-A +A

Aanstelling voorlopig bewindvoerder vennootschap hoogdringendheid en subsidiariteit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Leuven
Datum van de uitspraak: 
don, 25/08/2016
A.R.: 
C/16/00008

Een vordering tot onmiddellijke aanstelling van een voorlopig bewindvoerder ingesteld voor de Voorzitter van de rechtbank van Koophandel vergt  hoogdringendheid en derhalve een daadwerkelijk en urgent karakter, zodat een onmiddellijke beslissing wenselijk is, om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.

Deze hoogdringendheid dient zowel op het ogenblik van het instellen van de vordering als op het ogenblik van de uitspraak voorhanden te zijn.

Een louter precaire financiële situatie van de vennootschap is op zich onvoldoende om een dergelijke ingrijpende maatregel zoals de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder te verantwoorden.

De aanstelling van een voorlopig bewindvoerder is een zeer ingrijpende maatregel die slechts in uiterste nood, wanneer dringende en bijzondere omstandigheden de normale werking van de vennootschap blokkeren of quasi onmogelijk maken of haar voortbestaan ernstig in gevaar brengen, kan opgelegd worden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
659
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(F.S. / S. BVBA, C-Q. NV, S.H. - Rolnr.: C/16/00008)

Gelet op de wet inzake taalgebruik in gerechtszaken;

Gelet op inleidende dagvaarding op 25 juni 2016 betekend ten verzoeke van de heer F.S. lastens de BVBA S., NV C-Q. en de heer S.H.;

Gelet op de beschikking d.d. 23 juni 2016 overeenkomstig artikel 747, § 1 Ger.W., waarbij aan partijen conclusietermijnen werden verleend en rechtsdag werd bepaald op de zitting van 9 augustus 2016;

Gehoord partijen bij monde van hun raadslieden op de zitting van 9 augustus 2016;

Gezien de conclusies en bewijsstukken van partijen.

I. Uiteenzetting van de betwisting
Huidige eerste verweerster, BVBA S., werd opgericht op 5 mei 2014 en verleent consultancy- en adviesdiensten (strategy en business consultancy, audit, sourcing) binnen de cash supply chain aan vennootschappen, financiële instellingen, overheden, … Door het gebruik van een speciaal door huidige eiser, de heer F.S., ontwikkelde Microsoft Excell-tool kunnen klanten bijgestaan worden bij het opvolgen en het reconciliëren van de facturatie die deze klanten van waardetransporteurs ontvangen. Tweede verweerster, NV C-Q., is een belangrijke speler op de Belgische en Franse markt op het vlak van cash management solutions. De samenwerking beoogde het professionaliseren van de tool en het uitbreiden van het netwerk aan klanten op internationaal vlak.

De huidige aandeelhouders van eerste verweerster, BVBA S. zijn:

eiser: eigenaar van 10.000 aandelen;
tweede verweerster, NV C-Q.: eigenares van 15.000 aandelen;
derde verweerder, de heer S.H.: eigenaar van 5.000 aandelen.
Binnen eerste verweerster werden drie zaakvoerders aangesteld:

SARL S.C., een vennootschap naar Frans recht, opgericht op 25 april 2007 door eiser met hemzelf als vaste vertegenwoordiger;
BVBA H.C., met als vaste vertegenwoordiger derde verweerder;
tweede verweerster, met als vaste vertegenwoordiger, de heer L.D.B.
De administratie en boekhouding van eerste verweerster wordt verzorgd door de NV O., met maatschappelijke zetel te (…).

Alle aandeelhouders zouden gezamenlijk instaan voor de klantenwerving en de commerciële ontwikkeling van eerste verweerster. Er werd door hen een aandeelhoudersovereenkomst d.d. 5 mei 2014 ondertekend.

Eiser zet uiteen dat:

de aanleiding van het geschil tussen partijen een e-mail d.d. 26 oktober 2015 betreft, waarin hij informeert naar het feit dat de door O., een vennootschap naar Frans recht, opgericht door zakenpartner O.E. die nauw met hem samenwerkte sedert de oprichting van SARL S.C., uitgereikte factuur voor diens prestaties van de maand augustus nog niet betaald werd;
hij na bijkomend onderzoek diende vast te stellen dat tweede verweerster en de vennootschap van derde verweerder zonder zijn medeweten tal van diensten aan eerste verweerster gefactureerd (voor een totaal bedrag van 104.261,96 EUR) hadden die wel betaald werden;
hij verder onvoldoende informatie kan bekomen om inzicht te krijgen in de financiële situatie van eerste verweerster en hem dit door de NV O. wordt geweigerd;
hij niet kan vaststellen of de aan tweede verweerster en aan de vennootschap van derde verweerder uitbetaalde facturen ook daadwerkelijk aan geleverde diensten beantwoorden; er werd dubbele facturatie vastgesteld; er zou slechts sprake kunnen zijn van een maximaal verschuldigd bedrag van 60.955 EUR in het kader van de geleverde prestaties voor een Proof of Concept bij BNP Paribas;
overeenkomstig artikel 7 van voormelde aandeelhoudersovereenkomst elk bedrag boven de 25.000 EUR door de algemene vergadering dient te worden goedgekeurd, doch dit nooit is gebeurd;
er op 5 februari 2016 een buitengewone algemene vergadering werd georganiseerd met als agendapunt “bespreken van crisismaatregelen voor S.”, daar volgens tweede en derde verweerders de vennootschap zich in financiële moeilijkheden bevond;
hij bij aangetekend schrijven d.d. 29 januari 2016 verzocht om zijn individueel onderzoeks- en controlerecht uit te oefenen met het oog op voormelde buitengewone algemene vergadering;
de voorgestelde crisismaatregelen louter betrekking hadden op de vermindering van de vergoedingen van eiser en D. en hem geen concreet gevraagde informatie werd overgemaakt;
hij op de buitengewone algemene vergadering moet vaststellen dat tweede en derde verweerders zich als aandeelhouders tegen hem keren;
het proces-verbaal d.d. 12 februari 2016 van voormelde algemene vergadering niet overeenstemt met het werkelijk verloop ervan en er bepaalde passages die eiser expliciet in het proces-verbaal genotuleerd wenste te zien niet of bewust verkeerdelijk werden opgenomen (o.m. ontwikkeling van software); dat ook na aandringen van eiser bij aangetekend schrijven d.d. 27 april 2016 om het proces-verbaal te wijzigen en aan te passen, dit werd geweigerd;
tweede en derde verweerders niet handelen in het belang van eerste verweerster, doch louter hun eigen belang nastreven: weigering om commerciële activiteiten te voeren door verkoop van diensten en dit louter aan eiser overlaten, die via zijn vennootschap SARL S.C. in 2014 zorgt voor ongeveer 80% van de omzet eerste verweerster, en in 2015 voor 100% van de omzet; verder factureren tweede en derde verweerders tegen de afspraken in heel wat “pre-sales”-activiteiten die nooit tot inkomsten hebben geleid alsook “software” die niets voorstelt;
de vergoeding voor SARL S.C. volledig ten onrechte werd verminderd van 15.000 EUR naar 10.000 EUR;
de op 17 juni 2016 geplande algemene vergadering omwille van vastgestelde fouten in het ontwerp van jaarrekening wordt uitgesteld naar 8 juli 2016; in het gewijzigde ontwerp de vergoeding van eiser wordt verminderd tot 10.000 EUR, de vergadering weerom wordt uitgesteld;
dit alles wijst op problemen in het beheer van eerste verweerster en op misbruik van meerderheid in hoofde van tweede en derde verweerders;
is gebleken dat tweede verweerster en D. op 1 juni 2014 een dienstenovereenkomst met eerste verweerster hebben afgesloten, buiten medeweten en ondertekening ervan van eiser om; dit is strijdig met artikelen 5, 7 en 18 van de aandeelhoudersovereenkomst; eiser stelt dat hij doelbewust wordt uitgesloten uit eerste verweerster;
eerste verweerster niet op een normale wijze bestuurd wordt en het onduidelijk is welke personen bevoegd zijn om deze te besturen; er zich heel wat feitelijke bestuurders manifesteren.
Tweede en derde verweerders betwisten op alle punten en op uitgebreide wijze de door eiser voorgehouden feiten en benadrukken dat:

partijen binnen eerste verweerster een samenwerking zijn aangegaan omwille van de wederzijdse meerwaarde;
eiser bij de oprichting van eerste verweerster akkoord is gegaan met een minderheidsparticipatie en hij bijgevolg de beslissingen genomen door de meerderheid dient te aanvaarden;
eiser enkel maar belang hecht aan de hoogte van de vergoeding die aan SARL S.C. uitbetaald wordt; deze vergoeding is duidelijk vastgelegd en bedraagt: 10.000 EUR vast + 5.000 EUR variabel voorschot per maand;
eiser door eigen obstructie de vennootschapswerking tracht te destabiliseren en schade aan de vennootschap berokkent;
de vennootschapsorganen functioneren en de jaarrekening werd goedgekeurd.
Op 15 juni 2016 heeft eiser een dagvaarding in kort geding aan verweerders laten betekenen.

II. Vordering
De vordering van eiser strekt ertoe om een voorlopig bewindvoerder met een welomschreven opdracht te horen aanstellen over eerste verweerster, dit voor een beperkte periode.

Tweede en derde verweerders besluiten tot ongegrondheid van de ingestelde eis.

III. Beoordeling
1.

In de dagvaarding voert eiser de hoogdringendheid aan met betrekking tot de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder naar aanleiding van diverse door hem als spoedeisend omschreven feiten.

De voorzitter zetelend in kort geding is derhalve bevoegd om kennis te nemen van huidig geschil.

2.

Thans dient beoordeeld te worden of de door eiser aangevoerde feiten daadwerkelijk een urgent karakter vertonen, zodat een onmiddellijke beslissing wenselijk is, om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen (Cass. 11 mei 1990, RW 1990-91,987, noot J. Laenens).

De hoogdringendheid dient zowel op het ogenblik van het instellen van de vordering als op het ogenblik van de uitspraak voorhanden te zijn (Cass. 11 mei 1998, AR C. 95.0068.N; Rb. Luik (KG) 7 mei 1998, JT 1998, 552).

3.

Eiser stelt dat de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder hoogdringend is gelet op de precaire financiële situatie van eerste verweerster, het gebrek aan transparantie te wijten aan de meerderheidsaandeelhouders, het niet-correct functioneren van de vennootschapsorganen alsook wanbeheer en misbruik van meerderheid.

Uit de door partijen bijgebrachte zeer lijvige bundels met stukken kan vastgesteld worden dat de financiële situatie van eerste verweerster niet rooskleurig is - er is een verlies van 6.765,90 EUR zoals blijkt uit de jaarrekening met betrekking tot het verlengde boekjaar 2014-2015. Het betreft echter een jonge vennootschap in de opstartfase: het verliescijfer dient alleszins in verband gebracht te worden met de vermelde investeringen. Verder blijkt tevens dat de financiële situatie wordt opgevolgd en er maatregelen worden genomen teneinde in te grijpen (zie buitengewone algemene vergadering d.d. 5 februari 2016). Een louter precaire financiële situatie van de vennootschap is op zich onvoldoende om een dergelijke ingrijpende maatregel zoals de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder te verantwoorden.

Verder toont eiser niet voldoende aan dat er een gebrek aan transparantie zou zijn.

Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat er nog steeds communicatie tussen partijen alsook tussen de verschillende vennootschapsorganen is, dat eiser zijn individueel inzage- en controlerecht heeft kunnen uitoefenen, hij in kennis wordt gesteld van door hem opgevraagde informatie en verdere toelichting werd geboden. Tevens blijkt reeds uit het feitenrelaas dat de diverse vennootschapsorganen wel degelijk werken.

Zo worden vergadering van het college van zaakvoerders en algemene vergaderingen, waarop eiser telkens aanwezig is en mee beslist heeft. Er is wel degelijk sprake van ernstige onenigheid tussen de aandeelhouders, doch deze legt de werking van eerste verweerster niet lam. De jaarrekening van de vennootschap werd goedgekeurd en zal neergelegd worden. Eiser heeft eerste verweerster op geen enkele wijze in gebreke gesteld wegens voorgehouden nietigheden omtrent de genomen beslissingen. Voorts wordt geenszins aangetoond dat eiser als aandeelhouder door tweede en derde verweerders gemarginaliseerd werd en deze laatsten op het eerste gezicht hun meerderheidspositie binnen het college van zaakvoerders en/of algemene vergadering op een onrechtmatige wijze gebruikt zouden hebben. Uit de aanloop naar en het verloop van de algemene vergaderingen d.d. 17 juni 2016, 30 juni 2016, 8 juli 2016 en 2 augustus 2016 blijkt dat wel degelijk met de standpunten en opmerkingen van eiser rekening werd gehouden.

4.

Niet alleen de door eisers aangevoerde feiten dienen hoogdringend te zijn. Ook de door hem gevraagde maatregel moet urgent zijn.

Uit de door eiser bijgebrachte stukken kan op het eerste gezicht niet afgeleid worden dat er binnen eerste verweerster sprake zou zijn van wanbeheer of manifeste inbreuken op de bestuurdersverplichtingen. De door tweede en derde verweerders bijgebrachte stukken spreken dit prima facie tegen. Evenmin wordt enige vrees voor toekomstige inbreuken aannemelijk gemaakt.

De aanstelling van een voorlopig bewindvoerder is een zeer ingrijpende maatregel die slechts in uiterste nood, wanneer dringende en bijzondere omstandigheden de normale werking van de vennootschap blokkeren of quasi onmogelijk maken of haar voortbestaan ernstig in gevaar brengen, kan opgelegd worden. De bewarende maatregel wordt gevraagd over de vennootschap, zodat naast het belang van eiser eveneens dient rekening gehouden te worden met het belang van de betrokken vennootschap. Gezien de aard van de betwisting (meningsverschillen tussen aandeelhouders) dient het belang van eerste verweerster te primeren. De aanstelling van een voorlopig bewindvoerder is in deze zaak geen dringend noodzakelijke maatregel. Uit geen enkel stuk blijkt dat de normale werking van de vennootschapsorganen niet mogelijk zou zijn. Uit de afweging van de belangen van eiser en deze van de vennootschap blijkt evenmin de vereiste hoogdringendheid.

5.

De door artikel 584 Ger.W. vereiste hoogdringendheid is niet aanwezig. De eis dient als ongegrond afgewezen te worden.

OM DEZE REDENEN,

C. Broekmans, dienstdoend voorzitter, zetelend in kort geding, bijgestaan door mevrouw K. Vanhacht, griffier, uitspraak doende bij voorraad, in eerste aanleg.

Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond;

Vereffent de gerechtskosten als volgt:

- in hoofde van eiseres: 339,68 EUR dagvaardings- en rolzettingskosten

- in hoofde van verweerster: 1.440 EUR rechtsplegingsvergoeding (nieuw tarief na 1 juni 2016);

Veroordeelt eiser tot betaling van voormelde gerechtskosten;

 

Noot: 

Cnudde, S., « De voorlopig bewindvoerder: een uitzonderlijke maatregel ter vrijwaring van het vennootschapsbelang », R.A.B.G., 2017/8, p. 665-668

Rechtsleer:

• K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier en S. Cools, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)”, TPR 2012, p. 279 en 281 met de verwijzingen aldaar.

• M. Denef en B. Wauters, “Conflicten in vennootschappen geïllustreerd: voorlopig bewind en geschillenregeling bij echtelijke perikelen” in K. Geens (ed.), Vennootschaps- en financieel recht, Themis, Academiejaar 2001-2002, Cahier 11, Brugge, die Keure, 2002, p. 50-51;

• K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier en S. Cools, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)”, TPR 2012, p. 274-284, nr. 219.

• S. Rutten en F. Dupon, “Overzicht van rechtspraak. De bevoegdheid (2001-2013)”, TPR 2014, p. 1883 et seq.

• S. Cools en R. Tas, “Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen” in K. Geens (ed.), Vennootschaps- en financieel recht, Themis, Academiejaar 2011-2012, Cahier 65, Brugge, die Keure, 2011, p. 43;

• B. Tilleman, Bestuur van vennootschappen, Brugge, die Keure, 2005, p. 176-178, nrs. 287-290.

• S. Cools en R. Tas, “Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen” in K. Geens (ed.), Vennootschaps- en financieel recht, Themis, Academiejaar 2011-2012, Cahier 65, Brugge, die Keure, 2011, p. 43;

• B. Tilleman, Bestuur van vennootschappen, Brugge, die Keure, 2005, p. p. 189, nr. 311 en 214-217, nrs. 338-343, p. 188-191, nrs. 310-312. en p. 190-191, nr. 312.

• K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier en S. Cools, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)”, TPR 2012, p. 281 en 288.
 
• S. Cools en R. Tas, “Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen” in K. Geens (ed.), Vennootschaps- en financieel recht, Themis, Academiejaar 2011-2012, Cahier 65, Brugge, die Keure, 2011, nr. 16 enb p. 45

•  B. Tilleman, Bestuur van vennootschappen, Brugge, die Keure, 2005, p. 214-217, nrs. 338-343.

Rechtspraak:

• Kh. Kortrijk (KG) 27 mei 1999, TRV 1999, 326

• Kh. Bergen 3 november 1999, JLMB 2000, 986;

• Kh. Brussel (KG) 1 februari 1999, TRV 1991, 191, noot J.V.;

• Kh. Turnhout (KG) 16 juli 2008, RW 2009-10, 1266, JDSC 2010, 235

• Brussel 8 september 2000, RPS 2001, 284, noot, JDSC 2003, 329.

• Brussel 8 september 2000, RPS 2001, 284, noot, JDSC 2003, 329;

• Brussel 10 februari 1998, JDSC 2000, noot Caluwaerts, RPS 1998, 402, noot; 

• Turnhout (KG) 16 juli 2008, RW 2009-10, 1266, JDSC 2010, 235;

• Gent 14 april 2014, DAOR 2014, JDSC 2015, 353;

• Kh. Turnhout (KG) 16 juli 2008, RW 2009-10, 1266, JDSC 2010, 235;

• Kh. Bergen 3 november 1999, JLMB 2000, 986;

• Kh. Bergen (KG) 26 januari 2000, JLMB 2001, 826, JDSC 2002, 324, RPS 2000, 91;

• Brussel 15 oktober 1998, RPS 1999, 286;

• Turnhout (KG) 16 juli 2008, RW 2009-10, 1266, JDSC 2010, 235;

• Gent 14 april 2014, DAOR 2014, JDSC 2015, 353
 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 10:25
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 10:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.