-A +A

Advocaten kunnen ereloon niet meer aanrekenen bij partijbeslissing

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Westerlo
Datum van de uitspraak: 
don, 19/01/2017

De partijbeslissing in relatie tot consumenten is strijdig met het Europees recht dat directe werking heeft in de interne Belgische rechtsorde en voorrang heeft op die bepaling. Een interne nationale bepaling die in strijd is met de internationaalrechtelijke beginselen «terzijde dient geschoven te worden».

Het oude gebruik van het systeem van de eenzijdige partijbeslissing van de advocaat bij het vastleggen van zijn honorarium valt niet meer te rijmen met Richtlijn 2011/823/EU van de Raad van 25 oktober 2011 en Richtlijn 1993/13/EEG van de Raad van 5 april 1993.

De rechter kan geen rechtsgevolg verbinden aan een vordering die, de veroordeling beoogt tot betaling van advocatenhonoraria die gestoeld zijn op een partijbeslissing omdat deze enkel kan tot stand gekomen zijn door een miskenning van de dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen.

De dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen hebben inmiddels hun neerslag hebben gevonden in het Wetboek van Economisch Recht (Invoeging Boek XIV «Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende de beoefenaars van een vrij beroep»), in werking getreden op 31 mei 2014 en dus volledig van toepassing op 7 november 2016 (datum van de redactie van de in casu voorgelegde staat).

De advocatuur ressorteert nu onbetwistbaar onder de bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht (WER)  ten gevolge waarvan een partijbeslissing niet meer mogelijk is tegenover consumenten.

De verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt/consument heeft een contractuele grondslag hetgeen betekent dat een voorafgaand akkoord over het ereloon noodzakelijk is. De advocaat is verplicht om bij de aanvang van de zaak een schriftelijke honorariumovereenkomst te sluiten waarin minstens de berekeningsmethode wordt vermeld en in alle transparantie de informatie wordt gegeven die het voor de afnemer van de dienst mogelijk maakt in alle redelijkheid de kosten te kunnen inschatten.

In geval van betwisting is deze overeenkomst de enige basis voor beoordeling, dit op grond van de theorie van de wilsgebreken en het verbintenissenrecht in het algemeen, maar ook met inbegrip van de dwingende bepalingen over consumentenbescherming.

Anderzijds kan deze nieuwe regeling niet resulteren in de onvergoedbaarheid van de presaties van de advocaat die zonder overeenkomst heeft gehandeld. Dit zou een onevenwicht tot stand brengen.

Immers het is niet aanvaardbaar dat tegenover een verricht werk geen énkel ereloon zou staan, terwijl elk uitgevoerd werk nochtans een loon verdient. Alsdan dient de rechter noodzakelijkerwijze over te gaan tot forfaitaire begroting van het ereloon, waarbij rekening dient gehouden met alle relevante concrete en specifieke omstandigheden waarin de dienstverlening is geschied.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
472
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R.G. en C.T.

...

Aangezien het verzoekschrift ertoe strekt verzoekende partij, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder, te machtigen om een bedrag van 61.981,08 euro op te nemen van één van de spaarrekeningen op naam van de beschermde persoon, teneinde daarmee de kosten- en ereloonstaat te betalen van mr. C.T.

...

Overwegende dat bij beschikking van Ons Ambt van 22 juni 2007, mevr. D.G. niet in staat werd verklaard om zelf haar goederen te beheren. Haar vader, de h. R.G., werd bij dezelfde beschikking als haar bewindvoerder aangewezen. Eén en ander is het gevolg van een verkeersongeval van 6 januari 1992 waarbij de beschermde persoon een zeer zwaar schedeltrauma opliep. (...)

Overwegende dat Ons Ambt op 26 januari 2016 aan de bewindvoerder machtiging verleende om met de verzekeringsmaatschappij NV A.K. een dadingsovereenkomst aan te gaan betreffende de aan de beschermde persoon ingevolge het verkeersongeval van 6 januari 1922 toekomende schadevergoeding, namelijk:

– hoofdsom: 1.018.215,94 euro – intresten: 113.242,90 euro Totaal: 1.131.458,84 euro
afgerond op 1.132.000,00 euro, waarbij verschillende voorbehouden werden weerhouden.
Overwegende dat met verzoekschrift in toepassing van art. 488bis, f, § 3, b BW de bewindvoerder thans vordert om te worden gemachtigd een bedrag van 61.981,08 euro op te nemen van één van de spaarrekeningen op naam van de beschermde persoon, teneinde daarmee een kosten- en ereloonstaat te betalen van mr. C.T. (...). De bewindvoerder verklaart dat deze laatste de persoonlijke raadsman van zijn dochter is. Mr. C.T. is vrijwillig tussenkomen in de huidige procedure.

Overwegende dat de bewindvoerder inderdaad deze staat voorlegt, afsluitende op 61.981,08 euro, samengesteld als volgt:

– Ereloon: 51.748,71 euro – Dossierkosten (113 geschreven stukken): 1.458,79 euro – BTW 21 %: 11.173,58 euro – Betaalde provisies: –2.400,00 euro Totaal: 61.981,08 euro
Overwegende dat de beoordeling van het voorliggende verzoek tevens de beoordeling impliceert van de voorgelegde staat van kosten- en erelonen.

Overwegende dat mr. C.T. in haar brief van 7 november 2016 aan de bewindvoerder volgende toelichtingen bij de voorgelegde staat heeft verstrekt:

– dat de waarborg rechtsbijstand beperkt was tot 6.197,34 euro en deze werd gebruikt voor kosten bijstand raadsgeneesheer; – dat in de betreffende staat enkel de kosten na 31 december 2013 werden afgerekend; – dat het bedrag van het ereloon (51.748,71 euro) werd verkregen op basis van 2,10 % op de waarde van de toegekende vordering in hoofdsom, berekend als volgt: – 2,10 % op een verkregen kapitaal (hoofdsom exclusief interesten) van 873.409,03 euro (sic): 18.341,59 euro – 2,10 % op de som van 1.590.815 euro verkregen door kapitalisatie van de vaste maandelijkse rente tot aan de pensioenleeftijd (zijnde nog 39 jaar): 33.407,12 euro Totaal: 51.748,71 euro
Overwegende dat mr. C.T. voormeld, bij gelegenheid van het verhoog op 2 december 2016 verklaarde dat zij – onder het ruimste voorbehoud van alle rechten – een amenderend voorstel wenste te doen wat betreft het onderdeel «ereloon» ten bedrage van 51.748,71 euro en wel als volgt:

– 5 % op 873.409,03 euro = 43.670,45 euro – 5 % op 49.236,00 euro (zijnde één jaar rente) = 2.461,80 euro Totaal = 46.132,25 euro
met vervolgens het voorstel van het onderdeel «ereloon» voor slot van alle rekening af te ronden op het cijfer van 45.000 euro.

Overwegende dat uit art. 466ter Ger.W. (ingevoegd bij de wet van 21 juni 2006) op proceduregebied blijkt dat niet enkel de Raad van de Orde maar ook de burgerlijke rechtbank toezicht uitoefent op het ereloon van de advocaat. De aangelegenheid aan de Raad van de Orde voorleggen, mag maar moet niet. Overigens zou een beslissing van deze laatste een louter technisch karakter hebben, dienende tot voorlichting van de rechtbank maar deze laatste geenszins bindende. Het betreft derhalve een technisch advies in de zin van art. 962 Ger.W., dat geen enkel obligatoir karakter inhoudt en dat de rechter niet dient te volgen als zijn overtuiging zich hiertegen verzet (cf. Vred. Brugge 3 september 2009, T. Vred. 2011, 48; Gent 17 september 1996, RW 1997-98, 916; Vred. Westerlo 3 december 1999, T. Vred. 2001, 30).

Overwegende dat mr. C.T. op 2 december 2016 verklaarde dat zij er niet op insisteerde dat Ons Ambt zou gebruik maken van de mogelijkheid om de zaak eerst voor te leggen aan de Raad van de Orde. Ons Ambt beslist derhalve de voorgelegde staat zélf te beoordelen.

Overwegende dat bij deze beoordeling het inhoudelijke gedeelte van art. 446ter Ger.W. centraal staat. Hoewel deze bepaling over het ereloon van de advocaten recentelijk door velen als archaïsch werd ervaren, vooral in het licht van de huidige WER-bepalingen (H. Lamon, «Advocatenhonorarium en Wetboek Economisch Recht», NJW 2015, 378; H. Lamon, «Advocatenhonorarium: alles bij het oude laten is geen optie», Juristenkrant nr. 337 van 9 november 2016, p. 15; A. Van Oevelen, «Justitieel en deontologisch toezicht op het ereloon van beoefenaren van vrije beroepen», Deontologie en Tuchtrecht 2016, p. 22, nr. 10; I. Vandevelde, «Laat de informatieplicht de partijbeslissing overeind», Deontologie en Tuchtrecht 2016, 53; Vred. Westerlo 24 juni 2015, RW 2015-16, 436), heeft het Hof van Cassatie in een recent princieparrest toch vastgehouden aan een strikte interpretatie van art. 446ter Ger.W. (Cass. 24 maart 2016, C.15.0196.N, RW 2016-17, 816, noot J. Stevens). Laatstgenoemde auteur betoogde – wat dat archaïsche karakter betreft – in zijn laatstvermelde annotatie onomwonden dat het huidige art. 446ter Ger.W. «een van de laatste relicten (is) van het Keizerlijk Decreet van 14 december 1810 van Napoleon Bonaparte».

Overwegende dat het arrest van het Hof van Cassatie van 24 maart 2016 expliciet bevestigt dat de Raad van de Orde beoordeelt of het ereloon is vastgesteld met «bescheidenheid» en «billijke gematigdheid», niet alleen wanneer de advocaat via een zogenaamde «partijbeslissing» zélf eenzijdig zijn ereloon vaststelt bij het einde van de zaak, maar ook wanneer er voorafgaandelijk een geldige ereloonovereenkomst met de cliënt werd gesloten én die overeenkomst werd uitgevoerd.

Overwegende dat na het arrest van 24 maart 2016 onmiddellijk aan de alarmbel werd getrokken, onder meer omdat het arrest geheel voorbijgaat aan het Wetboek Economisch Recht en de aan deze nationaalrechtelijke regeling ter bescherming van de consument ten grondslag liggende Europese regelgeving (richtlijnen) (J. Stevens, «Het advies van de Raad van de Orde betreffende honoraria van advocaten: Roma locuta» (noot onder Cass. 24 maart 2016), RW 2016-17, 819; H. Lamon, «Ereloon advocaten: Cassatie katapulteert balie terug in de tijd», Juristenkrant nr. 327 van 6 april 2016, p. 1 e.v.). Deze laatste schrijft zelfs expliciet: «De beroepsmatige cliënt kan op het einde van de rit zijn eigen verbintenissen nu zomaar in vraag stellen en aan de Raad van de Orde (en dus aan de concurrenten van zijn advocaat) vragen om dat contract eens tegen het licht te houden» (H. Lamon, «Erelonen advocaten: Cassatie katapulteert balie terug in de tijd», Juristenkrant nr. 327 van 6 april 2016, p. 7).

Overwegende dat deze commotie enigszins verwonderlijk is omdat het Hof van Cassatie in de voorliggende casus enkel uitspraak diende te doen op proceduregebied (namelijk over de vraag «is de Raad van de Orde nog bevoegd om een controle uit te oefenen op grond van art. 446ter, tweede lid Ger.W. indien de advocaat en de cliënt een ereloonovereenkomst sloten?») en niet op inhoudelijk gebied. De aan het Hof van Cassatie voorgelegde casus, was een voorziening tot cassatie tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 18 december 2014 (TGR 2015, 183, noot F. Moeykens), dat op zijn beurt een beroep betrof tegen een beslissing van de Raad van de Orde te Kortrijk waarvan de appellant aanvoerde dat deze beslissing was genomen met overschrijding van rechtsmacht en dat de Raad van de Orde geen bevoegdheid en rechtsmacht had, gelet op de uitsluitende bevoegdheid en rechtsmacht van de overheidsrechter (art. 144 Gw.). Zowel het Hof van Beroep te Gent als het Hof van Cassatie oordeelden daarentegen dat de Raad van de Orde wel bevoegd was, dat deze laatste alleen oordeelde over deontologische verplichtingen van de advocaten en bijvoorbeeld niet over de toepassing van de Wet Onrechtmatige Bedingen van 2 augustus 2002 en ten slotte, dat de beslissing van de Raad van de Orde geen rechterlijke beslissing is die vatbaar is voor nietigverklaring door de burgerlijke rechter.

Overwegende dat het Hof van Cassatie zich ingevolge de cassatietechniek in de casus die leidde tot het arrest van 24 maart 2016, derhalve niet diende uit te spreken over de bepalingen van Boek XIV van het Wetboek van Economisch Recht, noch over de daaraan ten grondslag liggende Europese Richtlijnen 2011/823/EU van 25 oktober 2011 en 1993/13/EEG van 5 april 1993. Omdat dit arrest enkel een bevoegdheidskwestie beslecht, kan daaruit niet worden geconcludeerd dat het arrest de Balie terug zou katapulteren in de tijd (zoals ten onrechte H. Lamon in Juristenkrant nr. 327 van 6 april 2016) of dat het de poging om tegen de partijbeslissing het WER in stelling te brengen, zou dwarsbomen (zoals ten onrechte J. Stevens in RW 2016-17, 819).

Overwegende dat het arrest van 24 maart 2016 geen relevantie vertoont voor onderhavige casus, aangezien er in deze laatste casus niet dient geoordeeld te worden over het al dan niet bevoegd zijn van de Raad van de Orde (mr. C.T. verzocht uitdrukkelijk geen gebruik te maken van deze mogelijkheid) en aangezien er in casu geen enkele ereloonovereenkomst voorhanden is, in tegenstelling tot de casus die leidde tot het cassatiearrest van 24 maart 2016.

Overwegende dat de voorgelegde ereloonstaat werd opgesteld op het einde van de zaak en enkel een opsomming bevat van 22 materiële verrichtingen die in algemene termen worden geformuleerd, zoals «diverse consultaties, studie strafdossier, nazicht vonnis, inwerkingstelling deskundige, nazicht deskundig verslag, samenstelling dossier, contacten met diverse sociale instanties, onderhandelingen, besprekingen, nazicht finaal voorstel, afhandeling». Er wordt niet vermeld hoeveel tijdsduur werd besteed en aan wat. Er wordt enkel een percentage van 2,10 % gehanteerd, enerzijds op het verkregen kapitaal en anderzijds op de nog tot aan de pensioenleeftijd door de beschermde persoon te ontvangen rente (die wordt gekapitaliseerd). Het betreft hier dus duidelijk een «partijbeslissing» van de huidige vrijwillig tussenkomende partij, die als advocaat zélf de omvang van haar ereloon heeft bepaald.

Overwegende dat er echter geen enkele geconcretiseerde wijze werd vastgelegd betreffende de wijze waarop die dient te gebeuren, ook niet in de gemeenrechtelijke bepaling van art. 446ter Ger.W. Daar wordt enkel bepaald dat de advocaten hun ereloon begroten «met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht» en met «billijke gematigdheid». Terecht werd er nog recentelijk op gewezen dat dit criterium in het geheel niet transparant is en onvermijdelijk leidt tot eenvoudig «nattevingerwerk» (H. Lamon, «Erelonen advocaten: Cassatie katapulteert balie terug in de tijd», Juristenkrant nr. 327 van 6 april 2016, p. 7). Het totaal inhoudloze karakter van dit criterium gaat terug tot het al vermelde Keizerlijk Decreet van 14 december 1810 van Napoleon Bonaparte «Contenant règlement sur l’exercice de la profession d’advocat et de la discipline du barreau», dat in art. 43 aan de advocaten toestond om zélf achteraf hun honoraria te bepalen «avec la discrétion qu’on doit attendre de leur ministère» (Pasin., Première Série 1788-1814, Brussel, Tarlier, 1837, 236, art. 4), met andere woorden de tekst die vandaag de dag aldus nog steeds letterlijk is terug te vinden in het huidige art. 446ter Ger.W. En zulks, zonder dat ook maar in enigerlei mate rekening is gehouden met evoluties die inmiddels hebben plaatsgevonden, zoals het marktdenken, de promotie van advocaten tot ondernemers met de daaraan verbonden onderwerping aan de regels van het WER, met o.a. zijn informatieverplichtingen over de prijs (artt. III.74, III.76 en XIV.3.3e), de Europese richtlijnen, het mededingingsrecht, de onrechtmatige bedingenleer, transparantie, ereloonovereenkomsten, uurvergoeding, onkostenvergoeding, provisies, de economische kostprijs van de dienstverlening, het bedrijfsrisico van de advocaat-ondernemer en de «open marketplace».

Overwegende dat daar helaas nog de vaststelling bijkomt dat het na meer dan tweehonderd jaar onder eenzelfde bepaling te hebben geleefd, ook vandaag nog niet mogelijk is een objectief en sluitend antwoord te geven op de eenvoudige vraag «wat is een billijk ereloon», dat bovendien «met bescheidenheid» moet worden bepaald. Tijdens een studienamiddag op 19 mei 2016 van het tijdschrift Deontologie en Tuchtrecht, werd daartoe nogmaals een zeer levenswaardige poging ondernomen, maar het resultaat was bedroevend, zoals blijkt uit het Verslag van Ruth Boone (Juristenkrant nr. 330 van 25 mei 2016, p. 9): «Over wat nu precies een billijk ereloon is, bleven de sprekers toch eerder op de vlakte, en werden vooral algemene en theoretische regels herhaald. ... Wie concrete bedragen wilde horen, was eraan voor de moeite.»

Overwegende dat bovendien ook geen soelaas kan worden gevonden door op zoek te gaan naar de inhoudelijke betekenis van de term «bescheidenheid» in art. 446ter Ger.W., aangezien er nooit twijfel blijkt over te hebben bestaan dat deze term staat voor «discretie» in zijn (oude) betekenis van verstand, onderscheid zoals «de jaren van discretie» ook «de jaren des onderscheids» worden genoemd (J. Stevens, o.c., RW 2016-17, 818).

Overwegende dat zoveel verbazing de vraag doet rijzen naar de huidige betekenis van art. 446ter Ger.W.

Overwegende dat de partijbeslissing op grond art. 446ter Ger.W. strijdig is met het Europees recht dat directe werking heeft in de interne Belgische rechtsorde en voorrang heeft op die bepaling (H. Lamon, «Advocatenhonoraria: alles bij het oude laten is geen optie», Juristenkrant nr. 337 van 9 november 2016, p. 15; Antwerpen 22 december 2015, rolnr. 2015/FA/764, niet gepubliceerd). Dit laatste arrest concludeerde zelfs dat een interne nationale bepaling die in strijd is met de internationaalrechtelijke beginselen «terzijde dient geschoven te worden». Het oude gebruik van het systeem van de eenzijdige partijbeslissing van de advocaat bij het vastleggen van zijn honorarium valt niet meer te rijmen met Richtlijn 2011/823/EU van de Raad van 25 oktober 2011 en Richtlijn 1993/13/EEG van de Raad van 5 april 1993. Ons Ambt kan geen rechtsgevolg verbinden aan een vordering die, zoals in casu, de veroordeling beoogt tot betaling van advocatenhonoraria die gestoeld zijn op een partijbeslissing omdat deze enkel kan tot stand gekomen zijn door een miskenning van de dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen (H. Lamon, «Advocatenhonorarium en Wetboek Economisch Recht», NJW 2015, 384).

Overwegende dat die dwingende bepalingen van de Europese Richtlijnen inmiddels hun neerslag hebben gevonden in het Wetboek van Economisch Recht (Invoeging Boek XIV «Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende de beoefenaars van een vrij beroep»), in werking getreden op 31 mei 2014 en dus volledig van toepassing op 7 november 2016 (datum van de redactie van de in casu voorgelegde staat). De advocatuur ressorteert nu onbetwistbaar onder de bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht (WER) (J. Stevens, Juristenkrant nr. 311 van 10 juni 2015, p. 8), ten gevolge waarvan een partijbeslissing niet meer mogelijk is tegenover consumenten.

Overwegende dat de verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt/consument een contractuele grondslag heeft: een voorafgaand akkoord is noodzakelijk (Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 27 oktober 2014, A.R. nr. 14/830/A; HvJ 15 januari 2015, C-537/13, Siba t/ Devenas). De advocaat is verplicht om bij de aanvang van de zaak een schriftelijke honorariumovereenkomst te sluiten waarin minstens de berekeningsmethode wordt vermeld en in alle transparantie de informatie wordt gegeven die het voor de afnemer van de dienst mogelijk maakt in alle redelijkheid de kosten te kunnen inschatten. In geval van betwisting is deze overeenkomst de enige basis voor beoordeling, dit op grond van de theorie van de wilsgebreken en het verbintenissenrecht in het algemeen, maar ook met inbegrip van de dwingende bepalingen over consumentenbescherming die Ons Ambt overigens verplicht ambtshalve dient te toetsen (Gent 26 oktober 2012, nr. 2011/AR/2924, niet gepubliceerd, met verwijzing naar Richtlijn 1993/13/EEG van de Raad van 5 april 1993; zie: H. Lamon, «Advocatenhonoraria: alles bij het oude laten is geen optie», Juristenkrant nr. 337 van 9 november 2016, p. 15). Met verwijzing naar Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Gent) 27 oktober 2014, A.R. nr. 14/830/A, betoogt H. Lamon in Juristenkrant nr. 304 van 25 februari 2015, p. 7: «Zonder duidelijke afspraken met cliënt geen ereloon voor de advocaat.» Dit zou dan evenwel weer een ander onevenwicht tot stand brengen, namelijk dat tegenover een verricht werk geen énkel ereloon zou staan, terwijl elk uitgevoerd werk nochtans een loon verdient (Vred. Sint-Jans-Molenbeek 14 maart 1989, JT 1989, 384). Bij de in casu noodzakelijkerwijze forfaitaire begroting (cf. infra) van het ereloon houdt Ons Ambt rekening met álle relevante concrete en specifieke omstandigheden waarin de dienstverlening is geschied.

Overwegende dat in casu geen enkele ereloonovereenkomst voorhanden is, zodat bij gebreke van enigerlei normering het ereloon forfaitair wordt bepaald op 3 % van het in aanmerking genomen kapitaalbedrag, zijnde 3 % op 873.409,03 euro = 26.202,27 euro. Op het bedrag van de in de toekomst te ontvangen maandelijkse rente kan geen ereloon worden toegekend, aangezien het hier nog niet daadwerkelijk ontvangen vergoedingen betreft. En hoe dan ook kan voor de berekening van een ereloon de kapitalisatiemethode niet worden aangewend, aangezien deze uitsluitend kan dienen om het bedrag van een periodieke of constante toekomstige schade actueel te begroten.

Overwegende dat de kosten- en ereloonstaat die de beschermde persoon aan mr. C.T. verschuldigd is er derhalve als volgt uitziet:

– ereloon: 26.202,27 euro – dossierkosten (113 geschreven stukken): 1.458,79 euro – BTW 21 %: 5.808,82 euro – betaalde provisie: –2.400,00 euro Totaal: 31.069,88 euro

Noot: 

Wanneer in 2001 een uurloon van 100 euro algemeen aanvaard werd, geldt voor 2012 een uurloon van 125 euro tot 140 euro euro als meer dan aanvaardbaar zoals dit thans in de provincie voor gewone gemiddelde zaken wordt toegepast.

De advocaat begroot bij partijbeslissing zijn ereloon, behoudens andersluidende voorafgaande afspraken. De rechter kan bij een eventuele betwisting een kennelijk overdreven ereloon verminderen maar ter zake zijn er geen vaste tarieven of een vast tarievenboek aan de hand waarvan u een advocaat kan verplichten om te laten werken. Indien een voorafgaande ereloonovereenkomst werd opgesteld is deze niet onderworpen aan het marginale toetsingsrecht van de rechter.

Inkomende briefwisseling brengt kosten mee die bestaan uit de administratieve verwerking mede, die kan begroot worden op 2,5 tot 4 euro.

Wanneer een brief, fax  of een mailbericht binnen komt op een professioneel kantoor wordt zending  niet alleen geopend, maar wordt onmiddellijk de brief in het computersysteem ingebracht. Voor zover de brief niet voorzien is van een referentie, wordt op het secretariaat de referentie aangebracht aan het dossier. Het dossier wordt dan manueel uit het klassement gehaald. Er wordt nagezien wie de verantwoordelijke is voor het dossier. Hiertoe leest het secretariaat oppervlakkig de briefwisseling. Hierna volgt de lectuur van de brief door de behandelende advocaat waarbij de brief wordt opgeslagen in digitale systemen die eveneens gebackupped worden in een archiefsysteem. Het ICT-park voor de behandeling van een gemiddelde van 7.000 dossiers, waarvan 1.500 actieve dossiers, kost ongeveer alleen al een kleine 10.000 € per jaar. Hetgeen wij in rekening brengen is niets meer en niets minder dan de kostprijs hiervan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 26/11/2017 - 11:11
Laatst aangepast op: zo, 26/11/2017 - 11:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.