-A +A

Advocaat begaat geen beroepsfout door geen bewarend beslag te leggen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 02/01/2017
A.R.: 
2015/ AR/1893, 192

Het leggen van bewarend beslag is geen inherente verplichting aan de opdracht van en advocaat. Deze actie vergt een zekere en opeisbare vordering en is een vrij dure procedure die zelfs af te raden valt waardoor in heel wat gevallen de normale voorzichtige advocaat deze actie niet zal adviseren.

Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift voor Procesrecht en Bewijsrecht
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
192
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Defeiten

Samenvattend kunnen volgende feitelijke elementen worden aangereikt:

De appellante deed beroep op de juridische diensten van de geïntimeerde.

Voor deze diensten werd een staat van onkosten en erelonen uitgereikt op 19 april 2013 voor een bedrag van 6.999,35 EUR.

De appellante bleef in gebreke deze staat te voldoen. De geïntimeerde ging over tot dagvaarding.

2. De voorafgaande rechtspleging

2. 1. Op 22 juli 2013 werd dagvaarding uitgebracht door de geïntimeerde.

2.2. Bij niet-bestreden tussenvonnis van 1 oktober 2013 werd de vordering ontvankelijk verklaard en de zaak verzonden naar de Raad van de Orde van Advocaten te Hasselt voor advies. De kosten werden aangehouden.

2.3. Bij bestreden vonnis van 19 mei 2015 werd:

- de vordering van de geïntimeerde zoals herleid, gegrond verklaard;

- de tegeneis van de appellante ongegrond verklaard;

- de appellante veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van 5.550,70 EUR, meer de verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 22 mei 2013 tot de datum van dagvaarding, 22 juli 2013, en vanaf dan met de gerechtelijke intrest tot de datum van volledige betaling;

- de appellante veroordeeld tot de kosten;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande alle verhaal.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Op 3 augustus 2015 werd voor de appellante een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd.

3.2. De appellante vraagt bij conclusies gemaild op 25 juli 2016 om:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende:

- de oorspronkelijke vordering ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

- de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de geïntimeerde te veroordelen tot betaling van 36.485,98 EUR, meer de verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 1 december 2009;

- de geïntimeerde in ondergeschikte orde te veroordelen tot betaling van 30.935,23 EUR (36.485,98 EUR- 5.550,75 EUR), meer de verwijlintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 1 december 2009;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van de taxatieprocedure.

3.3. De geïntimeerde vraagt bij conclusie gemaild op 27 september 2016 om:

- het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te willen bevestigen;

- de appellante te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Er worden geen argumenten aangaande een mogelijk onontvankelijk hoger beroep voorgedragen.

Het hoger beroep komt, naar vorm en termijn, ontvankelijk voor.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. Met betrekking tot de oorspronkelijke hoof deis

De geïntimeerde ging op 22 juli 2013 over tot dagvaarding in betaling van 6.999,35 EUR.

Na advies van de Raad van de Orde van Advocaten bij de balie te Hasselt herleidde de geïntimeerde haar vordering naar 5.550,70 EUR.

De appellante beweert niet tot betaling te zijn gehouden. Zoals ook voor de eerste rechter verwijst zij naar de brief van de geïntimeerde van 10 januari 2013 (stuk 12 van de bundel van de appellante).

Het schrijven van 10 januari 2013 werd verzonden aan de ouders van de appellante alsook aan haarzelf.

Dit schrijven vermeldt het volgende:

"Middels onderhavig schrijven deel ik u mede dat u geen verdere kosten noch erelonen meer verschuldigd bent aan mijn kantoor in het kader van mijn dossier met referte 792." Dossier 792 betreft een zaak N.G./W. Deze procedure werd klaarblijkelijk gevoerd voor zowel de ouders als de appellante zelf.

Het dossier waarvoor thans wordt gevorderd is de zaak N.G./MVC 790. Deze procedure werd enkel en alleen voor de appellante gevoerd.

De eerste rechter oordeelde terecht dat uit de brief van 10 januari 2013 geen betaling voor het dossier 790 kan worden afgeleid.

De brief vermeldt klaar en duidelijk dat voor het dossier 792 alles was betaald.

De dossierfiche boekhouding van het dossier 792 gehecht aan het schrijven van 10 januari 2013 gericht aan de appellante, kan evenmin een bewijs van bevrijdende betaling voor het dossier 790, inhouden.

Dat de geïntimeerde alles zou vermengd hebben en geen onderscheid zou hebben gemaakt, wordt niet aangenomen. De enkele materiële vergissingen (stukken 25, 26 en 27 van het dossier van de appellante) die klaarblijkelijk zijn gebeurd, nopen niet tot een ander oordeel.

De geïntimeerde merkt terecht op dat na de ingebrekestelling van 22 mei 2013 de appellante per mail van 18 juni 2013 reageerde met de mededeling dat zij de omvang betwistte maar geenszins dat zij alles zou betaald hebben.

Een beweerd telefonisch contact van de vader van de appellante met de geïntimeerde - wat door deze laatste wordt betwist - kan het hof geenszins overtuigen.

Wat de toewijzing van de betalingen in het dossier 792 betreft, benadrukt de geïntimeerde dat haar werd medegedeeld dat zij de provisienota's aan zowel de ouders als de appellante mocht richten, die deze nadien onderling zouden verrekenen.

Het bewijs van geldafhalingen door de appellante en haar ouders, toont nog niet aan waarvoor deze gelden dienden en aan wie deze werden betaald.

Van een verrekening van de prestaties van de geïntimeerde met de huurwaarborg in de zaak N.G./MVC BVBA is geen sprake.

De geïntimeerde heeft deze huurwaarborg niet ontvangen op haar derdenrekening. Deze werd rechtstreeks aan de appellante betaald.

De Raad van de Orde van de Balie te Hasselt heeft, na partijen te hebben gehoord, advies verleend.

De hoofdeis (zoals herleid na advies van de Raad van de Orde) blijft in hoger beroep verschuldigd.

De eerste rechter legde de helft van de kosten van de taxatieprocedure ten laste van de geïntimeerde.

De geïntimeerde tekent geen incidenteel beroep aan wat de verdeling van de kosten van de procedure van taxatie betreft.

De appellante dient de helft van die kosten te dragen. Zij wordt voor het grootste deel in het ongelijk gesteld.

4.2.2. Met betrekking tot de oorspronkelijke tegeneis

De appellante blijft voorhouden dat de geïntimeerde een professionele fout zou hebben begaan waardoor zij een kans heeft verloren. De geïntimeerde heeft volgens haar ten onrechte geen initiatief genomen om beslag te leggen op de goederen die de tegenpartij (de BVBA MVC) bij haar vertrek uit het gehuurde pand heeft meegenomen.

In de eerste plaats doet de geïntimeerde opmerken dat zij slechts werd gecontacteerd nadat de goederen reeds uit het pand waren gehaald. De appellante werd toen bijgestaan door een andere advocaat, mr. Astrid Clabots.

Op 28 oktober 2009 mailde de appellante als volgt aan haar vorige advocaat:

"Bij het oproepen van de politie op 26 oktober kan ik u melden dat de winkel grotendeels leeggehaald was. Om dit gedetailleerd te beschrijven is voor mij onmogelijk .... "

Met betrekking tot de beweerde weggenomen goederen bestond een betwisting omtrent het eigendomsrecht.

De geïntimeerde benadrukt dat nooit opdracht werd gegeven om bewarend beslag te leggen.

De e-mail van 27 september 2012 (stuk 8 van de bundel van de appellante) houdt - zoals de geïntimeerde terecht opmerkt - geen opdracht tot het leggen van bewarend beslag in.

Slechts nadat de geïntimeerde haar ereloonstaat deed geworden aan de appellante, ging deze de vraag stellen waarom geen "conservatoire maatregelen" waren genomen.

De vraag rijst of een voorzichtig en vooruitziend advocaat geplaatst in dezelfde omstandigheden bewarend beslag zou hebben geadviseerd aan haar cliënte.

Het hof is van mening dat dit niet het geval is. Uit de conclusies van partijen in de huurzaak (stukken 6 en 7 van de bundel van de geïntimeerde) blijkt dat er een eigendomsbetwisting bestond over de goederen.

Volgens artikel 1415 Ger.W. mag verlof om bewarend beslag te leggen niet worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaande is of vatbaar voor een voorlopige raming.

Gelet op de betwisting voor de vrederechter was er geen zekere, opeisbare schuldvordering.

Bovendien waren er verschillende aanwijzingen dat de tegenpartij financieel aan de grond zat zodat betwistbare kostelijke gerechtelijke acties proceseconomisch niet aan te raden waren.

Kortom: een voorzichtig advocaat geplaatst in dezelfde omstandigheden zou een bewarend beslag niet hebben geadviseerd.

Na de einduitspraak van de vrederechter op 20 december 2012 heeft de geïntimeerde - zoals gebruikelijk - getracht om een minnelijke regeling en betaling te bekomen. Wanneer dit uitgesloten bleek, heeft zij bij schrijven van 1 februari 2013 de gerechtsdeurwaarder belast om over te gaan tot uitvoering.

In dit schrijven van 1 februari 2013 vraagt de geïntimeerde de gerechtsdeurwaarder vooraleer tot uitvoering over te gaan, overleg te plegen. Het gsm-nummer van de vader van de appellante werd overgemaakt. Er werd benadrukt geen onnodige kosten (buiten de betekening) te veroorzaken indien de uitvoering niet mogelijk was.

Er is hier dan ook geen reden om aan te nemen dat de geïntimeerde zou getalmd hebben met de uitvoering.

Het vonnis van de vrederechter werd op 12 februari 2013 betekend en op 11 maart 2013 bericht de gerechtsdeurwaarder als volgt:

"Op basis hiervan een beschikking bij de Beslagrechter aanvragen om tot beslag buiten woonst te gaan lijkt niet aangewezen.

Ik ben er verder van overtuigd dat elk beslag onmiddellijk zal gevolgd worden door een dagvaarding in revindicatie, die zoals U weet schorsend werkt.

Bovendien staan de voorgespiegelde goederen in geen enkele verhouding tot de verschuldigde sommen.

In die omstandigheden lijkt het misschien meer aangewezen om over te gaan tot dagvaarding in faling?

Ik dank U voor uw inzichten en instructies."

Bij e-mail van 13 maart 2013 verzocht de geïntimeerde de appellante om instructies gelet op voorgaand schrijven van de gerechtsdeurwaarder.

Bij e-mail van 24 maart 2013 rechtstreeks aan de gerechtsdeurwaarder vroeg de appellante om geen verdere stappen te ondernemen.

De verwijzing van de appellante naar haar e-mail van 28 maart 2013 aan de geïntimeerde waarbij zij informeert omtrent de stappen die zijn ondernomen na betekening, is dan ook bedenkelijk nu zij zich enkele dagen daarvoor rechtstreeks tot de gerechtsdeurwaarder heeft gewend met het verzoek het dossier aan haar over te maken.

Een fout in hoofde van de geïntimeerde wordt dan ook niet weerhouden.

De appellante verwijt de geïntimeerde geen stappen te hebben ondernomen om een klacht met burgerlijke partijstelling wegens onvermogen of strafklacht tegen de BVBA MVC in te dienen.

De appellante toont niet aan dat zij daartoe opdracht heeft gegeven.

Bovendien had de appellante al een einde gesteld aan het mandaat van de geïntimeerde. Zij had zelf aan de gerechtsdeurwaarder geschreven dat geen verdere stappen dienden te worden ondernomen.

Ook hier geldt de vraag of dergelijke gerechtelijke actie wel proceseconomisch verantwoord was.

De appellante verwijt de geïntimeerde de vrederechter een onleesbare kopie van het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder De Sy te hebben overgemaakt.

De geïntimeerde laat gelden dat zij ervan uitging dat het proces-verbaal zich bevond bij de stukken die de gerechtsdeskundige samen met zijn eindverslag neerlegde en dus in het bezit van de vrederechter moesten zijn. De vrederechter heeft desbetreffend nooit een opmerking gemaakt.

De geïntimeerde houdt dan ook terecht voor dat het proces-verbaal in het dossier aanwezig was.

Een fout wordt niet aangenomen.

De appellante laat nog gelden dat de geïntimeerde de zaak niet met de noodzakelijke onafhankelijkheid behandelde. De appellante beweert dat de geïntimeerde goede contacten had met de tegenpartij, de BVBA MVC.

Dit wordt niet bewezen en is inderdaad - zoals de geïntimeerde opwerpt - een beledigende uitlating die de eer van de behandelende advocaat aantast.

Kortom: de geïntimeerde heeft zich gedragen als een voorzichtig en nauwgezet advocaat zou hebben gedaan in dezelfde omstandigheden.

De verdachtmakingen van de appellante aan het adres van de geïntimeerde zijn geheel ten onrechte.

In die omstandigheden moet niet verder ingegaan worden op de schade en het causaal verband.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd om de hiervoor vermelde redenen.

De overige argumenten en middelen van partijen nopen niet tot een andere besluitvorming van het hof.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verwerpt alle andersluidende en meeromvattende conclusies als ongegrond, niet ter zake dienstig en/of overbodig;

- verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en vereffent deze aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.400 EUR ( ... )

Noot: 

W. Vandenbussche en L. Oplinus, De taak van de advocaat in het licht van het bijzondere verjaringsregime van art. 2276bis BW, RW 2017-2018, 1057

I. Het geannoteerde vonnis
II. Verjaringsregime van art. 2276bis BW
III. Taak van de advocaat
A. Aard van de taak
B. Globale taak of deeltaak
1° Klassieke visie: de globale taak
2° Het geannoteerde vonnis: de deeltaak
IV. Analyse
A. Belangenevenwicht
B. Keuze van criteria
C. Proliferatie van aansprakelijkheidsvorderingen
V. Alternatieve denksporen

Rechtsleer:

• P. Depuydt, De aansprakelijkheid van advokaten en gerechtsdeurwaarders. Civiel-, proces-en verzekeringsaspekten, Antwerpen, Kluwer, 1983, 154

• A. Van Oevelen, «De beëindiging van het mandaat van de advocaat» in Liber Amicorum Jo Stevens, Brugge, die Keure, 2011, (603) 619

• I. Claeys, «Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als startpunt van de verjaring» in I. Claeys (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, 46-47

• P. Depuydt, De aansprakelijkheid van de advocaat, Brussel, Larcier, 2006, 244).

• W. Vandenbussche en D. Vervoort, «De aansprakelijkheid van de advocaat en de bemiddelaar. Advocare, mediare, ... errare?» in I. Samoy en Jura Falconis (eds.), Professionele aansprakelijkheid, 2015, 113

Rechtspraak

Volgens het Hof van Cassatie is het mandaat van de advocaat beëindigd op het moment waarop «de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging» (Cass. 29 april 2005, C.03.0611.N, Arr.Cass. 2005, 968. Zie ook: Cass. 20 maart 2003, C.02.0065.F, Arr.Cass. 2003, 683). Art. 2276bis BW heeft daarnaast al tweemaal een grondwettigheidstoets doorstaan (GwH 23 maart 2005, nr. 61/2005, Arbitragehof 30 oktober 2001, nr. 137/2001).

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/06/2018 - 15:13
Laatst aangepast op: di, 19/06/2018 - 15:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.