-A +A

Aanvang termijn kennisgeving per gerechtsbrief

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 05/05/2011
A.R.: 
59/2011

Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat wordt vermoed dat de ontvangst van een directoriale beslissing gebeurt op de werkdag die volgt op die van de verzending ervan, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Het Grondwettelijk Hof,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 28 april 2010 in zake de cvba « Matray, Matray & Hallet » tegen de nv « Deckers » en de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 mei 2010, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd (vóór de inwerkingtreding van artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek) dat wordt vermoed dat de ontvangst van een directoriale beslissing gebeurt op de werkdag volgend op die van de verzending ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een onverantwoorde discriminatie in het leven roept tussen, enerzijds, de belastingplichtige die een aanslagbiljet ontvangt waarvan de beroepstermijn begint te lopen op de derde werkdag die volgt op de verzending ervan (rechtspraak van het Grondwettelijk Hof - arrest van 19 december 2007) en, anderzijds, de belastingplichtige die een directoriale beslissing ontvangt waarvan de beroepstermijn begint te lopen de tweede dag na de dag van de verzending ervan ? ».
(...)
III. In rechte
(...)
B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van artikel 53bis van hetzelfde Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat wordt vermoed dat de ontvangst van een directoriale beslissing gebeurt op de werkdag die volgt op die van de verzending ervan.

Dat zou een discriminatie tot gevolg hebben tussen, enerzijds, de belastingplichtige die een aanslagbiljet ontvangt, waarvan de beroepstermijn begint te lopen op de derde werkdag die volgt op die van de verzending ervan en, anderzijds, de belastingplichtige die een directoriale beslissing ontvangt, waarvan de beroepstermijn begint te lopen op de dag na de werkdag die volgt op die van de verzending ervan.

B.2. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld.
De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.
De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd ».

Artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend :
1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;
2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst ».

B.3.1. Voor het bepalen van de beroepstermijn die van toepassing is op de aanslagbiljetten, verwijst de verwijzende rechter naar het arrest nr. 162/2007 van 19 december 2007 van het Hof.

In dat arrest werd aan het Hof een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met de artikelen 32 en 52 van het Gerechtelijk Wetboek, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zelf in samenhang gelezen met artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat de datum van verzending vermeld op het aanslagbiljet, de datum is waarop de bezwaartermijn een aanvang neemt.

Het Hof heeft vastgesteld dat, in die interpretatie, de termijn voor het indienen van een fiscaal bezwaarschrift een aanvang zou nemen op een ogenblik waarop de geadresseerde geen kennis kan hebben van het aanslagbiljet.
Het Hof heeft geconcludeerd tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet om de hiernavolgende redenen :
« B.3. Zoals het Hof reeds in de arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006, 85/2007 en 123/2007 heeft geoordeeld, is het redelijk verantwoord dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze, doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet.

B.4. De doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden zou evengoed kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (artikel 53bis van het Gerechtelijk Wetboek).

B.5. In zoverre volgens de in het geding zijnde bepaling de beroepstermijn begint te lopen op de datum van verzending die voorkomt op het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat, beperkt zij op onevenredige wijze de rechten van verdediging van de belastingplichtige.

B.6. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord ».

B.3.2. Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat de interpretatie die van de in het geding zijnde bepaling wordt gegeven, voortvloeit uit het arrest van het Hof van Cassatie van 23 juni 2006 (rolnummer F.05.0021.F), luidens hetwelk « een kennisgeving bij aangetekende brief wordt geacht geschied te zijn de eerste werkdag die volgt op de dag van de afgifte van de brief ter post. Op die datum immers wordt de geadresseerde geacht kennis ervan te hebben kunnen nemen ».

B.4.1. De Ministerraad betoogt dat de door het Hof van Cassatie aangenomen oplossing op gelijke wijze van toepassing is zowel op de belastingplichtigen die een aanslagbiljet ontvangen als op diegenen die een directoriale beslissing ontvangen, zodat er tussen die twee categorieën van belastingplichtigen geen enkel verschil in behandeling bestaat.
Volgens de Ministerraad zou de aan het Hof gestelde vraag dus op een verkeerd uitgangspunt berusten.

B.4.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de bepalingen die het toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling, wat te dezen niet het geval is. Het Hof zal de in het geding zijnde bepaling dan ook onderzoeken in de in B.3.2 vermelde interpretatie.

B.5. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.6.1. Het Hof heeft reeds herhaalde malen geoordeeld dat een bepaling krachtens welke de termijn waarover een persoon beschikt om een jurisdictioneel (arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006 en 48/2006) of een administratief beroep (arresten nrs. 85/2007, 123/2007, 162/2007 en 178/2009) in te stellen tegen een beslissing aanvangt op het ogenblik van de verzending van die beslissing, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het recht van verdediging van de geadresseerde op onevenredige wijze wordt beperkt doordat die termijn begint te lopen op een ogenblik dat de geadresseerde nog geen kennis kan hebben van de inhoud van de beslissing.

B.6.2. Dit houdt evenwel niet in dat de termijn waarover een persoon beschikt om een jurisdictioneel of een administratief beroep in te stellen tegen een beslissing slechts kan aanvangen vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten werd overhandigd, zoals artikel 53bis, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt. Nagegaan dient te worden of het aanvangspunt van een termijn, rekening houdend met de aard van de procedure en met de duur en de gevolgen van de niet-naleving ervan, het recht van verdediging al dan niet op onevenredige wijze beperkt.

B.7. Het in het geding zijnde artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering tegen de belastingadministratie dient te worden ingesteld « binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing ». Luidens de in B.3.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt een kennisgeving bij aangetekende brief geacht geschied te zijn de eerste werkdag die volgt op de dag van de afgifte van de brief ter post. Luidens artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek wordt een termijn gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis die hem doet ingaan. Uit die elementen volgt dat de in het geding zijnde termijn niet ingaat op het ogenblik van de verzending van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep, maar op de dag na de werkdag die volgt op die van de verzending ervan.

B.8.1. De in het geding zijnde termijn vangt bijgevolg aan op het ogenblik waarop de geadresseerde van de kennisgeving redelijkerwijs kan worden geacht ervan kennis te hebben genomen. Die termijn bedraagt drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep.

B.8.2. De wetgever vermocht dan ook redelijkerwijs van mening te zijn dat het niet onontbeerlijk was te bepalen dat de termijn slechts zou ingaan op de derde werkdag die volgt op die van de verzending van de beslissing.

De aldus door de wetgever gemaakte keuze heeft geen onevenredige gevolgen rekening houdend, enerzijds, met het algemene rechtsbeginsel volgens hetwelk de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd, beginsel waarvan de in het geding zijnde bepalingen niet zijn afgeweken en, anderzijds, met het feit dat de betrokkenen, die in een procedure zijn verwikkeld en derhalve worden geacht alle dienstige maatregelen tot vrijwaring van hun rechten te nemen, niet ertoe zijn gehouden hun verdediging te organiseren in omstandigheden die onredelijk moeilijk zouden moeten worden geacht.

B.9. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde bepaling de rechten van verdediging van de geadresseerde niet op onevenredige wijze beperkt.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat wordt vermoed dat de ontvangst van een directoriale beslissing gebeurt op de werkdag die volgt op die van de verzending ervan, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 5 mei 2011.
 

Noot: 

Eric Brewaeys, Aanvang termijn kennisgeving per gerechtsbrief nu duidelijk, De Juristenkrant, 232, 29 juni 2011, pagina 5


De verplichte informatie over rechtsmiddelen in de kennisgeving bij gerechtsbrief

De kennisgeving per gerechtsbrief dient alle nodige informatie te vermelden met betrekking tot de mogelijkheden en de termijnen van het hoger beroep.

Bij gebreke hieraan begint de beroepstermijn niet te lopen

Cassatie 29/01/2016, RW 2016-2017, 1013

AR nr. C.14.0006.F

H.D. t/ Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik en Faillissement H.D.

I. Rechtspleging voor het Hof

...

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 3 oktober 2013.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

Art. 80, tweede lid Faillissementswet bepaalt dat de rechtbank, bij de sluiting van het faillissement, nadat de rechter-commissaris aan de rechtbank in raadkamer mededeling van de beraadslaging van de schuldeisers over de verschoonbaarheid van de gefailleerde heeft gedaan en verslag heeft uitgebracht over de omstandigheden van het faillissement en nadat de curator en de gefailleerde in raadkamer werden gehoord over de verschoonbaarheid en over de sluiting van het faillissement, uitspraak doet over de verschoonbaarheid van de gefailleerde en dat van het vonnis dat de sluiting van het faillissement gelast, door toedoen van de griffier aan de gefailleerde wordt kennisgegeven.

Overeenkomstig art. 5 van die wet gebeurt die kennisgeving per gerechtsbrief.

Geen enkele bepaling preciseert dat die betekening de beroepstermijnen doet ingaan.

Art. 57 Ger.W., krachtens welk, tenzij de wet anders bepaalt, de termijn voor verzet aanvangt vanaf de betekening van de beslissing, vereist niet dat de afwijkende bepaling, waarvan het de toepassing voorbehoudt, uitdrukkelijk is; het is voldoende dat de afwijking kan worden afgeleid uit de op het lopende geding toepasselijke wetsbepalingen.

Art. 80, tweede lid Faillissementswet, de parlementaire voorbereiding van de wijzigende wet van 4 september 2002, en art. 5 Faillissementswet, zoals ze alle hierboven zijn weergegeven, geven uiting aan de wil van de wetgever om te kiezen voor een snelle en goedkope procedure, wat impliceert dat de kennisgeving de termijnen om het beroep in te stellen, doet ingaan.

Ze uiten tevens de wil van de wetgever dat de gefailleerde daadwerkelijk wordt gehoord over zijn verschoonbaarheid in het kader van een rechtspleging die de rechtszekerheid waarborgt.

Art. 6.1 EVRM garandeert de rechtzoekenden een daadwerkelijk recht op toegang tot de rechter voor de beslissingen inzake hun rechten en verplichtingen van burgerrechtelijke aard.

Hoewel het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is en onderworpen kan worden aan impliciet aanvaarde beperkingen, met name voor de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel, mogen die beperkingen de aan een rechtzoekende verleende toegang niet zodanig of zozeer inperken dat zijn recht op een rechtbank in de kern ervan wordt aangetast.

In dat verband is het niet alleen van belang dat de mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden, met inbegrip van de termijnen ervan, duidelijk worden vastgesteld, maar ook dat ze op de meest expliciet mogelijke wijze ter kennis worden gebracht van de rechtzoekenden opdat zij ervan kunnen gebruikmaken overeenkomstig de wet.

Uit het bovenstaande volgt dat, wanneer een afwijking van art. 57 Ger.W. niet voortvloeit uit een uitdrukkelijke bepaling, de kennisgeving per gerechtsbrief slechts tot gevolg heeft dat de beroepstermijn begint te lopen voor zover zij de mogelijkheden van beroep en de termijnen ervan vermeldt.

Het arrest, dat overweegt dat de kennisgeving aan de eiser van het verstekvonnis dat hem niet-verschoonbaar verklaart, de verzettermijn doet ingaan, hoewel het vaststelt dat de kennisgeving noch de mogelijkheid noch de termijn voor het beroep vermeldt, schendt art. 80, tweede lid Faillissementswet.

Het onderdeel is gegrond.

Rechtsleer

Beatrix Vanlerberghe, Informatie over de rechtsmiddelen in de kennisgeving bij gerechtsbrief, noot onder Cass.29/01/2016, RW 2016-2017, 1013.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 01/10/2011 - 14:10
Laatst aangepast op: ma, 20/03/2017 - 17:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.