-A +A

Afleggen van verklaring door verdachte zonder bijstand van een advocaat – Sanctie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 26/11/2013
A.R.: 
AR nr. P.13.1234.N

a) De onrechtmatigheid van het bewijs wegens het afleggen door een verdachte of een medeverdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand verplicht kan worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam, zodat een beklaagde zich in beginsel niet kan beroepen op de miskenning van die rechten door belastende verklaringen afgelegd ten laste van hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

b) Uit art. 90quater, § 1 Sv. en art. 90quinquies, eerste en tweede lid Sv., in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt dat de verlenging van de maatregel van afluistering van privé(tele)communicatie moet voldoen aan de dubbele motiveringsplicht dat de elementen die krachtens art. 90quater, § 1 Sv. op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, worden vermeld en dat de beschikking tot verlenging de precieze omstandigheden vermeldt die de verlenging van de maatregel wettigen, welk voorschrift evenwel niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
1505
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep I is gericht tegen een arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 30 mei 2013 dat de verklaring van de jury en de motivering bevat, tegen het arrest van dezelfde datum dat de eiser tot straf veroordeelt en tegen: (...).

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

...

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van art. 6.1 en 6.3.c EVRM en art. 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat het feit dat de eiser geen bijstand van een raadsman genoot bij zijn verhoren, geen probleem vormt; het arrest laat aldus na de onontvankelijkheid, minstens de ontoelaatbaarheid van de strafvordering uit te spreken, hoewel vaststaat dat de eiser verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij zich kon laten bijstaan door een advocaat, terwijl hij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis bevond; het feit dat de eiser hierbij geen zelfincriminerende verklaringen heeft afgelegd, doet hieraan geen afbreuk.

4. De onrechtmatigheid van het bewijs wegens het afleggen door een verdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs. Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van art. 6.1 en 6.3.c EVRM en art. 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat het feit dat de medebeschuldigde geen bijstand van een raadsman genoot bij zijn verhoren, geen probleem vormt; het stelt vast dat de medebeschuldigde verklaringen heeft afgelegd zonder dat hij zich kon laten bijstaan door een advocaat, terwijl hij zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in voorhechtenis bevond; het laat evenwel na de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, minstens over te gaan tot bewijsuitsluiting van die onregelmatige verhoren waarbij tevens de eiser wordt beschuldigd.

6. De onrechtmatigheid van het bewijs wegens het afleggen door een medeverdachte na zijn vrijheidsberoving van verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid of niet-toelaatbaarheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

7. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand verplicht kan worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een beklaagde kan zich in beginsel niet beroepen op de miskenning van die rechten door belastende verklaringen afgelegd ten laste van hem door een andere beklaagde, die voor hem slechts een getuige is, tenzij die andere beklaagde zelf die rechten genoot, de miskenning ervan inroept en op die grond de afgelegde belastende verklaringen intrekt.

8. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de medebeschuldigde niet de miskenning heeft ingeroepen van zijn recht op bijstand van een raadsman en evenmin op die grond zijn verklaringen heeft ingetrokken. Het hof van assisen diende bijgevolg de desbetreffende verklaringen van de medebeschuldigde niet uit het debat te weren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

10. Het onderdeel voert schending aan van art. 90quinquies Sv.: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat de verlenging van de tapmaatregelen bij beschikkingen van de onderzoeksrechter van 13 november 2009 en 11 december 2009 op afdoende wijze werd gemotiveerd; de loutere vermelding dat een afluistermaatregel van langere duur dan één maand nodig is, kan evenwel op geen enkele wijze worden beschouwd als de precieze omstandigheden die zo’n verlenging rechtvaardigen.

11. Art. 90quinquies, eerste en tweede lid Sv. bepaalt:

“De onderzoeksrechter kan de uitwerking van zijn beschikking één of meer malen verlengen met een termijn die niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken zodra de omstandigheden die deze gewettigd hebben, verdwenen zijn.

De bepalingen vervat in art. 90quater, § 1, zijn toepasselijk op de verlenging bedoeld in het voorgaande lid. De beschikking vermeldt bovendien de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen”.

Art. 90quater, § 1 Sv. bepaalt:

“Tot iedere bewakingsmaatregel op grond van art. 90ter wordt vooraf machtiging verleend bij een met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter die de beschikking aan de procureur des Konings meedeelt.

“Op straffe van nietigheid wordt de beschikking gedagtekend en vermeldt zij:

1o de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig art. 90ter;

2o de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen;

3o de persoon, het communicatie- of telecommunicatiemiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewaking;

4o de periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, welke niet langer mag zijn dan één maand te rekenen van de beslissing waarbij de maatregel wordt bevolen;

5o de naam en de hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel”.

Uit deze artikelen in hun onderlinge samenhang blijkt dat de verlenging van een tapmaatregel krachtens art. 90quinquies, tweede lid Sv. aan een dubbele motiveringsplicht dient te voldoen. Allereerst dienen de elementen, die krachtens art. 90quater, § 1 Sv. op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, te worden vermeld. Bovendien dient de beschikking tot verlenging de precieze omstandigheden die de verlenging van de maatregel wettigen, te vermelden, welk voorschrift evenwel niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

12. Het arrest stelt vast dat de beschikkingen tot verlenging van 13 november 2009 en 11 december 2009, eensdeels, de motivering van de initiële tapmaatregel waarvan de redenen beantwoorden aan het voorschrift van art. 90quater, § 1 Sv., overnemen en, anderdeels, dat een afluistermaatregel van langere termijn dan één maand nodig is om de waarheid aan het licht te brengen.

Aldus verantwoordt het hof van assisen zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van art. 149 Gw. en art. 90quater, § 1, tweede lid, 2o Sv.: het arrest van 21 mei 2013 oordeelt dat de beschikking van 14 januari 2010 beantwoordt aan het vereiste van art. 90quinquies, derde lid Sv.; aldus beantwoordt het evenwel eisers conclusie met betrekking tot de miskenning van de in art. 90quater, § 1, tweede lid, 2o Sv. op straffe van nietigheid voorgeschreven motiveringsplicht met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel niet en stelt het niet vast dat die beschikking hieraan voldoet.

14. Art. 90quinquies, derde lid Sv. bepaalt dat indien nieuwe en ernstige omstandigheden de maatregelen bedoeld in art. 90ter noodzakelijk maken, de onderzoeksrechter een nieuwe maatregel kan bevelen, met inachtneming van de formaliteiten omschreven in art. 90ter en art. 90quater Sv. De beschikking moet in dat geval de precieze nieuwe en ernstige omstandigheden vermelden die een nieuwe maatregel noodzakelijk maken en wettigen.

Art. 90quater, § 1, tweede lid, 2o Sv. bepaalt dat de beschikking op straffe van nietigheid de redenen vermeldt waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen.

15. Met de redenen die het arrest bevat, stelt het hof van assisen vast dat de beschikking de redenen vermeldt waarom de maatregel onontbeerlijk was om de eiser aan te treffen en aldus de waarheid aan de dag te brengen.

Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
 

Noot: 

Rechtspraak

• Cass. 8 mei 2012, Arr.Cass. 2012, 1205;

• Cass. 13 november 2012, Arr.Cass. 2012, 2507, conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger

Rechtsleer

• Bart De Smet, Recht op bijstand van een advocaat voor de onderzoeksrechter tijdens een verhoor voorafgaand aan het bevel tot aanhouding, RW 2013-2014, 861

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 19/05/2014 - 12:40
Laatst aangepast op: vr, 05/01/2018 - 10:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.