-A +A

Administratieve geldboete recht van beroep en hoorrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
maa, 09/06/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2009-2010
Pagina: 
334

...

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van appellant strekt ertoe de beslissing tot het opleggen van een gemeentelijke administratieve geldboete, genomen op 21 maart 2008, te vernietigen.

Bij voormelde beslissing werd aan appellant een administratieve geldboete opgelegd van 100 euro wegens een overtreding van art. 1 van de stedelijke verordening betreffende het parkeren.

B. Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten

Op 11 oktober 2007 werd om 12 u 30 door een agent van politie te Oostende een zogenaamd «bestuurlijk verslag» opgesteld, omdat de personenwagen (...) met nummerplaat (...) te Oostende ter hoogte van het huis nummer 84 geparkeerd stond, dit is in een zone voorbehouden voor bewonersparkeren, zonder dat een bewonerskaart voorlag.

De houder van de nummerplaat was de heer J.N., die met een aangetekende brief van 25 oktober 2007 werd ingelicht van het feit dat er tegen hem een bestuurlijk verslag was opgesteld en werd uitgenodigd om zijn verweermiddelen in te dienen.

De heer J.N. liet weten dat niet hijzelf, maar wel zijn zoon T. op 25 oktober 2007 bestuurder was geweest van de betrokken wagen. T.N. reageerde met brief van 13 november 2007, waarbij een aantal foto‘s gevoegd waren.

Op 14 april 2008 nam de sanctie-ambtenaar de bestreden beslissing, waarin gezegd wordt dat de overtreding bewezen is en waarin de heer T.N. wordt veroordeeld om een administratieve geldboete te betalen van 100 euro.

De beslissing werd hem ter kennis gebracht met een brief van dezelfde datum.

Op 14 mei 2008 legde hij op de griffie een verzoekschrift tot hoger beroep neer, waaraan onder meer een aantal foto‘s waren gehecht waarop de plaatsgesteldheid te zien is.

2. Nopens de ontvankelijkheid en het advies van het openbaar ministerie

De bestreden beslissing werd aan appellant ter kennis gebracht met een aangetekende brief van 14 april 2008. Krachtens art. 119bis, § 12, Gem.W. beschikt de overtreder over een termijn van een maand om beroep aan te tekenen. Het verzoekschrift tot hoger beroep werd binnen die termijn op de griffie neergelegd, zodat het beroep ontvankelijk is, wat trouwens niet het voorwerp uitmaakt van betwisting.

Ter openbare terechtzitting van 26 mei 2008 heeft het openbaar ministerie mondeling advies gegeven, waarna geïntimeerde afstand heeft gedaan van haar recht op repliek.

Hoewel soms wordt beweerd dat er geen advies moet worden gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid en het advies van het openbaar ministerie wel degelijk vereist zijn. Immers, het hoger beroep voor de politierechtbank werd precies ingevoerd om de (vermeende) overtreder in staat te stellen de juistheid van de beslissing van de ambtenaar te laten toetsen door een rechter. Dit impliceert dat de rechter de regelmatigheid van de administratieve procedure moet toetsen ten aanzien van de internationale normen (bv. E.V.R.M.), de grondwettelijke normen (bv. art. 10 en 11 G.W.) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het gaat hier om normen die betrekking hebben op de openbare orde, zodat de aanwezigheid van het openbaar ministerie in het raam van zijn adviesbevoegdheid, geregeld in art. 138 Ger. W., aangewezen voorkomt (zie i.v.m. de gelijklopende procedure in de Voetbalwet Omzendbrief COL. 14/99 van het College van Procureurs-Generaal bij de Hoven van Beroep van 27 oktober 1999, p. 9 (F. Olarysse en Y. Segaert-Vanden Bussche, «De nieuwe voetbalwet: het openbaar ministerie getackeld», R.W. 1999-2000, 1149; D. Verstuyft, «Rechtsbescherming en verweer», Gemeentelijke Administratieve Sancties, studienamiddagen te Genk op 1 juni 2005 en Gent op 8 juni 2005, Brugge, Vanden Broele, p. 237, nr. 311).

De gemeentelijke administratieve sancties zijn bedoeld voor het publiek in het algemeen en hebben een repressieve bedoeling. Ze hebben een algemeen en repressief karakter en zijn (zoals de sancties in de Voetbalwet) van strafrechtelijke aard in de zin van art. 6 E.V.R.M. (L. Veny e.a., «De gemeentelijke administratieve sancties... bis», in Gandaius Actueel X, p. 71, nr. 12; L. Veny en N. De Vos, «De gemeentelijke bestuurlijke sancties en de bestuurlijke procedures van sanctieoplegging», in Gemeentelijke Administratieve Sancties, o.c., p. 106, nr. 133). Ze moeten gemotiveerd worden, want de wet motivering bestuurshandelingen is erop van toepassing (L. Veny e.a., o.c., p. 90, nr. 67). Het lijkt de rechtbank dan ook logisch dat het openbaar ministerie advies geeft.

3. De rol van de rechter bij verstek

Het verstek mag niet worden beschouwd als een instemming met de vordering, maar er moet integendeel vanuit gegaan worden dat de versteklatende partij zowel de bevoegdheid van de rechtbank, als de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering betwist, zodat de rechter de zaak in alle opzichten nauwkeurig moet onderzoeken (Rb. Hasselt 6 april 2005, V.A.V. 2005, 240; Pol. Brugge 26 december 2005, T.G.R. 2006, 39).

Verstek is een wijze van betwisting, zodat de rechter ook bij verstek van een partij de zaak nauwkeurig en in alle opzichten moet onderzoeken (Cass. 14 november 2006, inzake A.R. P.2006.0896.N, www.cass.be; Rb. Hasselt 6 april 2005, V.A.V. 2005, 240; Pol. Brugge 26 december 2005, T.G.R. 2006, 39). Bij verstek dient de rechter de grond van de zaak te onderzoeken, zelfs als het gaat om een materie die niet van openbare orde is (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 364). Bij verstek worden alle punten van het geschil vermoed in betwisting te zijn (Pol. Mechelen 17 mei 2006, V.A.V. 2007, 418). De rechtbank moet naast onder meer de bevoegdheid en de toelaatbaarheid van de vordering, ook de gegrondheid ervan nagaan en zij moet alle middelen onderzoeken waarop de verstekdoende partij zich zou kunnen beroepen, zelfs middelen die niet de openbare orde raken (Rb. Mechelen 2 december 2002, R.W. 2004-05, 267, T.A.V.W. 2003, 227, waar ook het vonnis a quo van de Politierechtbank te Mechelen van 13 januari 2001 werd gepubliceerd).

4. Verloop van de administratieve procedure

Art. 119bis, § 9, Gem.W. bepaalt dat de ambtenaar aan de vermeende overtreder een aangetekende brief moet bezorgen, waarin hij hem onder meer laat weten dat hij het recht heeft om mondelinge verdediging te vragen van zijn zaak.

De ambtenaar heeft dat in zijn brief van 25 oktober 2007 vermeld.

Appellant heeft in zijn brief van 13 november 2007 zijn standpunt uiteengezet en eraan toegevoegd dat «mocht u ter zake toch overwegen aan te dringen, dan verzoek ik gehoord te worden voorafgaandelijk aan uw beslissing».

Appellant heeft dus uitdrukkelijk gevraagd om te worden gehoord en met toepassing van art. 119bis, § 9, Gem.W. moest de ambtenaar bijgevolg appellant uitnodigen om mondeling zijn verdediging voor te dragen. De ambtenaar heeft deze procedurestap overgeslagen (mogelijk wegens tijdsnood, aangezien de beslissing conform de termijn bepaald in art. 119bis, § 10, vierde lid, Gem.W. ter kennis gebracht moest worden uiterlijk op 22 april 2008) en heeft zonder meer zijn beslissing genomen.

Appellant heeft deze schending van het recht van verdediging uitdrukkelijk ingeroepen in zijn verzoekschrift tot hoger beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank werd het recht van verdediging wel degelijk onherstelbaar geschonden, zodat de bestreden beslissing is aangetast door nietigheid.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 30/10/2009 - 19:28
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.