terug in het bezit werd gesteld van haar vrachtwagen.

Ook hier werd verkeerdelijk het retentierecht ingeroepen door de beklaagden.

Wat het feit van de tenlastelegging sub A.2. betreft, staat het ook vast dat op grond van de gedane vaststellingen en verklaringen in het strafdossier er na de takelwerken uitgevoerd aan het voertuig van de heer X.L. een wederrechtelijk retentierecht werd uitgeoefend nu uit geen enkel element uit het strafdossier kan afgeleid worden dat er ook herstellingswerken werden uitgevoerd aan het voertuig van X.L.

De eerste en tweede beklaagden hebben door deze door hen gehanteerde handelwijze het misdrijf van afpersing gepleegd nu alle constitutieve elementen van dit misdrijf in hunner hoofde verenigd zijn. Zij hebben onder bedreiging, meer bepaald de morele dwang door het uitoefenen van het retentierecht bij de eigenaars vrees verwekt voor een dreigend kwaad, namelijk dat zij hun voertuig niet terugkregen, de betaling van gelden afgeperst met het najagen van een onwettig voordeel (zijnde de onmiddellijke betaling van de gevorderde som) in hunner hoofde ten nadele van de eigenaars van de wagens.

Ook de tenlasteleggingen sub B.1. tot en met B.7. zijn, na onderzoek van de zaak door het hof, bewezen gebleven in hoofde van deze twee beklaagden.

Het staat vast, zoals blijkt uit de desbetreffende processen-verbaal, dat de beklaagden van de in deze tenlasteleggingen vermelde personen gepoogd hebben door middel van de uitoefening van het retentierecht (zijnde bedreiging) de afgifte te bekomen van gelden voor een betwistbare schuldvordering, zaken zoals dvd-speler, nummerplaten en ook het voertuig zelf.

Het is bij een poging gebleven nu de betrokken personen zich allen begeven hebben naar de politie om klacht neer te leggen en ze niet zijn ingegaan op de afpersing vanwege de beklaagden.

(…)
 

Noot: 

Vereecke, V., « Bedreiging als bestanddeel van de afpersing », R.A.B.G., 2017/1, p. 74-76

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 17/07/2017 - 14:21
Laatst aangepast op: ma, 17/07/2017 - 14:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.