-A +A

Aanvangspunt verjaring ereloon advocaat van zodra opdracht is voltooid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 06/06/2016
A.R.: 
2014/ AR/1236

Volgens artikel 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en erelonen na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

De taak van een advocaat is niet enkel beëindigd in het geval dat hetzij de advocaat, hetzij de cliënt ondubbelzinnig een einde maakt aan hun rechtsverhouding, maar ook wanneer de advocaat de hem toevertrouwde taak heeft uitgevoerd. (Antwerpen (1bis k.) 6 juni 2016, nr. 2014/ AR/1236,, P&B 2017/2, 84)

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/2
Pagina: 
82
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Antwerpen (1 bis k.) 6 juni 2016, nr. 2014/ AR/1236, P&B / RDJP 2017 /2, 82

1. Voorwerp van de vordering - voorgaanden

Verjaring -Advocaat -Vordering tot betaling van kosten en erelonen - Beginpunt vijfjarige verjaringstermijn - Beëindiging van de taak

Volgens artikel 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en erelonen na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak, waarvan het tijdstip in deze zaak, bij gebreke aan bewijs van de beweerde nog in 2009 en 2012 geleverde prestaties, wordt vastgesteld op 23 oktober 2008. De taak van een advocaat is niet enkel beëindigd in het geval dat hetzij de advocaat, hetzij de cliënt ondubbelzinnig een einde maakt aan hun rechtsverhouding, maar ook wanneer de advocaat de hem toevertrouwde taak heeft uitgevoerd. Gezien geïntimeerden formeel ontkennen dat er na 23 oktober 2008 door appellante nog prestaties voor hen werden geleverd, komt het appellante toe om haar bewering te staven. De op de staat van kosten en erelonen voorkomende 'bespreking in 2012 met mevrouw; die niet wordt gestaafd door enig stuk, noch door enig objectief element of gegeven, is volgens het hof volstrekt nietszeggend, en de door appellante voorgebrachte eenzijdige afschriften uit haar agenda leveren evenmin het vereiste bewijs. Het hof stelt dan ook vast dat de vordering tot betaling van kosten en erelonen verjaard is, nu slechts op 29 oktober 2013 werd overgegaan tot dagvaarding.

( ... )

Appellante is in de periode van 2007 tot begin 2008 opgetreden als raadsman van geïntimeerden in een procedure, welke vooreerst voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, zetelend zoals in kort geding, en vervolgens in hoger beroep werd gevoerd naar aanleiding van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van burgerlijke stand van de stad Sint-Truiden om hun huwelijk te voltrekken en heeft ook tweede geïntimeerde bijgestaan in een voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hangende procedure, waarbij dan, ingevolge de voltrekking van het huwelijk van geïntimeerden in 2008, afstand van geding werd gedaan.

Volgens appellante stelt en daarin door geïntimeerden formeel wordt tegengesproken, heeft tweede geïntimeerde haar na afloop van deze procedures nog geraadpleegd voor diverse adviezen in april en mei 2009 en is zij tevens onaangekondigd bij haar op raadpleging geweest in 2012, waarop zij enige tijd heeft gewacht op een beslissing van tweede geïntimeerde en dan uiteindelijk op 13 september 2013 haar staat van kosten en erelonen opstelde en deze bij schrijven van 15 september 2013 aan geïntimeerden overmaakte. Gezien er evenwel aan dat schrijven alsook het daaropvolgend door haar aan elk der geïntimeerden verstuurde herinneringsschrijven van 4 oktober 2013 geen gevolg werd gegeven, ging appellante dan op 29 oktober 2013 over tot dagvaarding van geïntimeerden in betaling van haar staat van kosten en erelonen ten bedrage van 7.342,40 EUR, meer de gerechtelijke intresten en de kosten.

Geïntimeerden deden daartegen als verweer gelden dat de aldus te hunnen laste gestelde vordering van appellante bij toepassing van artikel 2276bis § 2 B.W. verjaard is, daar de laatste prestatie van appellante dateerde van 23 oktober 2008.

De eerste rechter heeft met betrekking tot de bewering van appellante dat zij ook nadien nog prestaties heeft geleverd en zij daarvoor o.m. verwees naar de vermelding dienaangaande in haar staat van kosten en erelonen d.d. 13 september 2013 vastgesteld dat daarop, na de vermelding op datum van 23 oktober 2008 'briefwisseling aan klant/overmaken arrest' nog enkel een vermelding 'bespreking in 2012 met mevrouw' voorkomt.

Naar oordeel van de eerste rechter leverde appellante noch in feite, noch in rechte het bewijs dat zij na 23 oktober 2008 voor geïntimeerden nog prestaties heeft verricht, daarbij stellende dat voormelde vermelding in de afrekeningsstaat dat er in 2012 nog een bespreking heeft plaats gevonden met 'mevrouw' inhoudelijk nietszeggend is en de bijgebrachte afschriften uit de agenda van appellante louter eenzijdig zijn.

Het verzoek om een persoonlijke verschijning van de aangestelde van appellante te bevelen, was, naar oordeel van de eerste rechter, niet ter zake dienend, gezien er blijkbaar geen dossierstukken voorhanden waren waarop de beweringen van appellante gestoeld waren en enig tegenbewijs derhalve niet mogelijk leek.

Gezien appellante slechts op 29 oktober 2013 tot dagvaarding is overgegaan, was haar vordering dus, volgens de eerste rechter, verjaard en werd deze dan in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis ontvankelijk verklaard, ingevolge verjaring en appellante veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van geïntimeerden op 990,00 EUR rechtsplegingvergoeding.

Het aldus gewezen vonnis werd ten slotte nog uitvoerbaar verklaard bij voorraad, zonder borgstelling.

Il. Vorderingen in hoger beroep

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe om haar initiele vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en geïntimeerden dienvolgens solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere te horen veroordelen tot betaling van haar staat van kosten en erelonen ten bedrage van 7.342,40 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 15 september 2013.

Zij vraagt verder om, voor zoveel als nodig, een persoonlijke verschijning te bevelen van tweede geïntimeerde en mr. V. teneinde in detail de inhoud van de besprekingen in 2009 en 2012 toe te lichten en haar alzo de mogelijkheid te bieden het bewijs te leveren van de door haar geleverde prestaties. Appellante vordert ten slotte nog de veroordeling van geïntimeerden tot de kosten van het geding, zoals verder door haar in haren hoofde begroot in beide aanleggen. Geïntimeerden besluiten tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep van appellante en vragen om het bestreden vonnis integraal te bevestigen met veroordeling van deze laatste tot de kosten van het geding, welke dan in hoofde van elk van hen wordt begroot op een rechtsplegingvergoeding van 990,00 EUR.

III. Beoordeling

Ontvankelijkheid

Het naar vorm en termijn regelmatig ingestelde hoger beroep van appellante is ontvankelijk.

Ten gronde

Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat, gezien de taak van een advocaat onder meer eindigt wanneer zijn cliënt een einde heeft gemaakt aan zijn lastgeving, het geïntimeerden behoort om aan te tonen dat zij meer dan vijf jaar voorafgaand aan het instellen van onderhavige vordering op ondubbelzinnige wijze een einde hebben gemaakt aan haar taak en dat, gezien geïntimeerden in deze falen op de aldus, volgens haar, in hunnen hoofde bestaande bewijslast, dient te worden geoordeeld dat haar vordering niet verjaard is en deze dus, bij hervorming van het bestreden vonnis, ontvankelijk dient te worden verklaard. Bij het bestreden vonnis werd de vordering inderdaad ingevolge materiële vergissing ontvankelijk verklaard.

De taak van een advocaat is inderdaad niet enkel beëindigd in het geval dat hetzij de advocaat, hetzij de cliënt ondubbelzinnig een einde maakt aan hun rechtsverhouding, doch ook wanneer de advocaat de hem toevertrouwde taak heeft uitgevoerd.

In deze is er geen sprake van een (voortijdige) beëindiging van de taak van appellante door geïntimeerden, doch nam de door hen aan appellante opgedragen taak om hen bij te staan in de procedures, gevoerd voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt en het hof van beroep en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een einde door de daarin definitief gewezen beslissingen en dateert de laatste in het kader daarvan door haar geleverde prestatie, volgens geïntimeerden stellen en tevens blijkt uit de vermelding in haar staat van kosten en erelonen 'briefwisseling aan klant/overmaken arrest', van 23 oktober 2008.

Waar appellante dan voorhoudt dat haar taak daarmee niet beëindigd werd, daar tweede geïntimeerde nadien nog diverse afspraken heeft gehad en zij dan een beslissing van

tweede geïntimeerde heeft afgewacht alvorens haar staat van kosten en ereloon op te stellen, dient te worden opgemerkt dat zij in haar schrijven van 15 september 2013 aan eerste geïntimeerde stelde geruime tijd te hebben gewacht om de kosten en erelonen te verzenden 'zodat hij de mogelijkheid tot verdere integratie had'.

Ter zake de bij dat schrijven aan eerste geïntimeerde overgemaakte staat van kosten en erelonen dient te worden vastgesteld dat daarop, na vermelding '23/10/2008 Briefwisseling aan klant/ overmaken arrest', nog een vermelding 'Bespreking in 2012 met mevrouw' voorkomt, doch daarin geen melding wordt gemaakt van de beweerde door haar in 2009 nog voor geïntimeerden, minstens tweede geïntimeerde geleverde prestaties.

Gezien geïntimeerden formeel ontkennen dat er na 23 oktober 2008 door appellante nog prestaties voor hen geleverd werden, komt het appellante toe om haar beweringen dienaangaande te staven.

Appellante slaagt evenwel ook thans niet in de aldus op haar rustende bewijslast.

De feiten en beschouwingen, welke zij laat gelden ter overtuiging van haar bewering dat er in 2009 en 2012 nog prestaties voor geïntimeerden of minstens tweede geïntimeerde werden geleverd, leveren op zich dan wel in hun geheel genomen niet het minste bewijs daarvan op.

Wat de op de staat van kosten en erelonen voorkomende vermelding 'bespreking in 2012 met mevrouw' betreft, is het hof op zijn beurt van oordeel dat deze inhoudelijk volstrekt nietszeggend is en stelt het verder vast dat er alsnog geen enkel stuk, noch enig objectief en/of vaststaand element of gegeven voorligt, waaruit blijkt dan wel zou kunnen afgeleid dat er, zoals appellante voorhoudt, in 2012 nog een bespreking met tweede geïntimeerde heeft plaats gehad.

De door appellante wederom voorgebrachte eenzijdige afschriften uit haar agenda leveren verder ook als dusdanig het vereiste genoegzaam bewijs niet op van de beweerde door tweede geïntimeerde effectief bij haar ingewonnen adviezen op dinsdag 28 april 2009 en 19 mei 2009, waarvan overigens ook, zoals hiervoor reeds vastgesteld, geen melding wordt gemaakt in haar staat van onkosten en erelonen. Een persoonlijke verschijning, zoals gevraagd door appellante, en ertoe strekkende om alsnog de inhoud van de beweerde besprekingen in 2009 en 2012 in detail te komen toe lichten en haar alzo in de mogelijkheid te stellen om het bewijs bij te brengen van deze beweerde prestaties komt het hof in deze dan ook niet nuttig, noch noodzakelijk voor, zodat daarop wederom niet wordt ingegaan.

Appellante doet verder evenmin pertinent gelden dat zij tijdens de gevoerde procedures enkel provisies heeft gevraagd en geïntimeerden dus wisten dan wel dienden te weten dat er nog een staat van kosten en ereloon zou worden opgesteld en dat het ook, zoals bij andere advocatenkantoren, haar praxis is om het opstellen van haar staat van kosten en erelonen te beschouwen als een vergoedbare prestatie. Zulks doet er immers als dusdanig niet aan af dat, volgens artikel 2276 bis§ 2 B.W., de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en erelonen verjaart na verloop van 5 jaar na het beëindigen van hun taak, waarvan het tijdstip in deze, bij gebrek aan bewijs van de beweerde door haar nog in 2009 en 2012 geleverde prestaties, dient te worden vastgesteld op 23 oktober 2008.

De daartegen door appellante ontwikkelde argumenten ten spijt, dient dan ook met de eerste rechter te worden vastgesteld dat, nu appellante slechts op 29 oktober 2013 is overgegaan tot dagvaarding van geïntimeerden, haar vordering in betaling van haar staat van kosten en erelonen verjaard is.

De bij het bestreden vonnis gewezen beslissing, waarbij de vordering van appellante ontvankelijk verklaard werd, betreft duidelijk een materiële vergissing, nu de verjaring de niet ontvankelijkheid ervan voor gevolg heeft. De materiële vergissing dient dan ook te worden hersteld in die zin dat de vordering niet ontvankelijk wordt verklaard.

IV. De kosten

De bij het bestreden vonnis gewezen beslissing met betrekking tot de kosten is niet voor kritiek vatbaar en dus te bevestigen.

Appellante dient verder ook, als de daarin wederom in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep.

Deze kunnen, cfr. artikel 1022, vijfde lid Ger.W., in hoofde van elk der geïntimeerden worden vereffend op 990,00 EUR rechtsplegingvergoeding.

V. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. dienvolgens,

Bevestigt het bestreden vonnis, mits de daarin geslopen materiële vergissing wordt hersteld in die zin dat de vordering van appellante niet ontvankelijk wordt verklaard.

( ... )

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 25/06/2018 - 18:06
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 18:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.