-A +A

Aanzetten van een minderjarige tot ontucht en prostitutie door misbruik te maken van de ontluikende seksuele belangstelling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/05/2016
A.R.: 
2016/NT/6

Uittreksel uit strafwetboek

Art. 379.  Hij die een aanslag tegen de zeden pleegt doordat hij, ten einde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijke of vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro. 

Hij wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro, indien de minderjarige geen volle zestien jaar oud is.

De straf is opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro, indien de minderjarige geen volle veertien jaar oud is.

Het begrip ontucht omvat gedragingen van grove zinnelijkheid en onzedelijkheid in de brede zin die maatschappelijk als buitensporig worden beschouwd, onder meer rekening houdend met de leeftijd van de betrokkene.

Het begrip bederf slaat op het gevolg dat dergelijke handelingen hebben of kunnen hebben voor de seksualiteitsbeleving van de betrokkene, zonder dat hierbij is vereist dat het bederf ook effectief tot stand is gekomen.

Het begrip prostitutie behelst tenslotte elke seksuele handeling tegen betaling verricht waarbij fysiek contact tot stand wordt gebracht tussen personen dat gericht is op een seksuele beleving in hoofde van diegene die de handeling verlangt.

Evenwel vereist de toepassing van artikel 379 van het Strafwetboek de aanwezigheid van een bijzonder opzet erin bestaande dat de dader handelt met het opzet de driften van een ander persoon te voldoen. (vgl. Cass. 22 mei 2001, Arr. Cass. 2001, 972; F. Hutsebaut, "Kinderpornografie in het Belgisch strafrecht", T. Strafr. 2000, 189)

De andere persoon kan evenwel de betrokken minderjarige zelf zijn.

Vanaf het moment dat een dader berichten verstuurt aan de minderjarigen die aanzetten tot ontucht onder meer misbruik te maken van de ontluikende seksuele belangstellingwas is er begin van uitvoering van het misdrijf. Te dezen is het telkenmale tengevolge van externe omstandigheden dat zijn pogingen niet hun volle uitwerking hebben gekregen.

De minderjarige, waarvan sprake is in artikel 379 Sw, wordt daarbij aangezien als ‘een ander' in de zin van dit artikel (zie en vgl. Cass. 08/09/1992, Arr. Cass., 1991-1992, 1082; navolgbaar). Uit het concrete feitenmateriaal kan afgeleid dat de dader mede handelde teneinde de driften van de minderjarige slachtoffers te voldoen. Hij speelde als meerderjarige in op de seksuele nieuwsgierigheid die reeds bij pubers aanwezig is om hen te prikkelen en hen ertoe te bewegen over te gaan tot aanrakingen en vergaand maatschappelijk seksueel afkeurenswaardig gedrag.

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat

Arrest
Het Hof van beroep te Gent, derde kamer, recht doende in correctionele zaken

Not. BG 37.L4.6362/08 SV:

In de zaak van het Openbaar Ministerie

en van de burgerlijke partij:

V. S., geboren te ....................., wonende te ....................................................

- in eigen naam;

- in haar hoedanigheid van ouder-wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige D. L., geboren op .............;

M. A., geboren te ....................., wonende te ......................................................

in eigen naam;

beiden tevens handelend namens de huwgemeenschap

B. D. en B. D., beiden wonende te .....................................

G. K., wonende te ..................................................

handelend als ouder/wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van haar minderjarige dochter G. N.;

V. M. en V. D., samen wonende te ...................................

handelend als ouder/wettige beheerder over de persoon en de goederen van hun minderjarige dochter V. K.

 

tegen

Nr.

M. M., M.,

geboren te .............................,

elektronicus,

wonende te ...............................

thans aangehouden en verblijvend te

 

Beklaagd van:

A. Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten, namelijk:

1. op de persoon van D. L., geboren op ...................,

te Brugge, te Torhout en te Zedelgem, in de periode van 01 januari 2008 tot en met 01 oktober 2008.

2. op de persoon van G. N., geboren op ........................,

te Zedelgem op 01 oktober 2008.

3. op de persoon van D. W. K., geboren op ...........................,

te Brugge en bij samenhang te Evergem op 18 september 2008.

4. op de persoon van D. J., geboren op ......................,

te Brugge en te Bredene op 02 januari 2008.

5. op de persoon van V. B. E., geboren op ............................,

te Brugge en te Torhout in de periode van 01 juli 2008 tot en met 19 augustus 2008.

6. op de persoon van VA. K., geboren op ..........................,

te Brugge en bij samenhang te Kortrijk in de periode van 24 september 2008 tot en met 01 oktober 2008.

 

B. Gepoogd te hebben de minderjarige G. N., geboren op .................., die de leeftijd van twaalf jaar had bereikt, door geweld, list of bedreiging te hebben ontvoerd of doen ontvoeren, waarbij het voornemen om de misdaad te plegen zich geopenbaard heeft door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader (s) onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist,

te Zedelgem op 01 oktober 2008.

 

C. Gepoogd te hebben de minderjarige N. L., geboren te ........... ................, die de leeftijd van twaalf jaar niet had bereikt, te hebben ontvoerd of doen ontvoeren, zelfs als de minderjarige zijn ontvoerder vrijwillig is gevolgd, waarbij het voornemen om de misdaad te plegen zich geopenbaard heeft door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader (s) onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist,

te Brugge op 01 oktober 2008.

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 14° kamer, zetelende in correctionele zaken dd. 21 april 2009, op tegenspraak gewezen, werd als volgt beslist:

Verklaart het feit C niet bewezen, spreekt de gedaagde voor dit feit VRIJ en ontslaat hem van elke verdere rechtsvervolging ter zake, zonder kosten.

Herkwalificeert de feiten A1, A3, A4, A5 en A6 als een inbreuk op artikel 379 lid 1 en 3, zijnde:

" Een aanslag tegen de zeden te hebben gepleegd, door, teneinde anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het vrouwelijk geslacht die geen volle veertien jaar oud is op het ogenblik der feiten, namelijk:

A1. D. L., geboren op .................,

te Brugge, te Torhout en te Zedelgem, in de periode van 01 januari 2008 tot en met 01 oktober 2008,

A3. D. W. K., geboren op .........................,

te Brugge en bij samenhang te Evergem op 18 september 2008,

A4. D. J., geboren op .....................,

te Brugge en te Bredene op 02 januari 2008,

A5. V. B. E., geboren op .....................,

te Brugge en te Torhout in de periode van 01 juli 2008 tot en met 19 augustus 2008,

A6. V. K., geboren op ....................,

te Brugge en bij samenhang te Kortrijk in de periode van 24 september 2008 tot en met 01 oktober 2008,

te hebben opgewekt, vergemakkelijkt of begunstigd"

met aanneming van verzachtende omstandigheden, voortvloeiende uit de afwezigheid van criminele veroordelingen in hoofde van beklaagde, in toepassing van artikel 3 van de wet van 04 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, zoals gewijzigd bij wet van 08 juni 2008.

 

Verklaart de feiten A1 zoals geherkwalificeerd, A2, A3 t.e.m. A6, zoals geherkwalificeerd, en B bewezen.

Veroordeelt de gedaagde bij toepassing van art. 65 lid 1 Sw. tot een gevangenisstraf van VEERTIG MAANDEN en een geldboete van DUIZEND EURO ( euro 1.000,00).

Zegt dat bij toepassing van artikel 1 van de Wet van 5 maart 1952 zoals gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 20 juli 1991, 26 juni 1992, 24 december 1993, 26 juni 2000 en 7 februari 2003 voormelde geldboete met vijfenveertig decimes verhoogd wordt en aldus gebracht op vijfduizend vijfhonderd euro ( euro 5.500,00).

Beveelt dat, bij gebrek aan betaling binnen de door de wet bepaalde tijd, voormelde geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maanden.

Stelt vast dat de veroordeelde nog geen veroordeling opgelopen heeft tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden (artikel 4 van de wet van 10 februari 1994) en meent dat een opdeproefstelling van aard is om de verbetering van deze veroordeelde te doen verhopen.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van onderhavig vonnis, gelet op artikel 8 der wet van 29 juni 1964, binnen de perken van artikel 14 van dezelfde wet, uitgesteld wordt voor een termijn van drie jaar voor wat betreft NEGEN/TIENDEN van de uitgesproken geldboete en de daarmee gepaard gaande vervangende gevangenisstraf.

Verklaart de veroordeelde overeenkomstig artikel 378 Sw. ontzet uit de rechten voorzien bij artikel 31 Sw. voor een termijn van vijf jaar.

Verwijst de veroordeelde tot het betalen van de kosten van het geding, in zijn geheel begroot op 956,69 euro.

Verwijst de gedaagden tevens tot het betalen van een vergoeding van euro 25,00 zoals bepaald bij artikel 91 van het KB van 28.12.1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd.

Verplicht de veroordeelde om boven de correctionele hoofdstraf een bedrag van vijfentwintig euro + 45 decimes = euro 137,50 te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985, zoals laatst gewijzigd door K.B. dd 31.10.2005).

 

Verklaart verbeurd de overtuigingsstukken OS/09/1091 en OS/08/4918, dewelke het voorwerp uitmaakten van, gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van voormelde feiten.

Stelt de overtuigingsstukken OS/09/0256, OS/08/4569, OS/08/4290, OS/08/4308, OS/08/4307, OS/08/4870 en OS/08/4975 ter beschikking van het Openbaar Ministerie, teneinde er mee te handelen als naar recht.

OP BURGERLIJK GEBIED

Verklaart de vorderingen van de burgerlijke partijen ontvankelijk en in volgende mate gegrond.

Verwijst de veroordeelde om te betalen aan de burgerlijke partij:

.

1. V. S. in eigen naam, en qq. D. L.

1.1 V. S. in eigen naam

de som van euro 500,00, voor morele schade meer de vergoedende intresten vanaf 01.10.2008 tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 150,00.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond.

1.2 V. S. qq. D. L.

de som van euro 1.000,00, voor morele schade meer de vergoedende intresten vanaf 15.05.2008 tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 300,00.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond.

 

2. M. A.,

de som van euro 200,00, voor morele schade meer de vergoedende intresten vanaf 01.10.2008 tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 50,00.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond.

 

3. V. S. en M. A. handelend namens de huwgemeenschap.

de som van euro 75,00, voor materiële schade meer de vergoedende intresten vanaf 01.10.2008 tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond.

4. B. D. en B. D.

de som van euro 750,00, voor morele schade voor elk van deze burgerlijke partijen en de som van euro 290,28 voor materiële schade, meer de vergoedende intresten vanaf 01.10.2008 voor de morele schade en vanaf datum van betaling voor de materiële schade tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 550,00.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond

 

5. G. K. qq. G. N.,

de som van euro 2.000,00, voor morele schade meer de vergoedende intresten vanaf 01.10.2008 tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Verleent voorbehoud voor toekomstige schade.

Een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 650,00.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond

 

6. V. M. en V. D. qq. V. K.,

de som van euro 300,00, meer de vergoedende intresten vanaf 24.09.2008 tot op heden en de gerechtelijke intresten vanaf heden tot datum der algehele betaling, telkens aan de wettelijke intrestvoet.

Een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van euro 100,00.

Wijst het meer- of anders gevorderde af als ongegrond

Zegt dat de geldsommen toekomende aan de minderjarigen zullen worden geplaatst op een rekening geopend op naam van deze minderjarigen welke rekening, behoudens het recht op wettelijk genot, onbeschikbaar zal zijn tot het tijdstip van de meerderjarigheid van deze minderjarige.

Daar een effectieve vrijheidsstraf werd uitgesproken heeft de rechtbank de gedaagde mondeling ingelicht over de uitvoering van deze vrijheidsstraf en over de mogelijke strafuitvoeringsmodaliteiten.

Voor zoveel als nodig worden de burgerlijke belangen overeenkomstig artikel 4 al. 2 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering zoals vervangen bij artikel 2 van de Wet van 13 april 2005, ambtshalve aangehouden.

* * * * *

Tegen voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld:

- op 30 april 2009 door M. M. tegen alle schikkingen;

- op 5 mei 2009 door het Openbaar Ministerie tegen M. M. tegen alle schikkingen;

- op 5 mei 2009 door S. V. en A. M. tegen M. M. en dit tegen alle schikkingen;

- op 6 mei 2009 door D. B., D. B. en K. G. tegen M. M. en dit tegen alle schikkingen.

* * * * *

Gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands :

- de beklaagde M. M. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door mr. D. Vandamme, advocaat te Blankenberge;

- Mr. F. Hazebrouck, advocaat te Brugge, die de burgerlijke partijen S. V. en A. M. vertegenwoordigt in hun eis;

- Mter. K. Deschoenmaker, advocaat te Ichtegem, die de burgerlijke partijen D. B., D. B. en K. G. vertegenwoordigt in hun eis;

- Mr. F. Hazebrouck in de plaats van mr. L. Coucke, beiden advocaat te Brugge, die de burgerlijke partijen M. V. en D. V. vertegenwoordigt in hun eis;

- mevrouw E. Vanhorenbeeck, Advocaat-generaal, in haar vordering;

* * * * *

I. VOORAFGAANDELIJK - PROCEDURE

01. Huidige zaak werd oorspronkelijk door een beschikking tot verwijzing (hierna kortheidshalve aangeduid als ‘inleidende akte') aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank te Brugge.

02. Deze rechtbank sprak vonnis uit op 21/04/2009.

03. De zaak werd bij dit Hof aanhangig gemaakt door het hoger beroep, ingesteld tegen dit vonnis (hierna kortheidshalve aangeduid als ‘beroepen vonnis'), van :

a. De beklaagde M. M., op 30/04/2009 (aangetekend tegen alle beschikkingen van dit vonnis, te zijnen laste uitgesproken);

b. Het openbaar ministerie, op 05/05/2009 (aangetekend tegen voornoemde beklaagde);

c. De burgerlijke partijen V. S., handelend in eigen naam en in haar hoedanigheid van ouder-wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige D. L., M. A., V. S. en M. A., beiden handelend namens de huwgemeenschap, op 05/05/2009 (aangetekend tegen alle beschikkingen);

d. De burgerlijke partijen B. D., B. D. en G. K., handelend als ouder/wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van G. N., op 06/05/2009 (aangetekend tegen alle beschikkingen).

04. Na regelmatige betekening van een dagvaarding werd de zaak voor de derde kamer van dit Hof - zetelend in correctionele zaken - vastgesteld voor behandeling (buiten het geval van artikel 205 van het Wetboek van strafvordering, wordt de zaak bij het appelgerecht aanhangig gemaakt door de regelmatig ter griffie ingekomen verklaring van hoger beroep, zodat de dagvaarding van het openbaar ministerie om voor dit rechtscollege te verschijnen alleen tot doel heeft de partijen in te lichten over de plaats, de dag en het uur van het onderzoek van het hoger beroep).

05. De zaak is inhoudelijk behandeld door deze kamer van het Hof, uitsluitend samengesteld uit de magistraten zoals aangegeven in het proces-verbaal van terechtzitting dd. 04/11/2009 (zie ook artikel 780 Ger. Wb.).

06. De beklaagde is voor deze kamer verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsman.

07. Dit arrest wordt uitgesproken in openbare terechtzitting, met inachtname van hetgeen is bepaald in artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek (zoals van toepassing vanaf 26/06/2008).

 

II. BEOORDELING

II.A STRAFVORDERING

08. Elk hoger beroep is tijdig en regelmatig.

09. Bij de strafrechter wordt geen omschrijving van een misdrijf aanhangig gemaakt, maar de bepaalde feitelijke strafbare gedraging die de inleidende akte bedoelt. Het behoort tot het onaantastbare oordeel van de feitenrechter uit te maken welke bepaalde feitelijke strafbare gedraging wordt bedoeld en die desnoods, met inachtneming van het recht van verdediging, daaraan zijn juiste omschrijving geeft. De rechter mag daarbij niet alleen steunen op een in de gewone omgangstaal gegeven omschrijving van materiële gedragingen, waarbij de telastlegging geheel of gedeeltelijk wordt gepreciseerd, maar ook op deze telastlegging zelf, die de strafbare gedraging in de bewoordingen zelf van de wet weergeeft. Het komt daarbij aan de strafrechter toe de aansprakelijkheid van alle betrokkenen te bepalen, hetzij als rechtstreekse uitvoerder hetzij als deelnemer aan het misdrijf, dit alles mits de bewoordingen van voormelde akte te eerbiedigen.

10. De strafgerechten dienen de juiste omschrijving van de voor hen gebrachte feiten vast te stellen volgens de gegevens van het verrichte onderzoek, ongeacht de omschrijving die eraan gegeven is in de vervolgingsakten en zelfs indien de nieuwe omschrijving het bestaan inhoudt van andere rechtsbestanddelen dan die welke de oorspronkelijke omschrijving inhield.

11. De feitelijke strafbare gedragingen die de inleidende akte in deze zaak bedoelt doen zich voor als volgt :

a. Feiten zoals bedoeld onder A.1. en A.2. en B (t.n.v. L. D. en N. G.): De beklaagde zocht via het internet (onder de naam ‘N.') contact met L. D., op dat ogenblik 13 jaar oud. Dit gebeurde via chatgesprekken. De telefoonnummers werden uitgewisseld via ‘netlog'. Later trad hij ook in contact met dit meisje via SMS-berichten. Niettegenstaande verklaringen van de minderjarige L. D. als zou hij zich hebben voorgesteld als een jongen van 13 jaar, stelt hij zelf dat de minderjarige wist dat hij meerderjarig was. L. D. verklaarde dat de beklaagde haar na twee dagen vroeg of zij pijpte en of zij wilde vrijen. Hij zei ook dat hij een kamertje zou huren voor hen. Het waren steeds seksueel getinte berichten. De minderjarige kreeg geregeld berichten met de vraag of zij hem wilde pijpen, of hij haar mocht aanraken of dat hij alles mocht doen. Hij zou haar hiervoor betalen. Hij zei ook dat hij ervaren was en dat hij haar alles ging leren. Zij zou 100 euro krijgen om hem te pijpen, 150 wanneer hij haar mocht aanraken en 200 euro als hij alles mocht doen. Hij zei dat zij dan hoer kon worden en dat hij dan andere mannen zou bezorgen. Ook dat zij een mooi lijf had (er werd een foto uitgewisseld via internet). Hij bleef steeds aandringen om af te spreken. De minderjarige bleef uitvluchten zoeken, doch op de duur begon hij te dreigen. Uiteindelijk werd een afspraak gemaakt, dit op 01/10/2008 in Torhout aan het zwembad. Uiteindelijk gebeurde de ontmoeting in Aartrijke. De minderjarige L. was vergezeld van twee vriendinnen toen plots een man uit een auto stapte. De minderjarigen schrokken en probeerden weg te rijden. L. en één van haar vriendinnen (D.) reden weg, doch de andere vriendin (N.) had problemen met haar fiets, waardoor ze niet weg kon fietsen. L. hoorde N. roepen en keek achterom. Zij zag dat de beklaagde Na. vast had rond haar buik. Zij keerde terug en gaf de man een duw. N. kon zich losmaken en wegfietsen. L. belde de politie, doch de beklaagde bleef berichten via SMS sturen. De beklaagde zou gemeld hebben dat zij dat bange meisje diende gerust te stellen, dat ze niks diende te doen dat ze niet wilde. Hij vroeg ook of zij al met vier waren (de minderjarigen hadden ondertussen hulp gezocht bij een uitbaatster van een tattoo-winkel). De minderjarigen stuurden berichten terug met de bedoeling de beklaagde ter plaatse te houden tot de politie aankwam. Lezing van de sms-berichten in de inbox laat toe vast te stellen dat (o.a.) navolgende berichten werden verstuurd : "mannen vinden en je geld laten verdienen is geen probleem. Het enige probleem is dat jij buiten moet kunnen" ..."je moet thuis proberen vertrouwen te winnen door braaf te doen wat ze zeggen he. Dan mag je vaker buiten he. Je kan makkelijk 150 tot 200 euro per keerXXXXX." ..."met piemel spelen, pijpen en neuken en zo he. De gewone dingen he JxXx"... "Is wel voor veel geld he. En is met condoom hoor. Dan is dat niet zo erg he XxXXX"... "Kan zonder pijpen ook maar dan zal dat maar 100 tot 150 euro zijn en geen 200 he xXx"..."Zo zal het wel nooit lukken he. Als je echt hoertje wilt worden dan moet je ervoor zorgen dat je er tijd voor maakt he.

Om het te leren en ook om het te doen he Xxxxxx"..."Als ik een man voor je zou hebben dan kan ik toch maar moeilijk zeggen: mss kan je haar zien als haar lief strafstudie heeft. Zo werkt dat niet he. Die man moet zeker van zijn dat je ook echt komt he. XxX"..."Morgen dus eerste stap om een echt hoertje te worden en veel geld te verdienen J XxxXx"... "Ik zal proberen een kamertje te vinden of zo. Want is slecht weer om buiten te blijven he. Of weet jij iet? XXxX"..."Je wilt toch op kamer en zo he. Anders moet ik niet zoeken he J Xxx"..."Ik sta nu op de parking naast de kerk. Nu zijn jullie al met 4 of zo? J ik wacht nog even. Maar niet te lang hoor. Dat bange meisje gaat nu toch niets verklappen hé? Is wel beetje raar allemaal hoor. JxXx". Bij zijn verhoor dd. 01/10/2008 verklaarde de beklaagde : Er werd inderdaad, op initiatief van L., over seks gechat. Ze heeft mij de vraag gesteld : "Ik zou een hoertje willen zijn. Kan je van mij een hoertje maken? Kan ik hiermee geld verdienen?" Ik antwoordde haar : "Ja. Tot meer dan 200 euro. Je doet dat beter niet met volwassenen want het zou best wel kunnen dat ze niet betalen, je misbruiken of iets aandoen. Ze heeft mij ook via de chat verteld dat het doet of zou doen met jongens op het toilet op school over de middag, maar dit zou niet zoveel opbrengen. Ik heb ook nog een vriendinnetje die dit zou willen doen." Ik heb haar geantwoord dat ze dat zelf moeten weten. Ik heb wel degelijk, zoals ik voorheen verklaard heb, met L. afgesproken. Dit met de bedoeling om haar eens goed te zeggen dat ze zulke dingen beter niet doet of dat het haar slecht zal bekomen. Ik had met haar alleen afgesproken. Dat er vriendinnetjes zouden komen had ik geen weet. Ik kwam gereden van de Torhoutsesteenweg richting Aartrijke. Ter hoogte van de kerk heb ik mij geparkeerd voor de krantenwinkel. Ik wachtte daar op één meisje. Toen bleek dat ze daar plots met drie opdaagden. Alle drie waren ze te voet. Ik heb geen fietsen gezien ...Ik he sterk het vermoeden dat er bepaalde zaken afgesproken werden tussen de meisjes in afwachting van de komst van de politie voor hun verklaring. Ik zou graag hebben dat de meisjes apart hun verklaring afleggen met de specifieke vraag om meer details te geven. Het is volledig absurd hetgeen de meisjes verklaren. Ik was op weg voor een afspraak met één meisje. Waarom zou ik plots stoppen voor drie meisjes op de fiets waarvan ik er dan nog ééntje zou vastgepakt hebben. In een ander verhoor verklaarde hij : "Ik blijf erbij dat ik geen enkele andere bijbedoeling had dan wat praten en eventueel iets gaan drinken. Ik had al eens opschorting van straf gekregen voor dergelijke feiten en dus kijk ik wel uit om nog echt lichamelijk contact te hebben met minderjarigen. Ik had interesse in haar om wat ze vertelde en wat ze wilde en voorstelde. Daarom vond ik het in zekere zin spannend om haar eens in het echt te zien en om haar, als we dan toch aan het praten waren, duidelijk te maken dat ze daarmee heel goed moest oppassen". Het Hof verwijst naar de inhoud van stuk 2 van het strafdossier (blauwe kaft met 17 stukken) voor dit alles. Voor de feiten A.2. en B wordt ook verwezen naar de inhoud van stuk 10 (eveneens blauwe kaft met inhoud).

b. Feit A.3. (D. W. K.): Een onbekende man met nickname N. D. neemt via Netlog contact op met een minderjarige (14 jaar) wanneer zij on-line is. Hij stelt zich voor als een 13-jarige jongen die haar vraagt of zij een vriend had en of ze een GSM of MSN-adres had, zodat hij beter contact zou kunnen nemen. Bij negatief antwoord van slachtoffer, stelt hij slachtoffer voor om haar te verwennen. Hij schreef dat hij wilde dat enkel de vrouwen moesten verwend worden. Ingevolge reactie van het slachtoffer, geeft hij toe ouder te zijn, waarbij hij geblockt wordt op het net. Het Hof verwijst naar de inhoud van stuk 4 strafdossier (blauwe kaft met 2 stukken).

c. Feit A.4. (D. J.): een minderjarige(13 jaar) is ingelogd op netlog en komt in contact met een jongen of man die aangemeld was onder de naam ‘n. d. j.'. Bij een volgend gesprek schrijft hij : "hoi j., als meisjes dat zelf willen, dan leer ik ze lekkere dingen ontdekken en beleven, lekker genieten van alles wat zoal kan dus als je dat zelf wilt, dan leer ik jou lekkere sexdingen ontdekken en beleven snap je ?". De minderjarige antwoorde met ‘fuck off' en verbrak de verbinding. Het Hof verwijst naar de inhoud van stuk 5 (blauwe kaft met inhoud).

d. Feit A.5. (V. B. E.): de minderjarige is 12 jaar. Tijdens het chatten heeft ze reeds tweemaal seksueel getinte aanzoeken van een andere persoon gekregen. Deze persoon maakt zich bekend onder de naam N. M.. Het tweede gesprek werd afgedrukt en luidt als volgt : "Voor mij mag alles hoor, jij kiest he, lekker kussen en knuffelen, overal strelen" ..."je kutje strelen en vingeren, je kutje lekker zoenen en likken, of ook echt neuken, ik doe alles wat jij wilt". Het Hof verwijst naar de inhoud van stuk 6 (blauwe kaft met inhoud).

e. Feit A.6. (V. K.): een dertienjarige krijgt via netlog contact met een persoon die zich voordoet als een dertienjarige. Ze heeft er éénmaal mee gechat waarbij ze haar GSM-nr doorgaf. Hierop ontvangt en verstuurt ze verschillende SMS-berichten. De meeste berichten van de persoon die zich zelf N. D. noemt, zijn uitnodigingen om haar te ontmoeten. In één van de berichten verzekert hij haar ook dat het niet is om "nu al dingen te doen". In één van de berichten staat te lezen : "En wat is er dan wel zo erg? Je leven, het ontdekken en van alles genieten, moet nog beginnen. En ik zal je daar wel bij helpen hoor. Ik ben er voor je xXxXx". In een ander bericht : "Prima. Ik vond het erg tof dat je toch over de brug kwam wat vertelde hoor. Ik vind jou een prachtige meid op alle gebied hoor. En ik zou je erg graag beter leren kennen. Je mag mij alles vertellen en alles vragen hoor. Bij mij moet je je nooit schamen of verlegen zijn. Het lucht op he als je gewoon jezelf mag zijn. Bij mij mag jij alles xXx". Het Hof verwijst naar de inhoud van stuk 7 strafdossier (blauwe kaft met inhoud).

f. Feit C (N. L.): een elfjarig jongetje komt terug van school en voelt zich op een bepaald ogenblik gevolgd. Hij hoort een auto naderen, die op enkele meters na hem stopt. Hij ziet een witte bestelwagen. In de wagen zit er langs de passagierskant een vrouw met blond krullend haar, zonder verder opvallende kenmerken. Zij bleef in de bestelwagen zitten. De bestuurder is uitgestapt en kwam naar de jongen gelopen. Deze laatste liep vlug naar binnen en zag vanuit de woonkamer dat de witte bestelwagen wegreed tot het einde van de straat om dan terug te passeren voorbij de woning aan gewone snelheid. Het Hof verwijst naar de inhoud van de blauwe kaft, gevoegd als stuk 9 bij het strafdossier.

12. Het Hof is van oordeel dat de aanvankelijke feiten, die bij de strafrechter aanhangig werden gemaakt via de inleidende akte onder A.1. en A.4. tot en met A.6. (en zoals verkort weergegeven in het randnummer 11 hoger in dit arrest) onder de noemer ‘aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging' uiteindelijk in hoofde van de beklaagde kunnen worden omschreven als een poging tot het aanzetten tot ontucht van minderjarigen onder de volle veertien jaar oud (inbreuk op de artikelen 51, 52, 379 eerste en derde lid, 380 en 382bis Swb.). Wat feit A.3. betreft, aanvankelijk eveneens omschreven als aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging, kan eenzelfde omschrijving worden weerhouden, met dien verstande dat de minderjarige op het ogenblik van de feiten geen volle zestien jaar oud was (inbreuk op de artikelen 51, 52, 379 eerste en tweede lid, 380 en 382bis Swb.). De beklaagde kreeg ter terechtzitting van 04/11/2009 van dit Hof, middels de vordering van het openbaar ministerie, kennis van deze eventuele wijziging van de omschrijving van deze misdrijven en heeft zich terzake verdedigd.

13. De feiten zoals begrepen en bedoeld onder de noemers A.2. (aanvankelijke omschrijving), B. (idem) en C. (idem) zijn niet naar eis van recht bewezen gebleven (wat betreft feit C wordt de beslissing van de eerste rechter bevestigd - wat de telastleggingen A.2. en B. betreft wordt het beroepen vonnis hervormd : de beklaagde wordt terzake thans ontslagen van rechtsvervolging). Er heerst telkenmale redelijke twijfel die de beklaagde in strafrecht ten goede komt.

14. De feiten A.1. (zoals heromschreven), A.3. (zoals heromschreven) en A.4. tot en met A.6. (zoals heromschreven) zijn in hoofde van de beklaagde naar eis van recht bewezen. Het Hof verwijst naar de feitelijke uiteenzetting zoals in randnummer 11 van dit arrest aangegeven. Gezamenlijke lezing van de inhoud van alle stukken en hoger in dit arrest aangehaalde berichten dwingt dit Hof tot de overtuiging dat de beklaagde via het internet telkenmale daadwerkelijk contact zocht (en verkreeg) met minderjarigen onder de 14 en 16 jaar, teneinde gesprekken over hun seksuele driften uit te lokken. Hij poogde hen alzo aan te zetten tot ontuchtige handelingen, al dan niet tegen betaling. Hij poogde op die wijze misbruik te maken van de ontluikende seksuele belangstelling van deze jongeren. Hij kon zonder argwaan meer seksueel getinte gesprekken ontwikkelen (begin van uitvoering).

Gelet op de inhoud van de gesprekken (hij heeft het over seksuele betrekkingen onderhouden (L. D.), ‘verwennen van vrouwen' (D. W.), ‘lekkere sexdingen ontdekken en beleven (D.), ‘je kutje strelen en vingeren, je kutje lekker zoenen en likken, of ook echt neuken' (V. B.) en ‘het ontdekken en van alles genieten, moet nog beginnen. En ik zal je daar wel bij helpen', zonder beschaamd of verlegen te zijn (V. K.), bestaat er geen de minste twijfel omtrent de werkelijke criminele bedoelingen van de beklaagde. Alle aldus gedane uitlatingen werden door hem overgebracht aan de minderjarigen en de gebruikte terminologie duidt er overduidelijk op dat de beklaagde de minderjarigen telkenmale beoogde onzedelijke handelingen te laten stellen. Het betreft afwijkend en maatschappelijk verwerpelijk seksueel gedrag (handelingen en uitlatingen van een 36-jarige gehuwde man tegenover 11 à 14-jarigen, met dergelijke inhoud, worden door het Hof als dusdanig gecatalogeerd - het betreft vrij abnormale en buitensporige (seksueel getinte) gedragingen/handelingen). Vanaf het moment dat hij dergelijke berichten verstuurde aan de minderjarigen was er begin van uitvoering van het misdrijf zoals hoger aangegeven en het is telkenmale tengevolge van externe omstandigheden dat zijn pogingen niet hun volle uitwerking hebben gekregen. Telkenmale kan gesproken van een poging tot het opwekken van ontucht of prostitutie (hij stelde de minderjarigen gerust, ze dienden niet beschaamd of verlegen zijn, zij mochten ‘alles' doen, bij één van de minderjarigen (D.) was er zelfs uitdrukkelijk sprake van activiteiten inzake prostitutie). Aan de hand van de lezing van de berichten komt het Hof tot de conclusie dat de minderjarigen in geen enkel opzicht zélf aanleiding gaven tot het plegen van dergelijke handelingen of dergelijk gedrag. De beklaagde zelf is geenszins passief gebleven. De minderjarige, waarvan sprake is in artikel 379 Sw, wordt daarbij aangezien als ‘een ander' in de zin van dit artikel (zie en vgl. Cass. 08/09/1992, Arr. Cass., 1991-1992, 1082; navolgbaar). Uit het concrete feitenmateriaal kan afgeleid dat de dader mede handelde teneinde de driften van de minderjarige slachtoffers te voldoen. Hij speelde als meerderjarige in op de seksuele nieuwsgierigheid die reeds bij pubers aanwezig is om hen te prikkelen en hen ertoe te bewegen over te gaan tot aanrakingen en vergaand maatschappelijk seksueel afkeurenswaardig gedrag.

15. Er zijn onvoldoende elementen aanwezig die zouden aannemelijk maken dat het onderzoek niet objectief en niet à décharge (laat staan deloyaal) zou gevoerd zijn. Hetgeen door de beklaagde thans in besluiten in dit opzicht wordt aangevoerd, overtuigt het Hof niet. Dit Hof wordt overtuigd aan de hand van de inhoud van de achterhaalde berichten die de beklaagde zelf heeft uitgestuurd naar de minderjarigen en die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Tussenkomst van verbalisanten bij het opstellen van dergelijke berichten is uitgesloten, zodat alleen de beklaagde aan de basis ligt van de belastende inhoud van deze berichten.

16. De feiten, zoals heromschreven onder A.1., A.3., A.4., A.5. en A.6. zijn de uiting van eenzelfde misdadig opzet, zodat met toepassing van artikel 65 Swb. slechts één straf wordt opgelegd. Deze feiten getuigen in hoofde van de beklaagde van een perverse mentaliteit en een duidelijk gebrek aan normenbesef, mede gelet op de vaststelling dat hij in het verleden reeds voor identieke feiten in aanraking is gekomen met de politionele en gerechtelijke diensten. Maatschappelijk is dergelijk gedrag gevaarlijk en onaanvaardbaar. Een aangestelde deskundige onderzocht de beklaagde en kwam tot het besluit dat hij een pathologische leugenaar is (het zou een stabiele karaktertrek betreffen). Hij aarzelt niet om bij de tenuitvoerlegging van zijn pervert gedrag valse namen en leeftijden te gebruiken. Het blijkt ook dat hij zijn echtgenote voortdurend bedriegt en beliegt. Het gegeven dat hij zijn toevlucht zoekt tot vrij minderjarige kinderen bewijst dat hij zoekt naar gemakkelijk te manipuleren subjecten en geenszins rekening houdt met het welzijn van zijn slachtoffers. De deskundige stelt dat elk schuldgevoel ontbreekt en dat hij niet bereid is persoonlijke verantwoordelijkheid op te nemen. Hij heeft een gebrekkig empathisch vermogen. Hij is wel volledig toerekeningsvatbaar. Betrokkene maakt een gevaar uit voor de maatschappij. De deskundige acht de kans op zedendelicten erg groot. Rekening houdend met al deze factoren komt een effectieve gevangenisstraf van 30 maanden als gepast voor. Alleen dergelijke straf zal het gevaar voor de maatschappij verminderen en betrokkene misschien tot andere gevoelens brengen waarbij het besef ontstaat dat hij de schuld niet bij anderen, doch in de eerste plaats bij zichzelf moet zoeken, teneinde er te kunnen aan verhelpen. Artikel 382 Swb. (ontzetting van de rechten genoemd in artikel 31 Sw.) wordt eveneens toegepast. Er dient verder geen geldboete opgelegd.

17. De beklaagde blijft gehouden tot betaling van :

a. Een solidariteitsbijdrage van 137,50 euro (zie beroepen vonnis);

b. Een bijzondere forfaitaire bijdrage in de kosten t.b.v. 25 euro (idem);

c. De kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie in graad van eerste aanleg (idem).

18. De beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de overtuigingsstukken worden bevestigd.

19. De beklaagde wordt, ten bate van de Staat, veroordeeld tot de kosten die in graad van hoger beroep aan de zijde van het openbaar ministerie zijn gevallen, zoals hierna aangegeven en begroot.

II.B BURGERLIJKE VORDERINGEN

20. Wanneer de rechter de beklaagde vrijspreekt op grond dat de telastlegging niet bewezen is, verklaart hij zich onbevoegd om op de burgerlijke rechtsvordering uitspraak te doen. De strekking van de onbevoegdverklaring is beperkt en het gebruik van het woord "onbevoegdheid" - hoe veralgemeend ook - kan tot verwarring leiden. Het is gewoon een "gebruik", een gewoonte van de strafgerechten zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de burgerlijke rechtsvordering die tegen een vrijgesproken verdachte is ingesteld. De onbevoegdverklaring betekent alleen "dat op basis van de telastlegging" de vordering tot goedmaking van de schade ongegrond is en dat, daar de beklaagde het strafbaar feit niet gepleegd heeft waarvoor hij strafbaar is, de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, onbevoegd is om uitspraak te doen over een andere grondslag (ditmaal uitsluitend een burgerlijke grondslag), die ook tot basis kan dienen voor de vordering van de burgerlijke partij. De beslissing waarbij het gerecht zich onbevoegd verklaart, heeft dus geen betrekking op de burgerlijke rechtsvordering zoals deze hic et nunc is ingesteld. Zij betekent dat de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, onbevoegd is om kennis te nemen van een gewijzigde vordering. De rechter voor wie de strafvordering is gebracht zou dus evenzo kunnen zeggen dat de rechtsvordering van de burgerlijke partij onmiddellijk ongegrond is, omdat de oorzaak van deze vordering, nl. het misdrijf niet bewezen is. (Voetnoot van Krings sub Cass. 25 mei 1973 Arr. 1973, 936; zie ook nrs. 47 en 48 van het advies van Adv.-gen. Liekendael voor Cass 11 januari 1983 R.W. 1982-1983, 2114; zie en vgl. Cass. 20/03/1973, Arr. Cass. 1973, 718, Cass. 18/11/1976, Arr; Cass., 1977, 312; Cass. 21/09/1990, AR 6996, Arr. Cass., 1990-1991, nr. 35; R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 1999, nr. 1883 en R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Maklu, 2005, nr. 2120, met verwijzing naar Cass. 25/05/1973, Arr; Cass., 1973, 936).

21. De vorderingen van de partijen B. D., B. D., G. K. qq G. N. worden afgewezen als ongegrond, gelet op het ontslag van rechtsvervolging, hoofdens de feiten A.2. en B., verleend aan de beklaagde. Het beroepen vonnis wordt hervormd. Deze partijen zijn dienvolgens niet meer gerechtigd op enige vergoeding en er kan hen ook geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend.

22. De burgerlijke vorderingen van de partijen V. S. qq, M. A., V. S. en M. A. handelend namens de huwgemeenschap en V. S., alsmede van de partijen V. Me. en V. D. werden in het beroepen vonnis op gepaste wijze naar billijkheid begroot, bij gebreke aan andere of meer gegevens die zouden toelaten de door deze partijen geleden schade precies te begroten. In graad van hoger beroep werden geen aanvullende elementen naar voor gebracht die dit Hof tot een andere beslissing kunnen brengen.

23. De partijen M., M.-V. handelend namens de huwgemeenschap, V. en V. qq stelden hoger beroep in tegen het beroepen vonnis, doch dit hoger beroep wordt afgewezen als ongegrond. Zij worden aldus in het ongelijk gesteld. Er wordt dan ook aan deze partijen geen rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep toegekend. De rechtsplegingsvergoeding in graad van eerste aanleg, toe te kennen aan deze partijen, bedraagt (hervorming van het beroepen vonnis):

a. Aan M. A. : (zoals gevorderd) 400 euro;

b. Aan M. A. en V. S. (idem) 150 euro;

c. Aan V. S. (idem) 400 euro;

d. Aan V. S. qq (idem) 650 euro.

24. Partijen V. M. en V. D. zijn in graad van hoger beroep gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding van 100 euro in graad van eerste aanleg (zoals toegekend door de eerste rechter en thans gevraagd) en 200 euro in graad van hoger beroep.

 

OP DEZE GRONDEN,

het Hof, rechtdoende op tegenspraak;

met toepassing van de artikelen:

- in het beroepen vonnis (ter uitzondering van de artikelen 373 al. 3, 374, 378 en 428 §1-2 Sw. en ter uitzondering van de artikelen van de wet van 29.6.1964) en hoger in dit arrest aangegeven;

- 162, 179, 182, 184, 185, 189, 190, 194, 211 en 212 Sv.;

- 24 van de wet van 15/06/1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle andere en strijdige conclusies van de hand wijzend als niet gegrond;

Verklaart elk hoger beroep ontvankelijk en erover beslissend:

Vernietigt het beroepen vonnis enkel:

- wat de omschrijving van de feiten A.1., A.3., A.4., A.5. en A.6. betreft;

- waar het feit A.2. zoals aanvankelijk omschreven bewezen werd verklaard en de beklaagde hiervoor werd gestraft;

- waar het feit B. zoals aanvankelijk omschreven bewezen werd verklaard en de beklaagde hiervoor werd gestraft;

- wat de bestraffing van de beklaagde betreft;

 

en opnieuw oordelend:

Ø OVER DE STRAFVORDERING

Ontslaat de beklaagde M. M. van rechtsvervolging hoofdens de feiten zoals aanvankelijk omschreven onder A.2. en B. en stelt vast dat het onderzoek en de vervolging van deze feiten geen afzonderlijke kosten hebben teweeggebracht, deze kosten één en ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de hierna bewezen verklaarde telastleggingen.

Stelt vast dat:

- de feiten A.1., A.4., A.5. en A.6., zoals begrepen in de inleidende akte en door de eerste rechter bewezen verklaard, thans worden omschreven als een inbreuk op de artikelen 51, 52, 379 eerste en derde lid, 380 en 382bis Swb.., nl. gepoogd te hebben een aanslag tegen de zeden te plegen, door, teneinde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijk of vrouwelijk geslacht die geen volle veertien jaar oud is op het ogenblik der feiten, namelijk:

A.1. L. D., geboren op .........., te Brugge, te Torhout en te Zedelgem, in de periode van 01/01/2008 tot en met 01/10/2008

A.4. D. J., geboren op ..........., te Brugge en te Bredene op 02/01/2008

A.5. V. B. E., geboren op .............., te Brugge en te Torhout in de periode van 01/07/2008 tot en met 19/08/2008

A.6. V. K., geboren op ............., te Brugge en bij samenhang te Kortrijk in de periode van 24/09/2008 tot en met 01/10/2008

op te wekken, begunstigen of vergemakkelijken

- de feiten A.3., zoals begrepen in de inleidende akte en door de eerste rechter bewezen verklaard, thans worden omschreven als een inbreuk op de artikelen 51, 52, 379, eerste en tweede lid, 380 en 382bis Swb.., nl. gepoogd te hebben een aanslag tegen de zeden te plegen, door, teneinde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijk of vrouwelijk geslacht die de leeftijd van zestien jaar niet bereikt had op het ogenblik der feiten, namelijk K. D. W., geboren op ............, te Brugge en bij samenhang te Evergem op 18/09/2008, op te wekken, te vergemakkelijken of te begunstigen.

Verklaart de aldus heromschreven feiten naar eis van recht bewezen en stelt vast dat de beklaagde M. M. terzake schuld treft.

Veroordeelt M. M. uit dien hoofde, met toepassing van artikel 65 Swb., tot een gevangenisstraf van DERTIG MAANDEN.

Ontzet hem uit de rechten voorzien in artikel 31 S.W.B. voor een termijn van vijf jaar.

Zegt dat geen geldboete meer wordt opgelegd.

Bevestigt het beroepen vonnis in alle overige beslissingen (solidariteitsbijdrage, bijzondere forfaitaire bijdrage in de kosten, de beslissing inzake de overtuigingsstukken en de gerechtskosten).

Verwijst M. M. bovendien in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie in graad van hoger beroep en begroot deze kosten alhier in hun geheel op 186,55 euro.

OVER DE BURGERLIJKE VORDERINGEN

Gelet op de artikelen

- 1382 en 1383 B.W.

- 3, 4 en 367 Sv.

 

Hervormt het bestreden vonnis wat betreft de beslissingen over de burgerlijke vorderingen van de partijen B. D., B. D., G. K. qq G. N..

Opnieuw wijzend, verklaart deze vorderingen ongegrond en stelt vast dat deze partijen thans niet meer gerechtigd zijn op het bekomen van een rechtsplegingsvergoeding.

 

Verklaart het hoger beroep van de partijen V. S. qq, M. A., V. S. en M. A. handelend namens de huwgemeenschap en V. S. ongegrond en stelt vast dat deze partijen geen rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep worden toegekend;

Hervormt het beroepen vonnis wat deze partijen betreft enkel wat betreft de hen toegekende rechtsplegingsvergoedingen in graad van eerste aanleg en kent aan deze partijen thans toe als rechtsplegingsvergoeding in deze aanleg:

a. Aan M. A.: 400 euro;

b. Aan M. A. en V. S.: 150 euro;

c. Aan V. S.: 400 euro;

d. Aan V. S. qq.: 650 euro.

Bevestigt het beroepen vonnis in alle overige beschikkingen wat betreft de vorderingen van deze partijen.

 

Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen wat betreft de burgerlijke vorderingen van de partijen V. M. en V. D. en stelt vast dat deze partijen gerechtigd zijn op een rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep t.b.v. 200 euro.

 

* * * * *

Kennisgeving overeenkomstig art. 195 Sv

In toepassing van artikel 195 Wb. Sv. stelt het Hof, ter inlichting van de partijen die in deze zaak betrokken waren (ongeacht of deze partijen al dan niet aanwezig zijn tijdens de uitspraak van dit arrest in de openbare terechtzitting) vast:

II.A. de effectieve gevangenisstraf, opgelegd in dit arrest, zal worden tenuitvoergelegd (o.a.) conform de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten, althans in zoverre en op voorwaarde dat deze bepalingen in werking zullen zijn getreden op het ogenblik van de strafuitvoering (zie artikel 109 van deze wet, gepubliceerd in het B.S. dd. 15/6/2005, alsmede de uitvoeringsbesluiten uitgevaardigd in toepassing van dit artikel van deze wet);

II.A. de veroordeelde (dit is een natuurlijke persoon die veroordeeld is tot een vrijheidsstraf krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan) kan, in het kader van deze strafuitvoering, toekenning bekomen van zgn. "strafuitvoeringsmodaliteiten". In de wet van 17 mei 2006 wordt nader bepaald welke overheden daartoe bevoegd zijn en op welke wijze dit kan geschieden (het betreft de Minister van Justitie, de strafuitvoeringsrechter (dit is de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank) of strafuitvoeringsrechtbank - de in de wet voorziene strafuitvoeringsmodaliteiten betreffen: de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof, de onderbreking van de strafuitvoering, het elektronisch toezicht, de beperkte detentie, de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op het verwijderen van het grondgebied of de overlevering, de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen en de omzetting van een vrijheidstraf in een werkstraf);

II.A. de natuurlijke personen, wiens burgerlijke vorderingen in dit arrest ontvankelijk en gegrond werden verklaard kunnen in het kader van de strafuitvoering, onder bepaalde voorwaarden en in de door de wet van 17 mei 2006 voorziene procedures tot toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten, in bepaalde gevallen worden gehoord over de voorwaarden die in het belang van de burgerlijke partij moeten worden opgelegd (de partijen worden ervan ingelicht dat het K.B. dd. 29/1/2007, tot uitvoering van artikel 2-6° van de wet van 17/5/2006, nadere regels bevat omtrent de wijze waarop de burgerlijke partij kan vragen om, na het in kracht van gewijsde treden van een gerechtelijke beslissing, te worden geïnformeerd en/of gehoord. De burgerlijke partij zal daartoe, op dat ogenblik, onverwijld van de griffier van het vonnisgerecht een informatief schrijven ontvangen, waarin nadere informatie omtrent de eventuele uitoefening van dit recht is vervat. Dit schrijven omvat eveneens het model van de slachtofferverklaring. De natuurlijke persoon, wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond werd verklaard, kan zich tot een jusititie-assistent eerstelijn wenden om algemene informatie inzake de wet te verkrijgen en voor bijstand bij het invullen van de slachtofferverklaring).

Dit arrest is gewezen door de derde kamer van het Hof van beroep te Gent, samengesteld uit de magistraten die in deze zaak hebben gezeteld en geoordeeld:

K. Defoort, raadsheer

M. Minnaert, raadsheer

B. Desmet, kamervoorzitter

en op de openbare terechtzitting van TIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/01/2018 - 13:41
Laatst aangepast op: di, 09/01/2018 - 13:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.