-A +A

Aanvoering van eigen recht tegen daad van rechtsvoorganger

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 16/10/2014

Krachtens art. 1122 BW zijn de algemene rechtverkrijgenden gebonden door de daden van hun rechtsvoorganger, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bepaald of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit.

Uit deze bepaling volgt dat zij niet gebonden zijn door een daad van die rechtsvoorganger wanneer zij tegen die daad een eigen recht kunnen aanvoeren dat hun door de wet is toegekend en waaraan die daad afbreuk doet.

Luidens art. 595, tweede lid BW is verhuring door de vruchtgebruiker alleen voor langer dan negen jaar, ingeval het vruchtgebruik ophoudt, ten aanzien van de blote eigenaar slechts verbindend voor de tijd die nog overblijft hetzij van de eerste periode van negen jaar, indien partijen zich nog daarin bevinden, hetzij van de tweede periode, en zo verder, op zo’n wijze dat de huurder enkel recht heeft op het genot gedurende de gehele periode van negen jaar waarin hij zich bevindt.

Deze wetsbepaling geeft de blote eigenaar, die bij het eindigen van het vruchtgebruik eigenaar is geworden, het recht te vorderen dat de duur van de huurovereenkomst verminderd wordt tot de duur van de periode van negen jaar die bij het eindigen van het vruchtgebruik was ingegaan, zelfs als de huurovereenkomst onderworpen is aan de Pachtwet, zonder dat hij gebonden is door de in die wet bepaalde grond- en vormvoorwaarden en zonder dat de huurder zich hiertegen kan verzetten op grond van art. 4, tweede lid van de voormelde wet.

Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de verhuring door de vruchtgebruiker alleen voor langer dan negen jaar de rechtverkrijgende onder algemene titel van die vruchtgebruiker slechts bindt binnen de grenzen bepaald bij art. 595, tweede lid BW.

Dit is ook het geval wanneer de verhuurder, die een onverdeeld aandeel van het verhuurde goed in zijn bezit heeft en de vruchtgebruiker van het andere onverdeelde aandeel van dat goed is, alleen een dergelijke huurovereenkomst heeft gesloten.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
584
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nrs. C.12.0406.F en C.12.0573.F

R.C. t/ LV F.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Doornik van 16 april 2012.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Voeging van de cassatieberoepen

De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis. Er bestaat grond tot voeging.

...

Het cassatieberoep dat op de algemene rol is ingeschreven onder nr. C.12.0406.F

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens art. 1122 BW zijn de algemene rechtverkrijgenden gebonden door de daden van hun rechtsvoorganger, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bepaald of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit.

Uit deze bepaling volgt dat zij niet gebonden zijn door een daad van die rechtsvoorganger wanneer zij tegen die daad een eigen recht kunnen aanvoeren dat hun door de wet is toegekend en waaraan die daad afbreuk doet.

Luidens art. 595, tweede lid BW is verhuring door de vruchtgebruiker alleen voor langer dan negen jaar, ingeval het vruchtgebruik ophoudt, ten aanzien van de blote eigenaar slechts verbindend voor de tijd die nog overblijft hetzij van de eerste periode van negen jaar, indien partijen zich nog daarin bevinden, hetzij van de tweede periode, en zo verder, op zo’n wijze dat de huurder enkel recht heeft op het genot gedurende de gehele periode van negen jaar waarin hij zich bevindt.

Deze wetsbepaling geeft de blote eigenaar, die bij het eindigen van het vruchtgebruik eigenaar is geworden, het recht te vorderen dat de duur van de huurovereenkomst verminderd wordt tot de duur van de periode van negen jaar die bij het eindigen van het vruchtgebruik was ingegaan, zelfs als de huurovereenkomst onderworpen is aan de Pachtwet, zonder dat hij gebonden is door de in die wet bepaalde grond- en vormvoorwaarden en zonder dat de huurder zich hiertegen kan verzetten op grond van art. 4, tweede lid van de voormelde wet.

Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de verhuring door de vruchtgebruiker alleen voor langer dan negen jaar de rechtverkrijgende onder algemene titel van die vruchtgebruiker slechts bindt binnen de grenzen bepaald bij art. 595, tweede lid BW.

Dit is ook het geval wanneer de verhuurder, die een onverdeeld aandeel van het verhuurde goed in zijn bezit heeft en de vruchtgebruiker van het andere onverdeelde aandeel van dat goed is, alleen een dergelijke huurovereenkomst heeft gesloten.

Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis volgt dat de sub C vermelde percelen, op de datum waarop de pachtovereenkomst van 21 december 2006 werd gesloten, voor een onverdeeld aandeel in volle eigendom toebehoorden aan mevr. L., moeder van de eiseres, en voor de andere helft in vruchtgebruik aan mevr. L. en in blote eigendom aan de eiseres, en dat de voormelde pachtovereenkomst bepaalt dat “de pachtster verklaart perfect op de hoogte te zijn gebracht van het feit dat de toegekende pacht de bevoegdheden van de vruchtgebruikster te boven gaat; [de eiseres], momenteel blote eigenaar, zal bij het eindigen van het vruchtgebruik dus in rechte kunnen optreden teneinde de duur van de pacht te verminderen tot de maximumduur die verenigbaar is met de bevoegdheden van de vruchtgebruikster”.

Het bestreden vonnis oordeelt dat mevr. L., al is zij “voor de helft volle eigenaar en voor de helft vruchtgebruiker van de sub C vermelde percelen”, bevoegd was om die pacht toe te kennen, op grond dat “het – zelfs gedeeltelijke – vruchtgebruik gevolgen heeft voor de gehele zaak omdat het betrekking heeft op een theoretisch en niet te verwezenlijken gedeelte van die zaak”.

Het bestreden vonnis, dat oordeelt dat de eiseres “gebonden is door de pachtovereenkomst betreffende de sub C vermelde percelen overeenkomstig de regels van de pacht; [dat] de litigieuze opzegging die op de voormelde percelen betrekking heeft en de voormelde regels miskent, dus nietig en zonder gevolg is”, schendt art. 1122 en 595 BW.

Het onderdeel is gegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/01/2017 - 15:16
Laatst aangepast op: vr, 27/01/2017 - 15:16

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.