-A +A

Aanvaarding factuur door integrale betaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Westerlo
Datum van de uitspraak: 
woe, 22/11/2017

Een integrale betaling zonder protest impliceert de aanvaarding van de factuur.

De voormelde aanvaarding van de factuur impliceert het bewijs van het bestaan van de overeenkomst. Hoewel vaak wordt aangenomen dat een aanvaarde factuur tegenover een koper niet-handelaar nog niet het volledig bewijs van de overeenkomst oplevert, is dit wél het geval wanneer het een elektriciteitsrekening betreft.

Het niet-protesteren daarvan is een buitengerechtelijke bekentenis die de overeenkomst bewijst. De betaling ervan en het beschikken over de koopwaar (de geleverde elektriciteit) zijn handelingen die neerkomen op de uitvoering van de overeenkomst.

Een ander gevolg van de afwezigheid van protest en van de aanvaarding van de factuur (ingevolge de betaling ervan) is dat eisende partijen hetgeen zij betaalden achteraf niet meer als onverschuldigd kunnen terugvorderen van de leverancier. De betaling is onherroepelijk. Het is dus nutteloos thans nog welkdanige technische onderzoeken te organiseren om na te gaan of de teller in kwestie eventueel een mankement vertoonde.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
795
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

H.R. en T.A. t/ De R.K.

...

Aangezien de vordering van eisende partijen, zoals laatst gesteld in de conclusies van 1 oktober 2017, ertoe strekt met betrekking tot de woning gelegen te (...):

– verwerende partij te veroordelen, uit hoofde van kosten van nutsvoorzieningen, namelijk elektriciteit en waterverbruik, om te betalen aan eisende partijen een bedrag van 3.325,40 euro;

– alle bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten;

...

Overwegende dat op een datum die niet is vermeld een huurovereenkomst tot stand kwam waarbij eisende partijen aan verwerende partij met ingang vanaf 1 september 2004 een huis verhuurden, gelegen te (...), tegen een basishuurprijs van 285 euro per maand. Aan de huur kwam een einde, volgens eisende partijen eind juli 2016 en volgens verwerende partij eind juni 2016. Volgens verwerende partij betreft het huurpand een «bescheiden vakantiechalet».

Overwegende dat eisende partijen aanvoeren dat zij na het vertrek van verwerende partij een eindafrekening ontvingen van Engie Electrabel (elektriciteit) ten bedrage van 3.201,98 euro en van Pidpa (water) ten bedrage van 123,44 euro, zijnde in het totaal 3.325,42 euro, welk bedrag zij verklaren betaald te hebben. Bewijs van deze betaling wordt niet voorgelegd maar het feit van de betaling door eisende partijen wordt door verwerende partij niet betwist. Eisende partijen vorderen thans van de gewezen huurder 3.325,40 euro terug.

Overwegende dat op p. 2 bovenaan van de huurovereenkomst wordt vermeld:

«Volgende zaken zijn ten laste van de huurder:

a. Het abonnement op en het gebruik van water, elektriciteit en verwarming en eventuele heffingen op deze.»

Overwegende dat verwerende partij geen bemerkingen maakt bij het Pidpa-bedrag van 123,44 euro, wel wat de eindafrekening van Engie Electrabel betreft. Hij wijst erop dat er volgens deze eindafrekening over de periode 15 augustus 2015 tot 10 augustus 2016 een verbruik van 15.419 kWh zou zijn geweest, terwijl in de vier vorige jaren dit verbruik gemiddeld één derde daarvan bedroeg. Een mogelijke verklaring is volgens hem de volgende:

– op 14 augustus 2015 was de meterstand 94.338 kWh en op 15 juli 2016 was deze stand 9.757 kWh;

– een teller loopt maar tot 99.999 kWh en dient daarna normaal opnieuw op 00000 te springen om vanaf 0 ter herbeginnen;

– 9.757 + 5.662 (namelijk 100.000 – 94.338) = 15.419 kWh, zijnde het voormelde vastgestelde verbruik;

– wanneer het om een teller van een oud model gaat, is het mogelijk dat er een cijfer 9 is «blijven hangen» in plaats van op 0 te springen; bijvoorbeeld zou de teller in plaats van op 00000 te springen, op 09000 kunnen gesprongen zijn om dan bij het einde van de vaststellingsperiode (15 juli 2016) uit te komen op 09.757.

Overwegende dat verwerende partij aan eisende partijen verwijt zonder meer te hebben betaald, zonder dat ooit werd nagegaan of de meter zelf niet behept was met een technisch mankement, bv. in de voormelde zin. Eisende partijen stellen niet en tonen ook niet aan dat zij hun huurder vóór de betaling ooit hebben bevraagd over het hoge verbruik.

Overwegende dat de voorliggende terugbetalingsvordering dient te worden onderzocht enerzijds vanuit de rechtspositie van eisende partijen en anderzijds vanuit de rechtspositie van verwerende partij.

1. Eisende partijen

Zij verklaren de eindafrekening zonder enig protest integraal te hebben betaald. Een dergelijke betaling impliceert de aanvaarding van de factuur (E. Dirix en G.L. Ballon, Factuur in APR, Antwerpen, Kluwer, 1993, p. 113, nr. 201, met verdere verwijzing naar L. en S. Fredericq, Handboek van Belgisch Handelsrecht, I, p. 253, nr. 220; A. Cloquet, Factuur in APR, Brussel, Larcier, 1954, p. 156, nr. 429 en J. Van Ryn en J. Heenen, Principes de droit commercial, III, p. 66, nr. 61).

De voormelde aanvaarding van de factuur impliceert dan weer het bewijs van het bestaan van de overeenkomst (in casu met Engie Electrabel). Hoewel vaak wordt aangenomen dat een aanvaarde factuur tegenover een koper niet-handelaar (zoals in casu eisende partijen) nog niet het volledig bewijs van de overeenkomst oplevert, is dit wél het geval wanneer het een elektriciteitsrekening betreft. Het niet-protesteren daarvan is een buitengerechtelijke bekentenis die de overeenkomst bewijst (Vred. Tielt 26 november 1981, B.F.E. nr. 10-D, p. 27). De betaling ervan en het beschikken over de koopwaar (de geleverde elektriciteit) zijn handelingen die neerkomen op de uitvoering van de overeenkomst.

Een ander gevolg van de afwezigheid van protest en van de aanvaarding van de factuur (ingevolge de betaling ervan) is dat eisende partijen hetgeen zij betaalden achteraf niet meer als onverschuldigd kunnen terugvorderen van de leverancier (Kh. Brussel 18 januari 1984, T.Aann. 1984, 25). De betaling is onherroepelijk. Het is dus nutteloos thans nog welkdanige technische onderzoeken te organiseren om na te gaan of de teller in kwestie eventueel een mankement vertoonde.

Volledigheidshalve wordt in verband met de levering van elektriciteit nog aangestipt dat wanneer niet wordt geleverd aan degene die bij de leverancier als cliënt is ingeschreven (eisende partijen), maar wel aan een derde (verwerende partij), dit laatste géén novatoire werking genereert (E. Dirix en G.L. Ballon, o.c., p. 179, nr. 314, met verdere verwijzingen naar o.a. Vred. Westerlo 8 december 1982, B.F.E. nr. 10-D, p. 16).

Besluit: de betaling door eisende partijen is definitief en onomkeerbaar.

2. Verwerende partij

Conform het gemene recht kunnen de partijen vrij bepalen welke kosten ten laste van de huurder komen. De hierboven geciteerde clausulering op p. 2 bovenaan van de huurovereenkomst is dus geheel rechtsgeldig. Wel moeten de door de huurder te betalen kosten op dwingende wijze overeenstemmen met de werkelijke uitgaven (art. 1728ter, § 1 BW), tenzij de kosten uitdrukkelijk op forfaitaire wijze werden bepaald. Dit laatste is in casu niet het geval.

De huurovereenkomst bepaalt in casu in algemene termen dat het abonnement op en het gebruik van water en elektriciteit ten laste van de huurder zijn. Dit is klaar en duidelijk, maar ook ongenuanceerd, terwijl de partijen er toch alle belang bij hebben om inzake de kosten een zoveel mogelijk gedetailleerde contractuele regeling overeen te komen, bij gebreke waarvan de algemene interpretatieregels en de algemene beginselen inzake huurrecht dienen te worden toegepast (Vred. Zelzate 20 april 1995, AJT 1995-96, 99, noot). (cfr. infra voor een dergelijke toepassing).

Besluit: verwerende partij is ingevolge de bepaling van de huurovereenkomst onbetwistbaar en ongenuanceerd gehouden tot de betaling van «het abonnement op en het gebruik van elektriciteit».

Overwegende dat uit het onderzoek van de beide voormelde rechtsposities blijkt enerzijds, dat de betaling door eisende partijen definitief is en anderzijds, dat verwerende partij even definitief gehouden is tot betaling van de elektriciteitskosten. De volgende vraag is nu of de cijfermatige omvang van de gehoudenheid van verwerende partij al dan niet overeenstemt met de cijfermatige omvang van de betaling die eisende partijen hebben verricht.

Overwegende dat conform art. 1134, eerste lid BW alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, degenen die ze hebben aangegaan tot wet strekken. Art. 1134, derde lid BW bepaalt echter voorts dat zij te goeder trouw moeten worden ten uitvoer gebracht. Daaruit blijkt dat de specifieke verbintenissen die in de huurovereenkomst zonder datum op p. 2 bovenaan worden vermeld, in algemene termen moeten worden verondersteld te zijn aangevuld door bijkomende verbintenissen die niet hun directe oorsprong vinden in de tekst zelf van de overeenkomst, maar wel in de objectieve goede trouw. Het gaat hier dan over bepaalde «gedragsregels» in de zin van art. 1135 BW die als bijkomende verbintenissen worden opgelegd, namelijk onder meer een algemene samenwerkingsverplichting tussen de contractanten ten aanzien van de uitvoering van de verbintenis, («ze moeten elkaar daarbij behulpzaam zijn»), voorts een algemene informatieverplichting zowel bij het aangaan als bij de uitvoering van de verbintenis en ten slotte een schadebeperkingsverplichting. Een duidelijke miskenning van die aanvullende verplichtingen op grond van de objectieve goede trouw, rechtvaardigt een sanctie (Vred. Westerlo 8 juni 2016, RW 2016-17, 475; Vred. Westerlo 12 oktober 2016, rolnummers 15A293 + 16A66, onuitgegeven). In het onderhavige voorliggende geval hebben eisende partijen de aanvullende gedragsregels (objectieve goede trouw) die met een formele overeenkomst gepaard gaan, miskend door haast onmiddellijk na ontvangst van de eindafrekening over te gaan tot betaling, zonder de huurder te hebben bevraagd en zonder enig protest, daarbij goed wetende dat enkel zijzelf over een protestmogelijkheid beschikten en daardoor ook een technisch onderzoek van de teller nutteloos makend, terwijl de door verwerende partij daaromtrent gegeven mogelijke verklaring plausibel voorkomt. In deze omstandigheden dienen eisende partijen een sanctie te lopen door hen slechts de helft toe te kennen van het bedrag van de eindafrekening van Engie Electrabel, zijnde 1.600,99 euro. Het Pidpa-bedrag van 123,44 euro is niet in betwisting. De vordering wordt derhalve gegrond verklaard ten bedrage van 1.724,43 euro hoofdsom (1.600 euro Engie Electrabel + 123,44 euro Pidpa)

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 07/01/2018 - 16:39
Laatst aangepast op: zo, 07/01/2018 - 16:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.