-A +A

Aansprakelijkheidsvordering tegen advocaat – Aanvangspunt – Beëindiging van taak

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 27/01/2015

Art. 2276bis, § 1, eerste lid BW bepaalt m.b.t. de verjaring van de aansprakelijkheidsvordering tegen een advocaat: «De advocaten zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijkheid voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak.»

De wetgever heeft uitdrukkelijk gewild dat de feitenrechter aan het begrip «beëindiging van de taak» in elk concreet geval een invulling zou geven (Parl.St. Kamer 1984-85, nr. 1186/1, p. 2; Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 836/1, p. 3; Parl.St. Kamer 1984-85, nr. 1246/2).

De verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt is van contractuele aard.

Beoogt de contractuele opdracht het geven van advies of het verlenen van bijstand bij het opstellen van contracten, dan zal deze contractuele verhouding te kwalificeren zijn als een aanneming van werk of een verhuring van diensten.

Wordt de advocaat daarentegen belast met het instellen van een rechtsvordering en het stellen van proceshandelingen, dan gaat het om lastgeving (H. Spriet, «Over de aanvang van de verjaringstermijn, zoals voorzien in artikel 2276bis BW» (noot onder Cass. 20 maart 2003), RABG 2005, (27), p. 27, nr. 2).

In dit laatste geval oordeelde het Hof van Cassatie dat de taak van de advocaat beëindigd is, wanneer de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging (zie: Cass. 29 april 2005, Arr.Cass. 2005, 968; Cass. 20 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 683, RABG 2005, 25, noot H. Spriet).

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1057
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel 22e Kamer – 27 januari 2015

U.D. en S.H. t/ F.G., BVBA F.G. en NV A.B.

1. Feiten en procedurele antecedenten

De belangrijkste feiten en procedurele antecedenten, relevant voor de beoordeling van huidige zaak en zoals zij blijken uit de procedurestukken alsook uit de door partijen neergelegde stukken, kunnen als volgt samengevat worden:

1. De h. G. behandelde vanaf midden 1991 verschillende dossiers voor de h. D. en zijn vennootschappen.

Vanaf 1991 ondertekende de h. G. als gevolmachtigde van de h. D. de belastingaangiftes van de h. D. en mevr. H. en diende deze in, zoals ze waren voorbereid en ingevuld door de h. T. (...), in samenspraak met de boekhouder van de h. D. Het betroffen aangiftes van niet-inwoners, aangezien de h. D. en mevr. H. in Duitsland verbleven, waar zij het centrum van hun belangen hadden.

2. Alle prestaties, diensten en kosten voorgeschoten door de h. G. voor de h. D. en mevr. H., werden sinds de aanvang van de samenwerking ondergebracht in en aangerekend door de BVBA F.G.

3. De NV A.B. is de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de h. G.

4. De h. D. en mevr. H. zetten in hun syntheseconclusies een dossier uiteen, waarvoor zij een beroep deden op de h. G.

De h. D. was onrechtstreeks eigenaar (via een Liechtensteinse vennootschap) van de vennootschap naar Duits recht H. AG.

In 1999 kwam de h. D. in contact met de grote familiale Duitse groep W., die H. AG wilde overnemen en na onderhandelingen ook overgenomen heeft. De h. D. werd bij de onderhandelingen bijgestaan door een Duitse advocaat, mr. F. De h. G. heeft deze onderhandelingen gevolgd op verzoek van de h. D.

Tot mei 2002 was de h. D. afgevaardigd bestuurder van H. AG. Deze vennootschap eiste dan het ontslag van de h. D., omdat belangrijke schulden aan het licht waren gekomen die de h. D. niet gemeld zou hebben bij de overnamebesprekingen. Tevens werd hij ervan beschuldigd concurrerende activiteiten uit te oefenen via de Franse vennootschap P.

Er ontstond vervolgens een arbeidsrechtelijk geschil tussen de h. D. en H. AG. De h. D. deed hiervoor een beroep op de bijstand van een Duitse advocaat, mr. S. Deze raadsman werd exclusief gemandateerd om zijn ontslag voor de Duitse arbeidsrechtbank aan te vechten.

De h. D. en H. AG kwamen overeen om de arbeidsrechtelijke procedure op te schorten en onderhandelingen te voeren.

De h. G. volgde de onderhandelingen met H. AG en W., samen met mr. S. Er vonden verschillende langdurige bijeenkomsten plaats in Duitsland, waarop de h. G. aanwezig was en in voorkomend geval verslag uitbracht aan zijn Duitse confrater S.

Tijdens de vergadering van 21 augustus 2002 werd een principeakkoord bereikt tussen de h. D. en H. AG, waarbij de partijen bij de onderhandelingen wederzijds afstand zouden doen van alle vorderingen over en weer in het kader van een volledige regeling.

Alle partijen hebben tijdens de onderhandelingen uitdrukkelijk als doelstelling vooropgesteld om geen fiscale gevolgen van de transactie te willen dragen.

Er werd overeengekomen dat H. AG een ontwerpovereenkomst zou opmaken en doorsturen conform het principeakkoord dat tijdens de vergadering bereikt werd.

De h. G. liet aan mr. S. weten dat de fiscale gevolgen van het vooropgestelde akkoord nog moesten worden nagegaan.

Bij brief van 20 september 2002 adviseerde mr. S. aan zijn Duitse tegenstrever om de overeenkomst door fiscaalrechtelijke specialisten te laten analyseren. De h. G. kreeg een kopie van deze brief.

De h. D. en mevr. H. betogen dat, ondanks dit duidelijk advies van mr. S., de overeenkomst niet werd nagekeken door een fiscaalrechtelijke specialist en op 23 september 2002 werd ondertekend op uitdrukkelijk aanraden van de h. G. Meer specifiek werden twee overeenkomsten ondertekend, namelijk (1) een niet-concurrentieovereenkomst tussen W. en de h. D. en (2) een overeenkomst tussen H. AG en de h. D. m.b.t. de beëindiging van de contractuele relatie tussen partijen.

5. Hoewel de h. D. en mevr. H. van oordeel waren dat de overeenkomst geen fiscale gevolgen zou hebben, ontvingen zij op 3 december 2007 een bericht van aanslag van ambtswege van de gemeente Watermaal-Bosvoorde, waarin de administratie de belastbare grondslag voor de personenbelasting (aanslagjaar 2003 – inkomsten 2002) vaststelde op een bedrag van 686.000 euro. Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat in de overeenkomst tussen de h. D. en W. als tegenprestatie voor het niet-concurrentiebeding werd opgenomen en dat door W. werd betaald.

6. M.b.t. deze aanslag van ambtswege zijn de h. D. en mevr. H. van oordeel dat de h. G. een tweede fout heeft begaan, meer bepaald het niet-neerleggen van de aangifte in de personenbelasting. De h. D. en mevr. H. zetten uiteen dat zij zich vanaf midden 2002 vestigden in Watermaal-Bosvoorde, zonder te weten aan welke fiscale verplichtingen zij als gevolg daarvan onderworpen waren. Zij waren bovendien de mening toegedaan dat de overeenkomst met AG H. / W. geen fiscale gevolgen zou hebben.

Bij brief van 6 februari 2004 bezorgde E. & Y.T.C. de aangifte van niet-inwoners met begeleidende brief voor indiening aan de h. G. E. & Y.T.C. vermeldde tevens dat als gevolg van de wijziging van het statuut van de h. D. ook een aangifte in de personenbelasting zou moeten worden voorbereid en ingediend en voegde eraan toe dat zij de h. D. daarover zou informeren.

Op 13 februari 2004 diende de h. G. de aangifte van niet-inwoners in en liet hij aan de belastingadministratie weten dat de h. D. niet meer het statuut van buitenlands kaderlid (expat) genoot en als een Belgische inwoner diende te worden beschouwd.

Een aangifte in de personenbelasting werd evenwel niet gedaan, zodat de h. D. en mevr. H. een aanslag van ambtswege ontvingen.

Als gevolg van dit verzuim besloot de belastingadministratie dat de h. D. de waarde van het niet-concurrentiebeding wilde geheim houden en alle buitenlandse inkomsten bewust achterhield om aan taxatie te ontsnappen. Bijgevolg werd op de normale aanslag op de inkomsten van de h. D. en mevr. H. een bijkomende belastingverhoging van 50% geheven met toepassing van art. 444 WIB92, zijnde een bedrag van 124.170,10 euro.

7. De h. D. en mevr. H. consulteerden de h. G. over de aanslag van ambtswege en de belastingverhoging.

De h. G. wees onmiddellijk in de richting van E. & Y.T.C. als verantwoordelijke voor de aanslag van ambtswege en de belastingverhoging. De h. G. was tevens van oordeel dat E. & Y.T.C. een bezwaar diende voor te bereiden.

8. Bij brief van 1 februari 2008 aan de h. D. bevestigde de h. G. bezwaar te hebben ingediend.

Bij brief van 11 februari 2009 ontvingen de h. D. en mevr. H. de kennisgeving van de beslissing tot taxatie in antwoord op hun betwisting. Deze beslissing hield een bevestiging in van het geheel van de inkomsten vermeld in de kennisgeving van aanslag van ambtswege van 3 december 2007.

Op 17 februari 2009 werd een aanslag gevestigd in de personenbelasting in de persoon van de h. D. en mevr. H. ten belope van 392.400,70 euro, te vermeerderen met de interesten.

Tegen deze aanslag werd administratief beroep aangetekend bij de gewestelijk directeur. Dit administratief beroep werd afgewezen bij beslissing van 21 mei 2010.

9. De h. G. adviseerde de h. D. en mevr. H. om een gerechtelijke procedure te starten tegen de Belgische Staat, en om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen E. & Y.T.C., omdat hij van oordeel was dat deze destijds een foutief fiscaal advies hadden gegeven.

De h. G. vroeg bij e-mailbericht van 30 april 2010 aan zijn confrater D. of hij beide voormelde dossiers kon aanvaarden.

Beide dossiers werden behandeld door de huidige raadsman van de h. D. en mevr. H.

Op de datum van de pleidooien was de fiscale procedure nog hangende voor de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel.

De aansprakelijkheidsvordering tegen E. & Y.T.C. werd afgewezen als ongegrond bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 17 januari 2013. De rechtbank oordeelde dat de h. D. en mevr. H. geen bewijs leverden van een contractuele fout van E. & Y.T.C. (...).

10. Volgens de heer D. en mevr. H. is in de nasleep van dit vonnis gebreken dat de h. G. als enige betrokken was bij het foutief advies en de totstandkoming van het niet-concurrentiebeding.

De h. D. en mevr. H. betogen dat uit de stukken en verklaringen voorgebracht door mr. S. in april 2013, duidelijk bleek dat de h. G. als enige aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de belastbaarheid van de dading tussen AG H. / W. en de h. D., de aanslag van ambtswege door de Belgische fiscale administratie en de toeslag op die aanslag krachtens art. 444 WIB92.

11. Bij e-mailbericht van 5 april 2013 wees de h. D. op de aansprakelijkheid van de h. G., die deze evenwel betwistte bij schrijven van 18 april 2013.

12. Er volgde briefwisseling tussen partijen en hun raadslieden, waarbij de raadsman van verwerende partijen wees op de verjaring van een eventuele aansprakelijkheidsvordering tegen de h. G.

13. Aangezien geen minnelijke regeling kon worden bereikt, lieten de h. D. en mevr. H. de h. G., de BVBA F.G. en de NV A.B. bij exploten van 2 en 3 oktober 2013 dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen.

14. Bij vonnis van 28 oktober 2013 verzond de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen de zaak naar deze rechtbank.

2. Voorwerp van de vorderingen

15. De vordering van de h. U.D. en mevr. S.H., zoals gesteld bij syntheseconclusies, strekt er voornamelijk toe: «Te zeggen voor recht dat noch de aansprakelijkheidsvordering van concluanten lastens eerste en tweede verweerders, noch de vordering lastens derde verweerster verjaard zijn. De eis van concluanten ontvankelijk te verklaren jegens alle drie gedaagden; (...).»

16. Verwerende partijen besluiten tot de onontvankelijkheid van de vordering tegen de h. G. en de BVBA F.G. ingevolge verjaring.

Zij besluiten eveneens tot de onontvankelijkheid van de vordering tegen de NV A.B. ingevolge verjaring.

...

3. Beoordeling

3.1. Ontvankelijkheid van de vordering tegen de h. G. en de BVBA F.G.

17. Verwerende partijen besluiten tot de onontvankelijkheid van de vordering van de h. D. en mevr. H. tegen de h. G. en de BVBA F.G. ingevolge verjaring.

Art. 2276bis, § 1, eerste lid BW bepaalt m.b.t. de verjaring van de aansprakelijkheidsvordering tegen een advocaat: «De advocaten zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijkheid voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak.»

18. De discussie tussen partijen betreft het aanvangspunt van de verjaringstermijn, of anders gesteld de datum waarop de h. G. zijn taak heeft beëindigd.

19. De h. D. en mevr. H. zijn van oordeel dat de advocaat zijn taak heeft beëindigd in de zin van art. 2276bis, § 1, eerste lid BW als hij dat als zodanig in een brief aan zijn cliënt meedeelt. In casu betogen zij dat de h. G. op constante wijze de belangen van de h. D. heeft behandeld in zijn relatie met H. AG. Een aspect hiervan betrof de bijstand bij het beëindigen van de arbeidsrelatie met H. AG en het vermijden van nefaste gevolgen in België van de beëindiging van deze arbeidsrelatie, maar de taken van de h. G. waren niet tot dat punt beperkt. De h. D. en mevr. H. voeren nog aan dat na de ondertekening van de overeenkomsten met H. AG en W. op 23 september 2002 diverse contacten volgden tussen de h. D. en de h. G. Bovendien wijzen de h. D. en mevr. H. erop dat zij geen eindafrekening hebben ontvangen van de kosten en erelonen m.b.t. tussenkomst van de h. G. in het kader van de verhoudingen met H. AG.

Gelet op het doorlopend karakter van de bijstand en het advies was volgens de h. D. en mevr. H. zeker een brief waarbij melding werd gemaakt van de voltooiing van de opdracht, minstens van het afsluiten van het dossier, vereist om iedere twijfel in verband met het aanvangspunt van de verjaringstermijn weg te nemen.

De h. D. en mevr. H. situeren het aanvangspunt van de verjaringstermijn op 30 april 2010, datum waarop de h. G. aan mr. D. vroeg of hij bereid was de h. D. en mevr. H. bij te staan in de fiscale procedure en de aansprakelijkheidsprocedure tegen E. & Y.T.C.

Het advies dat de h. G. heeft verstrekt m.b.t. de aanslag van ambtswege en de aansprakelijkheid van E. & Y.T.C. kadert volgens de h. D. en mevr. H. binnen hetzelfde dossier en dezelfde taak met hetzelfde voorwerp, meer bepaald het behartigen van hun patrimoniale belangen in het licht van de afwikkeling van de relatie tussen de h. D. en H. AG.

Het indienen van de belastingaangiftes zien de h. D. en mevr. H. als een andere opdracht van de h. G. Zij voeren aan dat deze opdracht een zekere continuïteit kende tot 2010. De neerlegging van de betwisting van de aanslag in 2008 en de briefwisseling met E. & Y.T.C. in 2009 behoren volgens de h. D. en mevr. H. tot de opdracht van de h. G. als fiscaal gevolmachtigde en beheerder van hun financiële belangen in België.

20. Verwerende partijen daarentegen zijn van oordeel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende opdrachten van de h. G., meer bepaald (1) de bijstand bij het geschil naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsrelatie tussen de h. D. en H. AG en (2) de taak van de h. G. om de belastingaangiftes van de h. D. en mevr. H. in te dienen.

Wat de eerste opdracht betreft, betogen verwerende partijen dat de bijstand van de h. G. bij de onderhandelingen met H. AG eindigde bij de ondertekening van de dading op 23 september 2002.

Wat het indienen van de belastingaangiftes betreft, zijn verwerende partijen van oordeel dat deze taak van de h. G. eindigde met de brieven van 13 februari 2004 bij gebrek aan navolgende opdracht van E. & Y.T.C. tot neerlegging van een aangifte in de personenbelasting.

21. De h. D. en mevr. H. betogen voorts dat, indien 23 september 2002 zou worden aangenomen als aanvangspunt van de verjaringstermijn, de h. G. de verjaring heeft gestuit door in 2007 opnieuw advies te hebben gegeven i.v.m. de omstandigheden van de vergadering van 22 september 2002, de rol van E. & Y.T.C. en het opvangen van de gevolgen van de dading van 23 september 2002. Zij verwijzen naar een brief van 17 december 2007 van de h. G. aan E. & Y.T.C.

22. Verwerende partijen betwisten dit standpunt van de h. D. en mevr. H. en voeren aan dat de brief dateert van na het verstrijken van de oorspronkelijke verjaringstermijn (met aanvangspunt op 23 september 2002), zodat deze niet meer als stuiting kan gelden.

...

25. Zoals hiervoor vermeld, bepaalt art. 2276bis, § 1, eerste lid BW dat de advocaten van hun beroepsaansprakelijkheid zijn ontlast door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het beëindigen van hun taak.

De wetgever heeft uitdrukkelijk gewild dat de feitenrechter aan het begrip «beëindiging van de taak» in elk concreet geval een invulling zou geven (Parl.St. Kamer 1984-85, nr. 1186/1, p. 2; Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 836/1, p. 3; Parl.St. Kamer 1984-85, nr. 1246/2).

De verhouding tussen de advocaat en zijn cliënt is van contractuele aard.

Beoogt de contractuele opdracht het geven van advies of het verlenen van bijstand bij het opstellen van contracten, dan zal deze contractuele verhouding te kwalificeren zijn als een aanneming van werk of een verhuring van diensten.

Wordt de advocaat daarentegen belast met het instellen van een rechtsvordering en het stellen van proceshandelingen, dan gaat het om lastgeving (H. Spriet, «Over de aanvang van de verjaringstermijn, zoals voorzien in artikel 2276bis BW» (noot onder Cass. 20 maart 2003), RABG 2005, (27), p. 27, nr. 2).

In dit laatste geval oordeelde het Hof van Cassatie dat de taak van de advocaat beëindigd is, wanneer de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging (zie: Cass. 29 april 2005, Arr.Cass. 2005, 968; Cass. 20 maart 2003, Arr.Cass. 2003, 683, RABG 2005, 25, noot H. Spriet).

26. De eerste kwestieuze opdracht van de h. G. was het bijstaan en het adviseren van de h. D. bij het geschil naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsrelatie tussen de h. D. en H. AG. Deze opdracht houdt een aannemings- of dienstencontract in. De overeenkomst eindigt bij de voltooiing van het werk of de dienst.

Verwerende partijen zijn terecht van oordeel dat de dienst werd voltooid en de taak van de h. G. werd beëindigd bij de ondertekening van de dading door de h. D. op 23 september 2002. Het geschil tussen de h. D. en H. AG, waarbij de h. G. de h. D. diende bij te staan en te adviseren, werd beëindigd bij het aangaan van de dading, zodat ook de taak van de h. G. op dat ogenblik eindigde.

In tegenstelling tot wat de h. D. en mevr. H. beweren, dient deze taak los te worden gezien van andere zaken waarin de h. G. aan de h. D. bijstand en advies verleende, zelfs indien deze zaken verband hielden met de samenwerking tussen de h. D. (en diens vennootschappen) en H. AG of W. Deze andere zaken werden overigens als afzonderlijke dossiers behandeld en gearchiveerd door de h. G. (...).

De h. D. en mevr. H. voeren aan dat de taak van de h. G. niet eindigde op 23 september 2002 en verwijzen ter staving van dit standpunt naar een brief van de h. G. aan mr. S. van 24 september 2002, waarin hij verslag uitbrengt over de gesloten overeenkomsten en gewag maakt van een volmacht die de vennootschap C. nog diende te verkrijgen. Uit deze brief kan niet worden afgeleid dat de opdracht tot bijstand en advies in het kader van het arbeidsrechtelijk geschil met H. AG nog diende te worden vervolgd. Het verslag aan mr. S. houdt evenmin een vervolg in van de opdracht, maar is een handeling die de h. G. nog heeft gesteld ingevolge de beëindiging van zijn opdracht.

Het feit dat de h. G. op dat ogenblik geen ereloonstaat heeft opgemaakt, verhindert niet dat zijn opdracht tot bijstand en advies in het kader van het arbeidsrechtelijk geschil met H. AG was beëindigd met het sluiten van de dading tussen de h. H. en H. AG / W.

De h. D. en mevr. H. voeren aan dat de h. G. na 23 september 2002 nog daden heeft gesteld die kaderen in het bijstaan van de heer D. in zijn betrekkingen met H. AG en W. en die eveneens deel uitmaken van de opdracht tot behartiging van de financiële belangen van de h. D. en mevr. H. en van de h. D. in het bijzonder in zijn relatie met H. AG. Zo voeren zij aan dat de h. G. in 2004 opnieuw als adviseur van de h. D. is opgetreden in het kader van discussies met H. AG over het niet-concurrentiebeding, dat ter sprake was gekomen in het kader van commerciële overeenkomsten van de firma P.

Advies bij een discussie of geschil over de naleving van het niet-concurrentiebeding staat los van de bijstand of het advies bij de onderhandelingen die werden gevoerd tussen de h. D. en H. AG / W. naar aanleiding van de beëindiging van de samenwerking en die hebben geresulteerd in het sluiten van een dading met een niet-concurrentiebeding. Beide vormen afzonderlijke taken of opdrachten van de advocaat.

Het advies en de bijstand die de h. G. in 2007 heeft verleend naar aanleiding van de aanslag van ambtswege en de eventuele aansprakelijkheid van E. & Y.T.C., staat eveneens los van het advies en de bijstand naar aanleiding van de beëindiging van de samenwerking tussen de h. D. en H. AG. Het feit dat de aanslag van ambtswege een gevolg was van het niet-concurrentiebeding dat werd gesloten naar aanleiding van de beëindiging van de samenwerking tussen de h. D. en H. AG, doet daaraan geen afbreuk. De h. D. en mevr. H. hebben aan de h. G. in 2007 een nieuwe opdracht toevertrouwd.

Deze nieuwe opdracht kan evenmin worden gezien als een stuitingsdaad. Niet alleen valt de brief van 17 december 2007 van de h. G. aan E. & Y.T.C., waarnaar de h. D. en mevr. H. verwijzen, buiten de oorspronkelijke verjaringstermijn, maar bovendien geldt hij niet als een stuitingsdaad in de zin van art. 2244 BW. De brief is immers niet gericht aan de h. G., maar gaat van hem uit en is gericht aan E. & Y.T.C.

De rechtbank besluit dan ook dat de aansprakelijkheidsvordering tegen verwerende partijen voor wat de eerste kwestieuze opdracht van de h. G. betreft, werd ingeleid na het verstrijken van de verjaringstermijn.

27. De tweede kwestieuze opdracht betreft de taak van de h. G. om de belastingaangiftes van de h. D. en mevr. H. in te dienen. De h. G. trad daarbij op als gevolmachtigde van de h. D. en mevr. H., m.a.w. er is sprake van een overeenkomst van lastgeving tussen de h. D. en mevr. H. enerzijds en de h. G. anderzijds. Deze opdracht van de h. G. was een periodieke opdracht die liep van circa 1996 tot en met 2005, zoals de raadsman van de h. D. en mevr. H. zelf aanvoert in zijn brief aan de h. G. van 20 juni 2013.

Het mandaat van de h. G. is derhalve verstreken in 2005.

De h. D. en mevr. H. zien ten onrechte de briefwisseling met E. & Y.T.C. in 2008, de neerlegging van de betwisting van de aanslag in 2008 en de briefwisseling met E. & Y.T.C. in 2009 als een duidelijke uiting van de continuïteit van de advies- en bijstandsopdrachten van de h. G. in zijn hoedanigheid van raadsman tegenover de fiscale administratie en van de opdracht die erin bestond om negatieve consequenties van de betrekkingen tussen de h. D. en H. AG op fiscaal vlak te vermijden. De opdracht om negatieve consequenties van de betrekkingen tussen de h. D. en H. AG op fiscaal vlak te vermijden, is een onderdeel van het advies en de bijstand bij de onderhandelingen tussen H. AG en de h. D. naar aanleiding van de beëindiging van hun samenwerking. Zoals hiervoor reeds geoordeeld, is deze opdracht beëindigd bij de ondertekening van de dading van 23 september 2002.

Los van deze opdracht, die een dienstverlening inhoudt, trad de h. G. op als gevolmachtigde van de h. D. en mevr. H. t.a.v. de Belgische belastingadministratie. De voornaamste taak hierbij was de jaarlijkse neerlegging van de belastingaangifte die klaarblijkelijk niet of onvolledig is gebeurd in 2003.

Nog los van voormelde opdrachten staat de opdracht van advies en bijstand van de h. D. en mevr. G. naar aanleiding van de aanslag van ambtswege, waarbij de h. G. van oordeel was dat E. & Y.T.C. verantwoordelijk was voor deze aanslag en de h. D. en mevr. H. adviseerde om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen.

Aangezien het mandaat van de h. G. om de belastingaangiftes van de h. D. en mevr. H. in te dienen, is verstreken in 2005, is de vordering tegen de h. G. op dit punt ingesteld na het verstrijken van de verjaringstermijn.

28. De h. D. en mevr. H. trachten het aanvangspunt van de verjaringstermijn te verplaatsen door te stellen dat de h. G. hen vóór 23 mei 2013 niet in de mogelijkheid heeft gesteld om zijn aansprakelijkheid op te werpen, omdat de h. G. altijd E. & Y.T.C. als verantwoordelijke heeft aangewezen en elementen van het dossier m.b.t. zijn betrokkenheid heeft achtergehouden.

Voor dit criterium bestaat geen juridische grondslag. Bovendien merken verwerende partijen terecht op dat deze zienswijze feitelijke grondslag mist, aangezien de h. D. en mevr. H. reeds einde 2007 aan de h. G. vroegen om het schadegeval te melden aan zijn verzekeraar en mondeling voorbehoud formuleerden m.b.t. zijn aansprakelijkheid (...).

29. Gelet op het bovenstaande, besluit de rechtbank dat de vordering van de h. D. en mevr. H. tegen de h. G. en de BVBA F.G. onontvankelijk is ingevolge verjaring.

3.2. Ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering tegen de NV A.B.

30. De vordering van de h. D. en mevr. H. tegen de NV A.B. betreft een rechtstreekse vordering van de benadeelde tegen de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de h. G. ((oud) art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst; thans art. 150 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, in werking getreden op 1 november 2014).

31. Verwerende partijen merken terecht op dat de collectieve polis waarbij de NV A.B. de beroepsaansprakelijkheid van de advocaten van de balie Antwerpen verzekerde, een einde nam op 31 december 2002, zodat de beweerde fout van de niet-neerlegging van de belastingaangifte in 2003 buiten de dekkingsperiode van de polis valt. De vordering die betrekking heeft op de niet-neerlegging van de belastingaangifte in 2003, is bijgevolg ongegrond.

32. Wat de feiten betreft die wel onder de dekking van de polis vallen, zijn verwerende partijen van oordeel dat de vordering is verjaard op grond van (oud) art. 34, § 2, eerste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst (thans art. 88, § 2, eerste lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, in werking getreden op 1 november 2014).

Deze bepaling schrijft voor dat de vordering die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar op grond van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst, verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit. De h. D. en mevr. H. lijken te willen aantonen dat zij pas op een later tijdstip (in 2013) kennis hebben gekregen van hun recht tegen de verzekeraar ((oud) art. 34, § 2, tweede lid Wet Landverzekeringsovereenkomst; thans art. 88, § 2, tweede lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, in werking getreden op 1 november 2014).

De verjaringstermijn vangt aan op 23 september 2002, dit is de datum van het schadeverwekkend feit.

Indien de toepassing van art. 34, § 2, tweede lid Wet Landverzekeringsovereenkomst wordt aanvaard, begint de verjaringstermijn te lopen op het ogenblik dat de h. D. en mevr. H. kennis kregen van hun recht tegen de NV A.B.

Zoals hiervoor reeds geoordeeld, formuleerden de h. D. en mevr. H. reeds einde 2007 mondeling voorbehoud m.b.t. de aansprakelijkheid van de h. G. en vroegen zij aan deze laatste om het schadegeval te melden aan zijn verzekeraar (...). De vijfjarige verjaringstermijn is dan ook ten laatste beginnen te lopen eind 2007, zodat de vordering laattijdig is ingesteld.

De vordering van de h. D. en mevr. H. tegen de NV A.B. is bijgevolg onontvankelijk wat de feiten betreft die onder de dekking van de polis vallen.

Noot: 

W. Vandenbussche en L. Oplinus, De taak van de advocaat in het licht van het bijzondere verjaringsregime van art. 2276bis BW, RW 2017-2018, 1057

I. Het geannoteerde vonnis
II. Verjaringsregime van art. 2276bis BW
III. Taak van de advocaat
A. Aard van de taak
B. Globale taak of deeltaak
1° Klassieke visie: de globale taak
2° Het geannoteerde vonnis: de deeltaak
IV. Analyse
A. Belangenevenwicht
B. Keuze van criteria
C. Proliferatie van aansprakelijkheidsvorderingen
V. Alternatieve denksporen

Rechtsleer:

• P. Depuydt, De aansprakelijkheid van advokaten en gerechtsdeurwaarders. Civiel-, proces-en verzekeringsaspekten, Antwerpen, Kluwer, 1983, 154

• A. Van Oevelen, «De beëindiging van het mandaat van de advocaat» in Liber Amicorum Jo Stevens, Brugge, die Keure, 2011, (603) 619

• I. Claeys, «Opeisbaarheid, kennisname en schadeverwekkend feit als startpunt van de verjaring» in I. Claeys (ed.), Verjaring in het privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Mechelen, Kluwer, 2005, 46-47

• P. Depuydt, De aansprakelijkheid van de advocaat, Brussel, Larcier, 2006, 244).

• W. Vandenbussche en D. Vervoort, «De aansprakelijkheid van de advocaat en de bemiddelaar. Advocare, mediare, ... errare?» in I. Samoy en Jura Falconis (eds.), Professionele aansprakelijkheid, 2015, 113

Rechtspraak

Volgens het Hof van Cassatie is het mandaat van de advocaat beëindigd op het moment waarop «de opdrachtgever ondubbelzinnig een einde maakt aan zijn mandaat, ook al stelt de advocaat nadien handelingen ingevolge die beëindiging» (Cass. 29 april 2005, C.03.0611.N, Arr.Cass. 2005, 968. Zie ook: Cass. 20 maart 2003, C.02.0065.F, Arr.Cass. 2003, 683). Art. 2276bis BW heeft daarnaast al tweemaal een grondwettigheidstoets doorstaan (GwH 23 maart 2005, nr. 61/2005, Arbitragehof 30 oktober 2001, nr. 137/2001).

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 24/02/2018 - 18:16
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 20:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.