-A +A

Abusieve uitoefening van procesrechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 26/10/2017
A.R.: 
C.16.0393.N

De uitoefening van procesrechten is niet onbeperkt, maar vindt zijn grenzen in het algemene rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik. De uitoefening is abusief wanneer zij plaatsvindt zonder redelijk belang, zij aan de andere partij een onevenredig nadeel berokkent of, in het algemeen, zij kennelijk de perken te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een normaal zorgvuldige procespartij waardoor de goede procesorde in het gedrang komt. Bij deze beoordeling moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Misbruik van procesrecht leidt tot vergoeding van de geleden schade of tot herstel in natura. De sanctie van procesrechtsmisbruik kan derhalve erin bestaan dat stukken waarvan de overlegging als abusief wordt aangemerkt uit het debat worden geweerd.

3. Het middel dat aanvoert dat stukken enkel uit het debat kunnen worden geweerd wanneer deze werden meegedeeld buiten de wettelijk opgelegde conclusietermijnen of wanneer er geen tegenspraak over kon worden gevoerd, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2018/5
Pagina: 
359
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0393.N
TESSILGODI spa, vennootschap naar Italiaans recht, met zetel te 59013 Mon-temurlo (Prato) Italië, Via Roma, 1/B,
eiseres,

tegen

BNP PARIBAS FORTIS FACTOR nv, met zetel te 2300 Turnhout, Steenweg op Turnhout 51,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 maart 2016.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters geven geen uitleg van de inventaris gehecht aan de conclusies van de eiseres van 16 november 2011 en miskennen bijgevolg de bewijskracht ervan niet.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. De uitoefening van procesrechten is niet onbeperkt, maar vindt zijn grenzen in het algemene rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik. De uitoefening is abusief wanneer zij plaatsvindt zonder redelijk belang, zij aan de andere partij een onevenredig nadeel berokkent of, in het algemeen, zij kennelijk de perken te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een normaal zorgvuldige procespartij waardoor de goede procesorde in het gedrang komt. Bij deze beoordeling moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.

Misbruik van procesrecht leidt tot vergoeding van de geleden schade of tot herstel in natura. De sanctie van procesrechtsmisbruik kan derhalve erin bestaan dat stukken waarvan de overlegging als abusief wordt aangemerkt uit het debat worden geweerd.

3. Het middel dat aanvoert dat stukken enkel uit het debat kunnen worden geweerd wanneer deze werden meegedeeld buiten de wettelijk opgelegde conclusietermijnen of wanneer er geen tegenspraak over kon worden gevoerd, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.

Derde onderdeel

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat stuk 89 van de eiseres ook door de verweerster werd voorgelegd als haar stuk 7 van de bun-dels A en B.

Het is bijgevolg niet tegenstrijdig om enerzijds de stukken 58 tot en met 89 van de eiseres uit het debat te weren en anderzijds vast te stellen dat de eiseres in haar brief van 18 juni 1998, zijnde haar stuk 89, heeft erkend dat de goederen van de drie laatste facturen nooit werden geleverd.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Ontvankelijkheid

5. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel aan: het middel komt op tegen een overtollig motief aangezien de appelrechters hun beslissing dat de verweerster niet gehouden is enig bedrag uit te betalen aan La Vella uit hoofde van facturen van DFC Textiles ook steunen op "de fraude van de zijde van La Vella die in haar schrijven van 18 juni 1999 heeft erkend dat de goederen van de drie laatste facturen nooit werden geleverd. Er werd geen verdere betwisting gevoerd in het kader van de procedure van invordering voor de rechtbank in Frankrijk, aangezien DFC Textiles in 1999 failliet werd verklaard."

6. Het voormelde motief vormt slechts een zelfstandige reden tot verwerping van de vordering tot betaling van "de drie laatste facturen", namelijk de facturen F1 van 9 oktober 1998, F6 van 13 oktober 1998 en F8 van 16 oktober 1998 uit-gaande van DFC Textiles. Enkel in zoverre het middel opkomt tegen de beslissing met betrekking tot deze facturen is het bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

In zoverre het middel opkomt tegen de beslissing met betrekking tot de facturen F150 van 22 september 1998, F156 van 29 september 1998 en F158 van 29 september 1998, moet de grond van niet-ontvankelijkheid daarentegen worden ver-worpen.

Grond

7. De eiseres heeft in haar appelconclusie aangevoerd dat artikel 24 van de fac-toringovereenkomsten schuldvorderingen met een betalingstermijn van langer dan 90 dagen van hun toepassingsgebied uitsluit tenzij specifiek anders werd overeen-gekomen en dat zij wat de debiteur DFC Textiles betreft effectief een andere betalingstermijn was overeengekomen, namelijk "90ME10" wat betekent 90 dagen einde maand plus 10 dagen.

8. Met geen enkele eigen of overgenomen reden beantwoorden de appelrech-ters dit verweer.

Het middel is in zoverre gegrond.

Derde middel

Eerste onderdeel

9. Krachtens artikel 1153, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, bestaat, inzake ver-bintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Krachtens artikel 1153, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, is die schadevergoeding verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies moet bewijzen.
Luidens artikel 1153, derde lid, Burgerlijk Wetboek is zij verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen.

De rechter kan de schuldeiser slechts moratoire interest voor een bepaalde periode ontzeggen wanneer hij vaststelt dat de vertraging in de betaling in die periode uit-sluitend aan de schuldeiser te wijten is.

10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiseres in haar appelconclusie de toekenning vorderde van moratoire interest vanaf de respectieve data van de verzoeken tot betaling van de ingediende fac-turen;

- deze verzoeken tot betaling zich situeren in de periode 1999-2001;

- de eiseres en haar rechtsvoorganger op 12 september 2003 overgingen tot dag-vaarding in betaling van deze facturen;

- bij tussenvonnis van 12 mei 2005 door de rechtbank een deskundigenonder-zoek werd bevolen;

- de gerechtsdeskundige het eindverslag op 15 juli 2008 ter griffie neerlegde.

11. De appelrechters oordelen dat slechts moratoire interest kan worden toege-kend vanaf 27 juli 2012, datum van de neerlegging door de eiseres van haar con-clusie na deskundigenonderzoek houdende de vordering.

Zij overwegen daartoe dat:

- de eiseres meer dan drie jaar heeft gewacht alvorens een vordering tot betaling in te stellen voor facturen die werden ingediend in 1999 en 2000 en nadat de factoringovereenkomst was opgezegd omwille van foutieve gedragingen van de eiseres;

- de eiseres bovendien gedurende verschillende jaren het deskundigenonderzoek heeft laten aanslepen door de provisies niet te betalen en in gebreke te blijven een volledig dossier neer te leggen.

12. Door de eiseres aldus moratoire interest te ontzeggen voor de periode tot 27 juli 2012, zonder vast te stellen dat de vertraging in de betaling gedurende de volledige voorafgaande periode en meer bepaald tijdens de periode vanaf de dag-vaarding tot de aanstelling van de deskundige en de periode vanaf de neerlegging van het deskundigenonderzoek tot 27 juli 2012 uitsluitend aan de eiseres te wijten is, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede onderdeel

Ontvankelijkheid

13. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: de beslissing van de appelrechters is in overeenstemming met de conclusies van de eiseres, die bijgevolg niet gegriefd is door deze beslissing.

14. De eiseres heeft voor de appelrechters aangevoerd dat, voor zover van toe-passing, de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsach-terstand bij handelstransacties (hierna: Wet Betalingsachterstand Handelstransac-ties) en de daarin bepaalde rentevoet dient toegepast te worden op zowel haar vordering als op die van de eiseres.

De grond van niet-ontvankelijkheid berust op een verkeerde lezing van de conclu-sies van de eiseres en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Grond

15. Overeenkomstig artikel 14, eerste lid, Wet Betalingsachterstand Handels-transacties is deze wet van toepassing op betalingen in uitvoering van overeen-komsten gesloten, vernieuwd of verlengd na 7 augustus 2002.

16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de factoring-overeenkomsten tussen de eiseres en de verweerster en tussen La Vella en de ver-weerster werden gesloten op respectievelijk 1 april 1994 en 1 april 1996. Voorts oordelen de appelrechters dat deze overeenkomsten door de verweerster werden opgezegd in 2000, hetzij voor de inwerkingtreding van de Wet Betalingsachter-stand Handelstransacties.

Door de Wet Betalingsachterstand Handelstransacties toe te passen op het door de eiseres aan de verweerster verschuldigde commissieloon, schenden de appelrechters artikel 14 van deze wet.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

17. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het heeft geoordeeld over:

- de vordering van de eiseres met betrekking tot de volgende facturen van La Vella aan DFC Textiles: F150 van 22 september 1998, F156 van 29 september 1998 en F158 van 29 september 1998;

- de interest op het door de verweerster aan de eiseres verschuldigde bedrag;

- de interest op het door de eiseres aan de verweerster verschuldigde bedrag.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,  en in openbare rechtszitting van 26 oktober 2017 uitgesproken

 

Noot: 

Uittreksel uit het gerechtelijk wetboek:

Uitgaven en kosten.

Art. 1017. <W 24-6-1970, art. 15> Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
(Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen (579, 6°,) 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen. <W 2006-12-27/30, art. 128, 082; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Met sociaal verzekerden worden bedoeld : de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde.) <W 2006-12-13/35, art. 129, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.
(Vierde lid opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 23, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden.

Art. 1018. De kosten omvatten :
1° (de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald); <W 2006-12-19/33, art. 67, 083 ; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten;
3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;
4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;
5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;
6° (de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;) <W 2007-04-21/85, art. 5, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
7° (het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734.) <W 2005-02-21/36, art. 7, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
(De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in (euro) de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken.) <W 1991-07-12/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 19-08-1991> <KB 2000-07-20/58, art. 3, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 1019. De registratierechten die gerekend worden tot de kosten, omvatten : het algemeen vast recht, de specifieke vaste rechten en de rechten verschuldigd op de vonnissen die veroordeling, vereffening of toewijzing van sommen of roerende waarden inhouden.

Art. 1020. De verwijzing in de kosten wordt van rechtswege verdeeld per hoofd, tenzij het vonnis anders beschikt.
Zij wordt hoofdelijk uitgesproken, indien de voornaamste veroordeling zelf hoofdelijkheid medebrengt.

Art. 1021. <W 04-07-1972, enig art.> Partijen kunnen een omstandige opgave indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de (rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald) in artikel 1022. In dat geval worden de kosten in het vonnis vereffend. <W 2007-04-21/85, art. 6, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
Werden de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk vereffend, dan wordt de beslissing over de kosten, waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening, op de vordering van de meest gerede partij, door de rechter die de uitspraak heeft gedaan, voor zover zijn beslissing niet werd bestreden; de rechtspleging wordt hervat en voortgezet overeenkomstig artikel 750 en volgende.

Art. 1022.<W 2007-04-21/85, art. 7, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13> De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.
(Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing) ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : <W 2008-12-22/39, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 22-01-2009>
- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
- de complexiteit van de zaak;
- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.
Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.
Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

Deze bepaling werd middels de potpourriwet van 25/12/2016 gewijzigd/aangevuld middesl volgende bepaling:

Art. 81. Artikel 1017, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juni 1970, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.".
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 15:08
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.