-A +A

Aanzetten van een minderjarige tot ontucht en perverse handelingen zonder dwang

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/05/2016
A.R.: 
2016/NT/6

Uittreksel uit strafwetboek

Art. 379.  Hij die een aanslag tegen de zeden pleegt doordat hij, ten einde eens anders driften te voldoen, de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijke of vrouwelijke geslacht opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt, wordt gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro. 

Hij wordt gestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro, indien de minderjarige geen volle zestien jaar oud is.

De straf is opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro, indien de minderjarige geen volle veertien jaar oud is.

Het begrip ontucht omvat gedragingen van grove zinnelijkheid en onzedelijkheid in de brede zin die maatschappelijk als buitensporig worden beschouwd, onder meer rekening houdend met de leeftijd van de betrokkene.

Het begrip bederf slaat op het gevolg dat dergelijke handelingen hebben of kunnen hebben voor de seksualiteitsbeleving van de betrokkene, zonder dat hierbij is vereist dat het bederf ook effectief tot stand is gekomen.

Het begrip prostitutie behelst tenslotte elke seksuele handeling tegen betaling verricht waarbij fysiek contact tot stand wordt gebracht tussen personen dat gericht is op een seksuele beleving in hoofde van diegene die de handeling verlangt.

Evenwel vereist de toepassing van artikel 379 van het Strafwetboek de aanwezigheid van een bijzonder opzet erin bestaande dat de dader handelt met het opzet de driften van een ander persoon te voldoen. (vgl. Cass. 22 mei 2001, Arr. Cass. 2001, 972; F. Hutsebaut, "Kinderpornografie in het Belgisch strafrecht", T. Strafr. 2000, 189)

De andere persoon kan evenwel de betrokken minderjarige zelf zijn.

Dat de beklaagde met de sms - berichten de minderjarige, L aanzette tot het zich ontkleden en het stellen van allerhande perverse handelingen, toont naar het oordeel van het hof ten genoege van recht aan dat hij door zijn handelen een in hoofde van de minderjarige aanwezige intentie versterkte of begunstigde en dat hij naast de eigen driften expliciet de driften van de minderjarige voor ogen had.

Publicatie
tijdschrift: 
lex.be

Arrest
...

S Y

Verdacht van

(...)

Ter terechtzitting van het hof van 26 april 2016 bracht het hof de beklaagde S Y ter kennis dat het zich het recht voorbehoud de tenlastelegging A te hernummeren en te herkwalificeren als volgt:

Te Aalst en/ of elders in het Rijk:

De aanranding der eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de persoon of met behulp van de persoon van een kind van het mannelijk of vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van zestien jaar op het ogenblik van de feiten namelijk:

A.1. Meermaals in de periode van 1 januari 2013 tot en met 25 september 2013 op de persoon van M geboren op 15 juli 1998

A.2. Meermaals in de periode van 7 februari 2012 tot en met 31 augustus 2013 op de persoon van L, geboren op 3 november 1997.

C. Meermaals in de periode van 5 augustus 2013 tot en met 8 september 2013:

Een aanslag tegen de zeden te hebben gepleegd door, teneinde een anders driften te voldoen , de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige van het mannelijk of vrouwelijk geslacht beneden de volle leeftijd van veertien jaar op het ogenblik van de feiten te hebben opgewekt vergemakkelijkt of begunstigd, namelijk L geboren op 12 oktober 1999.

1. De schuld

2.1. De tenlasteleggingen A.1, A.2 - zoals hernummerd - en B

Op grond van de voor het hof gevoerde debatten getoetst aan een nieuw onderzoek van alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier zijn de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A.1, A.2 - zoals hernummerd - en B, in zijnen hoofde zoals voor de eerste rechter ook voor het hof ten genoegen van rechte bewezen gebleven, hetgeen overigens door de beklaagde ook niet ernstig werd betwist.

Het hof treedt met betrekking tot dit besluit dan ook ten overvloede de oordeelkundige beweegredenen van de eerste rechter - zoals vervat op het vijfde blad van het bestreden vonnis - dan ook bij en neemt deze over, nu zij in rechte voldoende grond vinden in de gegevens van het voorliggende strafdossier.

 

2.2. Tenlastelegging C (oorspronkelijk tenlastelegging A - ten nadele van L; eerste gedachtenstreepje)

Elke positieve daad waardoor de dader de ontucht, het bederf of de prostitutie van een minderjarige opwekt, begunstigt of vergemakkelijkt, maakt een inbreuk uit op artikel 379 van het Strafwetboek.

De feitenrechter beoordeelt op onaantastbare wijze, op basis van het collectief bewustzijn, of de door de beklaagde gestelde daden feiten van ontucht, zedenbederf of prostitutie uitmaken, voor zover hij aan die begrippen hun gebruikelijke betekenis toekent.

Het begrip ontucht omvat gedragingen van grove zinnelijkheid en onzedelijkheid in de brede zin die maatschappelijk als buitensporig worden beschouwd, onder meer rekening houdend met de leeftijd van de betrokkene.

Het begrip bederf slaat op het gevolg dat dergelijke handelingen hebben of kunnen hebben voor de seksualiteitsbeleving van de betrokkene, zonder dat hierbij is vereist dat het bederf ook effectief tot stand is gekomen.

Het begrip prostitutie behelst tenslotte elke seksuele handeling tegen betaling verricht waarbij fysiek contact tot stand wordt gebracht tussen personen dat gericht is op een seksuele beleving in hoofde van diegene die de handeling verlangt.

Evenwel vereist de toepassing van artikel 379 van het Strafwetboek de aanwezigheid van een bijzonder opzet erin bestaande dat de dader handelt met het opzet de driften van een ander persoon te voldoen. (vgl. Cass. 22 mei 2001, Arr. Cass. 2001, 972; F. Hutsebaut, "Kinderpornografie in het Belgisch strafrecht", T. Strafr. 2000, 189)

De andere persoon kan evenwel de betrokken minderjarige zelf zijn.

In casu wordt onder de (oorspronkelijke) tenlastelegging A (eerste gedachtenstreepje) aan de beklaagde verweten dat hij L per sms bepaalde opdrachten gaf om zichzelf naakt te fotograferen in allerlei poses en bepaalde handelingen te stellen, die via email werden verstuurd.

Zo werd het meisje ondermeer opgedragen om de stofzuiger in de anus in te brengen.

Ze moest ook voorover buigen voor de camera en voorwerpen in de vagina en de anus binnen brengen.

Tussen de beklaagden en L er nooit enig direct contact geweest en ze hebben nooit met elkaar afgesproken.

Op de vraag of zij ooit werd benaderd op een manier die zij niet fijn vond antwoordt de minderjarige in haar verhoor van 9 september 2013 ‘ik denk het niet ik herinner me niet zoiets."

L werd derhalve nooit onder druk gezet.

Getoetst aan de voorliggende elementen is het hof van oordeel dat de herkwalificatie van het feit A (eerste gedachtenstreepje) als zijnde een inbreuk op artikel 379lid 1en 3 van het Strafwetboek zich opdringt.

Dat de beklaagde met de sms - berichten de minderjarige, L aanzette tot het zich ontkleden en het stellen van allerhande perverse handelingen, toont naar het oordeel van het hof ten genoege van recht aan dat hij door zijn handelen een in hoofde van de minderjarige aanwezige intentie versterkte of begunstigde en dat hij naast de eigen driften expliciet de driften van de minderjarige voor ogen had.

De door de minderjarige gestelde handelingen getuigen van een grove zinnelijkheid en onzedelijkheid die naar de gangbare maatschappelijke moraal als buitensporig worden beschouwd, mede rekening gehouden met de jonge leeftijd van het slachtoffer.

Het feit A (eerste gedachtenstreepje) wordt hernummerd in het feit C, zoals hierboven omschreven als zijnde een inbreuk op het artikel 379 lid 1 en 3 van het Strafwetboek.

Daarbij neemt het hof in toepassing van artikel 3, al. 3, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden zoals gewijzigd door de artikelen 9 en 10 van de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen ((II), B.S. 16 juni 2008) in hoofde van de beklaagde voor wat betreft het feit voorwerp van de tenlastelegging C - zoals geherkwalificeerd - verzachtende omstandigheden aan, erin bestaande dat hij in het verleden nog niet veroordeeld werd tot criminele straffen.

Het aldus heromschreven en hernummerd feit C betreft hetzelfde dat aan de vervolging van de voornoemd beklaagde ten grondslag ligt en daartoe op dezelfde voormelde terechtzitting uitgenodigd, heeft hij met betrekking tot het voorgaande zijn verdediging aangepast.

De feiten voorwerp van deze hernummerde en heromschreven tenlastelegging C werden evenmin door de beklaagde betwist.

...

(Vierde kamer, 2016/NT/6, 24/05/2016)

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/01/2018 - 14:28
Laatst aangepast op: di, 09/01/2018 - 14:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.