-A +A

Aanvangspunt verjaring honorarium advocaat vanaf melding aan de rechtbank dat minnelijke regeling is bereikt

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 20/01/2015

Luidens art. 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon “na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak”.

De prestaties van de advocaat na ontvangst van een brief met verzoek tot afsluiting van de zaak, na het bereiken van een minnelijke regeling, bestaande uit o.m. de verdere correspondentie met de rechtbank en de verschijning nadien voor de rechtbank dat de zaak mag worden doorgehaald, gelet op de regeling, maken deel uit van de opdracht om het dossier af te sluiten.Het is pas vanaf dat moment dat de verjaring begint te lopen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1192
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C.V. P.&V. V. t/ W.E.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde, ingesteld bij dagvaarding van 10 mei 2006, als volgt gegrond verklaart, (1) appellante (alsook haar verzekerde P.P.) veroordeelt tot betaling aan geïntimeerde van 9.615,94 euro, te verhogen met de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 21 april 2006, de gerechtelijke interesten aan dezelfde interestvoet en de gerechtskosten.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk (als zijnde verjaard), minstens ongegrond te verklaren (...).

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerde besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis, (...).

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten en van het voorwerp van de vordering in het bestreden vonnis.

5. Geïntimeerde, advocaat, heeft de belangen van de verzekerde van appellante, dr. P.P., neurochirurg, en van appellante verdedigd in het kader van een strafrechtelijke procedure ten laste van de chirurg wegens onopzettelijke slagen en verwondingen, uit hoofde van bepaalde feiten in het kader van zijn beroepspraktijk, meer bepaald een operatie uitgevoerd op 26 maart 1986.

De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde strekte in hoofdzaak tot de veroordeling van appellante en de oorspronkelijke verweerder tot betaling van zijn staat van onkosten en ereloon voor zijn prestaties ten bedrage van 9.615,94 euro.

6. Appellante stelde primair dat de vordering, ingesteld bij exploot van 10 mei 2006, verjaard was op grond van art. 2276bis, § 2 BW. De eerste rechter stelde vast dat de advocaat nog op de zitting van 30 mei 2001 zijn cliënt had vertegenwoordigd voor het Hof van Beroep te Antwerpen teneinde namens zijn cliënt te bevestigen dat een dading werd gesloten, wat blijkt uit het arrest van 27 juni 2001 van dit hof. Op dat ogenblik was de vordering niet verjaard. De verschijning om dit aan het hof te bevestigen en de doorhaling van de zaak op burgerlijk vlak te vragen zijn prestaties die kaderen in de opdracht van de advocaat om het dossier af te sluiten, zoals gevraagd door de verzekeraar bij brief van 26 maart 2001 (“Dit dossier werd volledig geregeld. U mag afsluiten. Wij hielden eraan u dit te melden.”)

Appellante blijft aanvoeren dat de verjaring vijf jaar na 26 maart 2001, dit is op 26 maart 2006, werd bereikt. Zij betoogt dat zij op 26 maart 2001 ondubbelzinnig een einde had gemaakt aan de opdracht van de advocaat en dat diens taak dan ook beëindigd was, zodat de verjaringstermijn op 26 maart 2001 is beginnen lopen, ook al heeft de advocaat nieuwe (niet gevraagde) handelingen gesteld na deze beëindiging.

Geïntimeerde betwist de verjaring van zijn vordering, omdat volgens hem de vijfjarige verjaringstermijn pas op 30 mei 2001 (verschijning voor het Hof van Beroep te Antwerpen) begon te lopen en omdat zijn vordering bij exploot van 10 mei 2006 werd ingesteld.

7. Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat de staat van ereloon en kosten cijfermatig niet betwist werd, zodat hij de gevorderde som toekende, verhoogd met de moratoire interesten vanaf de ingebrekestelling.

III. Beoordeling

8. Luidens art. 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon “na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak”.

Partijen zijn het oneens over de datum waarop geïntimeerde zijn taak heeft beëindigd, zodat de feiten nog eens chronologisch worden weergegeven:

– 26 maart 1986: schadegeval (heelkundige ingreep);

– 21 maart 1997: vonnis van de Correctionele Rechtbank te Hasselt waarbij een provisie van 10.000.000 fr. wordt toegekend aan de burgerlijke partijen en een heropening van het debat wordt bevolen m.b.t. de overige vorderingen;

– 9 november 1999: arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dat de heropening van het debat beveelt op 22 februari 2000 (wegens het overlijden van het slachtoffer (minderjarige dochter van de burgerlijke partijen));

– 29 augustus 2000: geïntimeerde informeert de voorzitter van de tiende kamer van het Hof van Beroep dat er onderhandelingen worden gevoerd tussen partijen, zodat hij op de zitting van 12 september 2000 uitstel zal verzoeken;

– 6 december 2000: dading tussen de verzekeraars (inclusief appellante) en het slachtoffer;

– 26 maart 2001: brief van appellante aan geïntimeerde met vermelding: “Dit dossier werd volledig geregeld. U mag afsluiten. Wij hielden eraan u dit te melden.”;

– 30 mei 2001: geïntimeerde schrijft aan de voorzitter van de tiende kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen dat een minnelijke regeling werd bereikt en dat de zaak dan ook doorgehaald kan worden;

– 30 mei 2001: zitting van de tiende kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen. Geïntimeerde vertegenwoordigt de verzekerde van appellante, de h. P., waarna het hof, bij eindarrest van 27 juni 2001, akte verleent aan partijen dat de burgerlijke belangen geregeld zijn (...).

9. In de gegeven omstandigheden heeft de eerste rechter terecht geoordeeld dat de prestaties van de advocaat na ontvangst van de brief van 26 maart 2001, o.m. de verdere correspondentie met het hof van beroep en zijn verschijning op de zitting van 30 mei 2001, deel uitmaakten van zijn opdracht om het dossier af te sluiten.

Geïntimeerde werd geraadpleegd in een complexe zaak om de belangen te verdedigen van dr. P., verzekerde van appellante, naar aanleiding van een medische fout, waarbij de financiële belangen aanzienlijk waren en de advocaat heeft dan ook terecht na ontvangst van de brief van 26 maart 2001 van appellante ervoor gezorgd dat het hof een arrest zou uitspreken om akte te nemen van het bereikte akkoord.

10. Bij de hierboven vermelde brief van 26 maart 2001 heeft appellante geïntimeerde verzocht om het dossier af te sluiten. De brief hield geenszins “ondubbelzinnig” in dat de verzekeringsmaatschappij onmiddellijk een einde maakte aan de opdracht van de advocaat. (...) Appellante benadrukte bovendien dat de advocaat mocht afsluiten, wat hij in de volgende weken inderdaad heeft gedaan.

11. Geïntimeerde voert terecht aan dat zijn taak beëindigd werd op 30 mei 2001, op welke datum hij voor het Hof van Beroep te Antwerpen is verschenen om de verzekerde van appellante te vertegenwoordigen.

De vordering tot betaling van zijn staat van kosten en ereloon werd bij exploot van 10 mei 2006 tijdig ingesteld.

Het hoger beroep is ongegrond.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 27/03/2017 - 16:19
Laatst aangepast op: ma, 27/03/2017 - 16:19

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.