-A +A

Afluisteren gesprekken tussen verdachte en zijn boekhouder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
maa, 20/06/1994
A.R.: 
886

Artikel 90 octies van het wetboek van strafvordering regelt de omstandigheden onder de welke de gesprekken van een advocaat met een verdachte kunnen afgeluisterd en onder wlke voorwaarden er tussen hen uitgwisselde elektronische bestanden kunnen in beslag genomen.

Deze maatregelenen die een zekere bescherming van het beroepsgeheim waarborborgen gelden voor de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of arts, indien dezen er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter Sv. te hebben gepleegd of er aan deel genomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden, die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter Sv. te hebben gepleegd, gebruik maken van diens lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.

uittreksel uit het wetboek van strafvordering:

Art. 90octies.§ 1. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats, de communicatiemiddelen of de informaticasystemen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd, gebruik maken van diens lokalen, woonplaats, communicatiemiddelen of informaticasystemen.

§ 2. De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht.

Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

§ 3. De onderzoeksrechter beoordeelt, na overleg met de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren, welke gedeelten van de in artikel 90sexies, § 3, bedoelde niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem, die hij van belang acht voor het onderzoek, onder het beroepsgeheim vallen en welke niet.

Enkel de gedeelten van de communicatie of gegevens bedoeld in het eerste lid die worden geacht niet onder het beroepsgeheim te vallen, worden overgeschreven of weergegeven en worden desgevallend vertaald. De onderzoeksrechter laat hiervan proces-verbaal opmaken. De bestanden bevattende deze communicatie of gegevens worden onder verzegelde omslag neergelegd ter griffie.

Alle overige communicatie of gegevens worden in een ander bestand onder afzonderlijke verzegelde omslag neergelegd ter griffie.

Deze maatregelen gelden niet ten aanzien van de cijferberoepers, zoals revisoren, accountens en boekhouders.

Het grondwettelijk hog acht dit verschil in behandeling redelijk verantwoord.

het Hof
verwerpt het beroep.
(Ten gronde.

B.2.1. De wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie verbiedt het afluisteren van telefoongesprekken maar voert, via in het Wetboek van Strafvordering ingevoerde bepalingen, de mogelijkheid in om van die verbodsbepaling af te wijken mits de bij die wet bepaalde voorwaarden worden geëerbiedigd, met name mits de onderzoeksrechter tussenkomt; laatstgenoemde, die ertoe gemachtigd is bewakingsmaatregelen te bevelen, laat het proces-verbaal opmaken van de inlichtingen, communicatie of telecommunicatie, aldus opgevangen, die van belang zijn voor het onderzoek (artikel 90sexies, tweede lid, van het Wetboek).

Dat proces-verbaal mag geen communicatie of telecommunicatie bevatten die onder het beroepsgeheim valt (artikel 90sexies, derde lid).

B.2.2. Artikel 90octies, het onderwerp van het beroep, verbiedt een bewakingsmaatregel te bevelen die betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, tenzij laatstgenoemden zelf ervan verdacht worden een van de in de wet vermelde strafbare feiten te hebben gepleegd of eraan te hebben deelgenomen, of tenzij precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een dergelijk strafbaar feit te hebben gepleegd, gebruik maken van de voormelde lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.

De stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren wordt op de hoogte gebracht van de maatregel en ingelicht over de opgevangen elementen die volgens de onderzoeksrechter onder het beroepsgeheim vallen en niet in het proces-verbaal zullen worden opgenomen.

B.2.3. Door het stelsel waarin artikel 90octies van het Wetboek van Strafvordering voorziet te beperken tot de enkele advocaten en artsen, heeft de wetgever rekening gehouden met drie overwegingen. Die personen komen dikwijls in contact met verdachten; zij hebben met hun cliënt een vertrouwensrelatie waarvan de bescherming noodzakelijk is; zij hangen, tot slot, af van bij de wet georganiseerde overheden die waken over de naleving van de beroepsdeontologie.

B.2.4. De verzoekende partijen betogen dat artikel 90octies van het Wetboek van Strafvordering een discriminatie in het leven roept tussen de artsen en de advocaten, enerzijds, en de andere beroepsbeoefenaars die eveneens aan de eerbiediging van het beroepsgeheim zijn onderworpen, zoals de accountants, anderzijds, voor wie de wet niet de bijzondere beperkingen bevat die voorkomen in het voormelde artikel 90octies.

B.3. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.4. De wetgever kan in redelijkheid oordelen dat de beperkingen waarin artikel 90octies voorziet, gelet op de aard van de ter zake geldende beginselen, noodzakelijk zijn om de rechten van de verdediging en het recht op eerbiediging van het privé-leven in zijn meest persoonlijke aspect ten volle te vrijwaren.

Uit de omstandigheid dat artikel 458 van het Strafwetboek, dat het beroepsgeheim beschermt, van toepassing is op andere personen dan de artsen en de advocaten, volgt niet dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen dat die andere personen de bijzondere waarborgen zouden genieten die noodzakelijk zijn ter vrijwaring van de waarden die in het geding zijn wanneer de artsen of de advocaten optreden.

Het bekritiseerde verschil in behandeling is niet discriminatoir.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
422
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 26/96

Onderwerp van de bestreden bepaling

1. Artikel 90octies van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen (lees: opnemen) van privé-communicatie en -telecommunicatie, bepaalt:

«Art. 90octies. De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze er zelf van verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd of eraan deelgenomen te hebben, of, indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter te hebben gepleegd, gebruik maken van diens lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.

De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd, zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Dezelfden zullen door de onderzoeksrechter in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet wordt opgetekend in het proces-verbaal overeenkomstig artikel 90sexies, derde lid.»

2. De maatregel bedoeld in artikel 90octies, eerste en tweede lid, is die waarbij de onderzoeksrechter, wanneer het onderzoek zulks vereist, in uitzonderlijke gevallen privé-communicatie of -telecommunicatie tijdens de overbrenging ervan kan afluisteren en opnemen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit waarvoor hij geadieerd is een strafbaar feit is, bedoeld in artikel 90ter, § 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen (artikel 90ter, § 1, eerste lid).

De bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan verdacht worden het strafbare feit te hebben gepleegd, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door een persoon op wie een verdenking rust, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van personen van wie, op grond van precieze feiten, vermoed wordt dat zij geregeld in verbinding staan met een persoon op wie een verdenking rust (artikel 90ter, § 1, tweede lid).

Tot de maatregel moet vooraf machtiging worden verleend bij een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter, die de beschikking aan de procureur des Konings meedeelt. Die beschikking vermeldt met name de periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend en die niet langer mag zijn dan een maand te rekenen vanaf de beslissing waarbij de maatregel wordt bevolen; die periode kan maand per maand worden verlengd, met een maximum van zes maanden (artikelen 90quater, § 1, en 90quinquies, eerste lid).

De rechter beoordeelt welke inlichtingen, communicatie of telecommunicatie, aldus opgevangen, van belang zijn voor het onderzoek en laat hiervan een proces-verbaal opmaken (artikel 90sexies, tweede lid). De communicatie of telecommunicatie die onder het beroepsgeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal. Gaat het om personen bedoeld in artikel 90octies, eerste lid, dan wordt in dezen gehandeld als bepaald in artikel 90octies, tweede lid (artikel 90sexies, derde lid).

IV. In rechte

...

Ten aanzien van het belang

B.1.1. Volgens de Ministerraad zouden de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang om een bepaling aan te vechten die hun geen rechtstreeks nadeel berokkent en waarvan de vernietiging hun situatie niet zou verbeteren.

B.1.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.1.3. Wanneer een wetsbepaling een categorie van burgers bevoordeelt, kunnen diegenen die ten aanzien van die categorie van het voordeel van de bepaling verstoken blijven, daarin een belang vinden dat voldoende rechtstreeks is om de bepaling aan te vechten.

Uit de omstandigheid dat de verzoekende partijen, ten gevolge van de vernietiging van een bepaling, een nieuwe kans zouden krijgen om hun situatie gunstiger te laten regelen, blijkt dat zij er belang bij hebben die bepaling aan te vechten.

Ten gronde

B.2.1. De wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie verbiedt het afluisteren van telefoongesprekken maar voert, via in het Wetboek van Strafvordering ingevoegde bepalingen, de mogelijkheid in om van die verbodsbepaling af te wijken mits de bij die wet bepaalde voorwaarden worden geëerbiedigd, met name mits de onderzoeksrechter tussenkomt; laatstgenoemde, die ertoe gemachtigd is bewakingsmaatregelen te bevelen, laat het proces-verbaal opmaken van de inlichtingen, communicatie of telecommunicatie, aldus opgevangen, die van belang zijn voor het onderzoek (artikel 90sexies, tweede lid, van het Wetboek).

Dat proces-verbaal mag geen communicatie of telecommunicatie bevatten die onder het beroepsgeheim valt (artikel 90sexies, derde lid.

B.2.2. Artikel 90octies, het onderwerp van het beroep, verbiedt een bewakingsmaatregel te bevelen die betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, tenzij laatstgenoemden zelf ervan verdacht worden een van de in de wet vermelde strafbare feiten te hebben gepleegd of eraan te hebben deelgenomen, of tenzij precieze feiten doen vermoeden dat derden die ervan verdacht worden een dergelijk strafbaar feit te hebben gepleegd, gebruik maken van de voormelde lokalen, woonplaats of communicatie- of telecommunicatiemiddelen.

De stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren wordt op de hoogte gebracht van de maatregel en ingelicht over de opgevangen elementen die volgens de onderzoeksrechter onder het beroepsgeheim vallen en niet in het proces-verbaal zullen worden opgenomen.

B.2.3. Door het stelsel waarin artikel 90octies van het Wetboek van Strafvordering voorziet te beperken tot de enkele advocaten en artsen, heeft de wetgever rekening gehouden met drie overwegingen. Die personen komen dikwijls in contact met verdachten; zij hebben met hun cliënt een vertrouwensrelatie waarvan de bescherming noodzakelijk is; zij hangen, tot slot, af van bij de wet georganiseerde overheden die waken over de naleving van de beroepsdeontologie (Gedr. St., Senaat, 1992-93, nr. 843/2, p. 186).

B.2.4. De verzoekende partijen betogen dat artikel 90octies van het Wetboek van Strafvordering een discriminatie in het leven roept tussen de artsen en de advocaten, enerzijds, en de andere beroepsbeoefenaars die eveneens aan de eerbiediging van het beroepsgeheim zijn onderworpen, zoals de accountants, anderzijds, voor wie de wet niet de bijzondere beperkingen bevat die voorkomen in het voormelde artikel 90octies.

B.3. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.4. De wetgever kan in redelijkheid oordelen dat de beperkingen waarin artikel 90octies voorziet, gelet op de aard van de ter zake geldende beginselen, noodzakelijk zijn om de rechten van de verdediging en het recht op eerbiediging van het privé-leven in zijn meest persoonlijke aspect ten volle te vrijwaren.

Uit de omstandigheid dat artikel 458 van het Strafwetboek, dat het beroepsgeheim beschermt, van toepassing is op andere personen dan de artsen en de advocaten, volgt niet dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen dat die andere personen de bijzondere waarborgen zouden genieten die noodzakelijk zijn ter vrijwaring van de waarden die in het geding zijn wanneer de artsen of de advocaten optreden.

Het bekritiseerde verschil in behandeling is niet discriminatoir.

Noot: 

R. Devloo, HET BEROEPSGEHEIM VAN DE ACCOUNTANT NA HET ARREST VAN HET ARBITRAGEHOF VAN 27 MAART 1996, RW 1996-1997, 422

 

REVUE DE DROIT PENAL ET DE CRIMINOLOGIE  1996(P.1116)

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 12/10/2017 - 15:12
Laatst aangepast op: do, 12/10/2017 - 16:04

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.