-A +A

Aansprakelijkheid wegens gebrek in gelijkgrondse berm

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
vri, 27/05/2016

Art. 135, § 2 van de Gemeentewet legt de gemeentelijke overheid de verplichting op tot het voorkomen, door gepaste maatregelen, van ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of niet, tenzij een vreemde oorzaak, die de gemeente niet kan worden aangerekend, haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te komen (Cass. 26 mei 1994, RW 1994-95, 745). Een abnormaal gevaar is een toestand die van aard is het rechtmatig vertrouwen van de weggebruiker te verschalken en waarbij een normaal voorzichtige en redelijke overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, tussenbeide komt. Volgens een vaste rechtspraak maakt de gemeentelijke veiligheidsverplichting geen resultaatsverbintenis maar een inspanningsverbintenis uit .

Daarnaast bestaat een gebrekkige toestand in de zin van art. 1384, eerste lid BW uit een abnormaal kenmerk. Het criterium dat de actuele rechtspraak hanteert om tot het bestaan van een gebrek van de weg te besluiten, is de vraag of de openbare weg nog beantwoordt aan zijn normale veilige structuur. Wanneer de weg geen veilige mobiliteit mogelijk maakt, kan men die weg als abnormaal kenmerken.

Hoewel de gelijkgrondse berm, anders dan de rijbaan, in de regel niet is ingericht voor het voertuigenverkeer in het algemeen, dient toch te worden beklemtoond dat de overheid als beheerder van de openbare weg de weggebruiker niet mag verschalken in zijn normale verwachtingen en geen afbreuk mag doen aan het vertrouwensprincipe.

Het feit dat de aansprakelijkheid van de overheid betrokken is, sluit evenwel niet uit dat ook de aansprakelijkheid van de weggebruiker kan betrokken zijn. Elke weggebruiker is immers de eerste bewaker van zijn eigen veiligheid en dient de nodige voorzorgmaatregelen te nemen.

Het Wegverkeersreglement laat toe dat in bepaalde omstandigheden de gelijkgrondse berm wordt gevolgd, maar dit impliceert niet dat de bestuurders verplicht zijn om de gelijkgrondse berm te gebruiken. Wanneer het kruisen wegens de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan worden uitgevoerd, moeten de bestuurders zelf beoordelen of ze veilig op de berm kunnen uitwijken

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1430
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA M&S t/ Gemeente Oostkamp

...

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 990 euro in hoofdsom, als schadevergoeding voor een verkeersongeval te Oostkamp op 27 augustus 2013.

De vordering is gebaseerd op een fout van verweerster in de zin van art. 1382 BW, geconcretiseerd door art. 135, § 2 Gemeentewet, alsook op grond van art. 1384, eerste lid BW.

Verweerster betwist haar aansprakelijkheid voor het ongeval en de eruit voortvloeiende schade.

Een afschrift van het strafdossier, gekend onder notitienummer (...) van het parket van de procureur des Konings te West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie politiezaken, (geseponeerd), wordt voorgelegd.

B. Beoordeling

1. Op 27 augustus 2013 om 18 u 30 deed er zich een verkeersongeval voor te Oostkamp in de Bergenstraat (...). De lichte vrachtwagen (...) met kentekenplaat (...), bestuurd door S.V. en eigendom van eiseres, zakte weg in de gelijkgrondse berm en kwam vervolgens in de gracht terecht.

Het ongeval deed zich voor op een landelijke weg buiten de bebouwde kom. De maximale toegelaten snelheid is er 90 km per uur. De rijbaan heeft een breedte van 3,95 m en is niet verdeeld in rijstroken. Aan beide zijden van de rijbaan is er een gelijkgrondse berm die uit grind en grasgroei bestaat. Over een breedte van 35 cm is de grindstrook, die aansluit op het verharde wegdek, aangedamd. Het strafdossier bevat foto’s van de plaatsgesteldheid.

Op het tijdstip van het ongeval was het nog klaarlichte dag.

S.V. gaf aan de verbalisanten het volgende relaas over de omstandigheden van het ongeval: «(...) Ik volgde er de Bergenstraat om mij te begeven in de richting van Ruddervoorde. Ik reed aan een constante snelheid van 50 à 60 km per uur. Plots kwam een voertuig uit tegenliggende richting. Ik diende uit te wijken op de berm, naast de rijbaan. Ik zakte echter weg in de berm en kwam in de gracht terecht. De berm is recentelijk met losliggend grind opgevoerd. De tegenligger vervolgde zijn weg zonder zich om de situatie te bekommeren. Ik kan het voertuig niet beschrijven. (...)»

Uit het verhoor van de bestuurder van het (vermoedelijke) kruisende voertuig, A.V., blijkt dat deze persoon geen weet had van een ongeval: «Ik heb geen weet van dit voertuig, evenmin dat dit aldaar in de gracht terecht kwam. Ik heb niets gezien.»

Er waren geen getuigen van het ongeval.

Volgens de vaststellingen van de verbalisanten liep het voertuig van eiseres schade op over de volledige rechter zijflank.

2. Eiseres baseert haar vordering op (1) een fout in de zin van art. 1382 BW, geconcretiseerd door art. 135, § 2 van de Gemeentewet en (2) een gebrek van de zaak in de zin van art. 1384, eerste lid BW.

Art. 135, § 2 van de Gemeentewet legt de gemeentelijke overheid de verplichting op tot het voorkomen, door gepaste maatregelen, van ieder abnormaal gevaar, zichtbaar of niet, tenzij een vreemde oorzaak, die de gemeente niet kan worden aangerekend, haar verhindert haar veiligheidsverplichting na te komen (Cass. 26 mei 1994, RW 1994-95, 745). Een abnormaal gevaar is een toestand die van aard is het rechtmatig vertrouwen van de weggebruiker te verschalken en waarbij een normaal voorzichtige en redelijke overheid, in dezelfde omstandigheden geplaatst, tussenbeide komt (Antwerpen 12 maart 1998, TAVW 1999, 33). Volgens een vaste rechtspraak maakt de gemeentelijke veiligheidsverplichting geen resultaatsverbintenis maar een inspanningsverbintenis uit (Cass. 28 januari 2005, RW 2005-06, 1540).

Daarnaast bestaat een gebrekkige toestand in de zin van art. 1384, eerste lid BW uit een abnormaal kenmerk. Het criterium dat de actuele rechtspraak hanteert om tot het bestaan van een gebrek van de weg te besluiten, is de vraag of de openbare weg nog beantwoordt aan zijn normale veilige structuur. Wanneer de weg geen veilige mobiliteit mogelijk maakt, kan men die weg als abnormaal kenmerken (D. Van Trimpont, «Overheidsaansprakelijkheid» in F. Glorieux, G. Jocqué en R. Sierens (eds.), Wet en duiding Wegverkeer, deel 2, Larcier, 2012, tweede bijgewerkte editie, 971).

3. Uit de vaststellingen en het relaas van de verbalisanten blijkt dat het voertuig van eiseres de rijbaan verliet «om een strook bestaande uit aangedamd grind te gebruiken, om daarna in de grasberm terecht te komen en in de gracht te kantelen».

Het feit dat er verder slechts summiere en eenzijdige gegevens voorhanden zijn over de exacte omstandigheden van het ongeval en het rijgedrag van de tegenligger, doet geen afbreuk aan het bovenvermelde essentiële feitenrelaas. Het komt voldoende bewezen voor dat bestuurder V. niet zomaar door een stuurfout in de gracht is terechtgekomen, maar wel door weg te zakken na gebruik te hebben gemaakt van de gelijkgrondse berm. Ook de verbalisanten, van wie redelijkerwijze mag worden verwacht dat zij toch over de nodige ervaring beschikken inzake vaststellingen van verkeersongevallen, hebben geen twijfels geuit over de waarachtigheid en/of de geloofwaardigheid van de feiten zoals door S.V. verklaard.

4. Hoewel de gelijkgrondse berm, anders dan de rijbaan, in de regel niet is ingericht voor het voertuigenverkeer in het algemeen, dient toch te worden beklemtoond dat de overheid als beheerder van de openbare weg de weggebruiker niet mag verschalken in zijn normale verwachtingen en geen afbreuk mag doen aan het vertrouwensprincipe (D. Van Trimpont, «De aansprakelijkheid van de wegbeheerder anno 2001. Een praktijkgerichte stand van zaken», TAVW 2001, 243-259; R. Poté, Handboek Verkeerswetgeving, Hoofdstuk XLII, nrs. 28-29).

De gemeentelijke veiligheidsverplichting strekt zich overigens uit tot de gelijkgrondse berm (Cass. 20 april 2001, RW 2002-03, 982).

In voorliggend geval komt het de rechtbank voor dat de gelijkgrondse berm op weinig zorgvuldige wijze werd ingericht. De foto’s tonen aan dat de grindstrook onmiddellijk aansloot bij het geasfalteerde wegdek, dat aan de rand zelfs wat afbrokkelde, waardoor er geen strak onderscheid was tussen de rijbaan en de gelijkgrondse berm. Zonder enige afbakening van de rand van de rijbaan werd onmiddellijk aansluitend een strook aangedamd grind aangelegd, die de weggebruikers een vals gevoel van veiligheid en stevigheid van het wegdek gaf. De overheid heeft de (verkeerde) indruk gewekt dat de grindstrook berijdbaar was voor het verkeer. Er werd evenmin enige verkeerssignalisatie geplaatst om te wijzen op de aanwezigheid en het gevaar van een zachte berm.

Eiseres voert dan ook terecht aan dat verweerster is tekortgekomen aan de op haar rustende veiligheidsverplichting. Ofwel had de gemeente maatregelen moeten nemen om de gelijkgrondse berm veiliger in te richten door hem adequaat te verharden of minstens duidelijker van de rijbaan af te bakenen, ofwel had zij de aanwezigheid van een zachte berm op een behoorlijke wijze moeten signaleren door bijvoorbeeld een gevaarbord te plaatsen.

Aangezien verweerster aansprakelijk is op grond van art. 135, § 2 Gemeentewet, moet de rechtbank niet verder onderzoeken of haar aansprakelijkheid ook op grond van art. 1384, eerste lid BW kan worden aangenomen.

5. Het feit dat de aansprakelijkheid van de overheid betrokken is, sluit evenwel niet uit dat ook de aansprakelijkheid van de weggebruiker kan betrokken zijn. Elke weggebruiker is immers de eerste bewaker van zijn eigen veiligheid en dient de nodige voorzorgmaatregelen te nemen.

Het Wegverkeersreglement laat toe dat in bepaalde omstandigheden de gelijkgrondse berm wordt gevolgd, maar dit impliceert niet dat de bestuurders verplicht zijn om de gelijkgrondse berm te gebruiken. Wanneer het kruisen wegens de breedte van de rijbaan niet gemakkelijk kan worden uitgevoerd, moeten de bestuurders zelf beoordelen of ze veilig op de berm kunnen uitwijken (zie o.a. Antwerpen 2 april 1998, TAVW 1999, 134; Rb. Brugge, 10e kamer, 4 november 2010, onuitg. AR 09/2319/A; Pol. Brugge, 13 oktober 2008, RW 2008-09, 1446, noot A. Vandeplas).

In voorliggend geval tonen de gegevens van het proces-verbaal en de foto’s aan dat het ongeval is gebeurd op een landelijke rijbaan met daarnaast een smalle gelijkgrondse berm, gedeeltelijk begroeid met gras, en met onmiddellijk daarnaast een gracht. Een dergelijke plaatsgesteldheid had bestuurder V. moeten aansporen tot bijzondere alertheid en hij had redelijkerwijze moeten beseffen dat de aanwezigheid van de gracht naast de smalle berm het gebruik ervan risicovol maakte en dat hij er zich slechts behoedzaam mocht op begeven. Indien betrokkene op de rijbaan niet kon kruisen met zijn tegenligger, dan hadden hijzelf of zijn tegenligger eventueel moeten achteruitrijden tot op een plaats waar de weg wel voldoende breed was om te kruisen.

Bovendien blijkt uit de verklaring van S.V. alsook uit het afgelegde traject in de gelijkgrondse berm en de gracht dat betrokkene voortvarend en aan een onaangepaste snelheid heeft gereden. Bij het kruisen moet een bestuurder vertragen en zo nodig stoppen indien de plaatsgesteldheid het niet mogelijk maakt om veilig te kruisen.

Aldus heeft betrokkene niet enkel de algemene zorgvuldigheidsnorm overtreden, maar ook art. 10.1.1o Wegverkeersreglement niet nageleefd. Ook dit foutief rijgedrag staat in oorzakelijk verband met het ongeval en de eruit voorgevloeide schade.

6. Dit leidt tot het besluit dat de aansprakelijkheid tussen beide partijen moet worden verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de fout van beide in gelijke mate tot het ongeval bijgedragen, zodat elk voor de helft aansprakelijk wordt gesteld voor het ongeval.

7. Cijfermatig bestaat er enkel betwisting over de vergoeding voor de wachttijd en voor de verplaatsings- en administratiekosten.

De expertise werd verricht op 29 augustus 2013, zodat eiseres terecht twee dagen wachttijd in rekening brengt.

De verplaatsings- en administratiekosten worden door de rechtbank in redelijkheid op een forfaitair bedrag van 75 euro begroot.

Bijgevolg is aan eiseres toewijsbaar: 750 euro (saldo voertuigschade) + 40 euro (wachttijd) + 100 euro (herstelduur) + 75 euro (verplaatsingen en administratie) = 965 euro × 1/2 (verdeelsleutel aansprakelijkheid) = 482,50 euro.

De vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet worden toegekend vanaf 27 augustus 2013.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/05/2017 - 09:50
Laatst aangepast op: za, 13/05/2017 - 09:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.