-A +A

Aanvangspunt verjaring ereloon advocaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 22/04/2014

Krachtens art. 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

De taak van de advocaat wordt o.m. beëindigd op het ogenblik waarop de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging (Cass. 29 april 2005, Arr.Cass. 2005, 968, RW 2007-08, 20, noot; Cass. 20 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 683, RW 2005-06, 1337).

Deze regel geldt evenzeer voor de advocaat: ook als hij ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, is zijn taak beëindigd.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1074
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA W. t/ H.

...

Voorwerp van de vordering

De vordering van de BVBA W., zoals bepaald in haar laatste conclusie, strekt ertoe de h. H. te horen veroordelen tot het betalen aan haar van een bedrag van 3.122,49 euro in hoofdsom, “te vermeerderen met de conventionele moratoire interesten van 12%”;

...

De h. H. vraagt: (...)

...

Beoordeling

In feite

De h. H. heeft in 2005 een beroep gedaan op advocaat G.L. van de BVBA L. (thans: W.) voor juridisch advies over zijn BVBA L., waarvan hij oprichter, aandeelhouder en zaakvoerder was.

Volgens de BVBA W. heeft advocaat G.L. in het licht daarvan stukken opgevraagd en “eerste adviezen” gegeven “tijdens de verdere mondelinge en telefonische onderhouden”. Tevens betoogt zij dat hij “gezocht (heeft) naar minnelijke oplossingen en mogelijke procedures”, alsook dat hij “voor een meer uitgebreid en niche-advies (...) aanvullende informatie (vroeg)”.

...

In rechte

...

De verjaring

De h. H. werpt voorts op dat de vordering van de BVBA W. met toepassing van art. 2276bis, § 2 BW verjaard zou zijn.

Krachtens art. 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

Volgens de h. H. heeft advocaat G.L. zijn taak beëindigd op 17 oktober 2005 en was diens vordering bijgevolg verjaard op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding, d.i. op 20 oktober 2010.

De taak van de advocaat wordt o.m. beëindigd op het ogenblik waarop de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging (Cass. 29 april 2005, Arr.Cass. 2005, 968, RW 2007-08, 20, noot; Cass. 20 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 683, RW 2005-06, 1337).

Deze regel geldt evenzeer voor de advocaat: ook als hij ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, is zijn taak beëindigd.

Weliswaar stelt advocaat G.L. zich in zijn brief van 17 oktober 2005 vragen bij de houding van de h. H., namelijk bij diens afwezigheid van enige reactie, maar beschouwt hij zelf zijn taak op dat ogenblik geenszins als afgesloten; integendeel, hij verwijst namelijk uitdrukkelijk naar de afspraak volgens welke de h. H. hem nog stukken zou bezorgen, die het hem mogelijk zouden maken een diepgaander advies te verlenen, meer zelfs een vergadering te houden op het bedrijf (“Onze bedoeling is om, eens dat het dossier volledig is, een vergadering te plannen op het bedrijf voor een open gesprek. Wij kunnen dan een aantal denkrichtingen en oplossingen voorstellen die dan in een volgende fase kunnen uitgevoerd worden”).

Dat advocaat G.L. zijn taak op dat ogenblik nog niet als afgesloten beschouwt, wordt overigens bevestigd door het feit dat hij bij die brief van 17 oktober 2005 niet een definitieve staat van zijn kosten en honorarium voegt, maar enkel een voorschot daarop.

De loutere afwezigheid van enige reactie van de h. H. op die brief van 17 oktober 2005 kan evenmin als een ondubbelzinnige beëindiging van de lastgeving worden bestempeld. Daarvoor is gedrag vereist dat voor geen andere uitleg vatbaar is (“ondubbelzinnig”).

Ook de brief van 2 februari 2006 van advocaat G.L. kan niet worden bestempeld als een ondubbelzinnige beëindiging van zijn mandaat; hij brengt enkel zijn openstaande factuur houdende een eerste voorschot op zijn kosten en honorarium in herinnering.

Pas bij brief van 28 maart 2007 laat advocaat G.L. op een ondubbelzinnige manier weten dat hij zijn mandaat als beëindigd beschouwt: “Ik ontving geen verdere instructies meer in dit dossier en veroorloof mij dan ook mijn tussenkomst definitief af te sluiten”.

Tot dan heeft de h. H. geen gedrag aangenomen dat in die zin geïnterpreteerd kan worden.

Aldus is er op 28 maart 2007 een einde gekomen aan de taak van advocaat G.L., en was er bijgevolg geen verjaring ingetreden op het ogenblik van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding.

...

Noot: 

Volgens artikel 2276bis, § 2 BW verjaart de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en erelonen na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.



De taak van een advocaat is niet enkel beëindigd in het geval dat hetzij de advocaat, hetzij de cliënt ondubbelzinnig een einde maakt aan hun rechtsverhouding, maar ook wanneer de advocaat de hem toevertrouwde taak heeft uitgevoerd. (Antwerpen (1bis k.) 6 juni 2016, nr. 2014/ AR/1236,, P&B 2017/2, 84)

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 27/02/2016 - 15:58
Laatst aangepast op: ma, 25/06/2018 - 17:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.