-A +A

Aansprakelijkheid wegens gebrek aan het wegdek. Steenpuin op de rijbaan.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Turnhout
Datum van de uitspraak: 
vri, 19/12/2008
Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschriften van de politierechters
Jaargang: 
2014
Pagina: 
40
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

I.                    De feiten
 
Ongeval op de E313 op 05.11.2009 om 7.15u waarbij een voertuig in aanrijding kwam met een groot brok steenpuin dat zich op het midden van de rijbaan bevond.
 
II.                  In rechte
A.     Aansprakelijkheid
 
 
Blijft de vraag of de E313 op de gezegde plaats en tijd met inachtname van de hiervoor geschetste omstandigheden gebrekkig was en het Vlaamse Gewest dat in termen van pleidooien en besluiten als niet-betwist bewaarder dient aanzien te worden, aansprakelijk is op grond van artikel 1384, lid 1 BW, minstens artikel 1382-1383 BW.
 
Volgens de actuele stand van de rechtspraak is een zaak gebrekkig in de zin van artikel 1384, lid 1 BW indien zij een abnormaal gebrek vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.
 
Dit abnormale gebrek moet enerzijds geen intrinsiek gebrek betreffen of een blijvend element dat inherent is aan de zaak en zich voordoet buiten ieder toedoen van een derde.
 
Anderzijds is het niet voldoende om een zaak als gebrekkig te beschouwen dat aan die zaak iets wordt toegevoegd waardoor de schade ontstaat.
 
Vereist is dat de zaak in haar geheel een abnormaal kenmerk vertoont (Cassatie 17.01.2003, TBBR, 2004, 86 en volgende met noot S. Mosselmans, “Het gebrek van de samengestelde zaak” (artikel 1384, lid 1 BW).
 
De recente rechtspraak beoordeelt inzake gebreken in het wegennet het abnormaal zijn van een gevaar met in achtneming van het bestaan van een toestand waarop een normaal voorzichtige en redelijke overheid in dezelfde omstandigheden geplaatst, tussen beide komt (Antwerpen, 12.03.1998, TAVW 1999, 33).
 
Het criterium dat de actuele rechtspraak hanteert om tot het bestaan van een gebrek te besluiten is de vraag of het wegdek, de stoep, de rijbaan, het fietspad enzovoort nog beantwoordt aan zijn normale veilige structuur (Rechtbank Brussel, 02.10.2003, VAV 2004, 188; Rechtbank Gent, 27.10.2003, VAV 2004, 440; D. Van Trienpont, “de aansprakelijkheid van de wegbeheerder anno 2001, een praktijkgerichte stand van zaken”, TAVW 2001, 247; Politierechtbank Brugge, 26.12.2008, RW 2010-2011, 461).
 
In deze neemt de rechtbank weliswaar aan, minstens het tegendeel wordt niet aangetoond dat het wegdek als dusdanig, dit wil zeggen de eigenlijke wegbedekking, niet aangetast was door een gebrek, doch dit impliceert niet zonder meer dat de rijbaan, welk begrip een ruimere invulling (zie artikel 2 straatcode) kent dan het eigenlijke wegdek, derhalve evenmin aangetast was door een gebrek.
 
Bij het nemen van een afrit van een autostrade hoeft een automobilist wiens aandacht prioritair dient uit te gaan naar zijn rechten en plichten ten opzichte van de mogelijke andere weggebruikers (zie Politierechtbank Antwerpen, 08.07.2005, VAV, 2007, 119) zich immers niet te verwachten  aan de confrontatie met een brok steenpuin.
 
In de gegeven omstandigheden beantwoordde met rijbaan naar het oordeel van deze rechtbank niet aan de actuele maatschappelijke verwachtingen inzake veilig verkeer en dito mobiliteit, want zonder meer potentieel schadeverwekkend, waarbij volgens de actuele stand van de rechtspraak de oorsprong van het gebrek evenals de vraag of de bewaarder van de zaak kennis had van het gebrek volledig irrelevant zijn (Vandenberghe en andere, “Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad”, TPR 1987, pagina 1255, nr. 74; Politierechtbank Antwerpen, 04.06.1998, de Verz. 1999, 553) en de al dan niet zichtbaarheid van het gebrek door de benadeelde evenmin terzake dienende is (Cass. 26.05.1994, RW, 1994-1995, 745 en Cass. 12.01.2001, TAVW 2001, 260), vermits de omstandigheid dat een gebrekkige of gevaarlijke toestand tijdig zichtbaar is, de causaliteit tussen het gebrek en het ongeval niet doorbreekt (Vandenberghe en andere, TPR, 1980, 1139 ev., geciteerd in Politierechtbank te Gent, 19.01.2004, RW, 2007-2008, 118 ev.).
 
Besluit:
 
Het Vlaamse Gewest is aansprakelijk op grond van artikel 1384, lid 1 BW.
 
Een verder onderzoek in zake een eventuele schending van de artikelen 1382 en 1383 BW is in de gegeven omstandigheden niet aan de orde.
 
Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat ook de bestuurder zelf een fout kan begaan die, in bevestigend geval leidt tot deling van de aansprakelijkheid, niet tot opheffing van de aansprakelijkheid van het Vlaamse Gewest.
 
Elke weggebruiker is immers de eerste bewaker van zijn eigen veiligheid. Hij dien de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen en steeds waakzaam te zijn wanneer hij de openbare weg volgt: Rechtbank Brussel, 05.12.1996, verkeersrecht 1997, 70.
 
Om een eigen samenlopende fout van de weggebruiker te weerhouden moet bewezen zijn dat het gebrek of de gevaartoestand van op afstand zichtbaar was en de bestuurder bij het zien van het gevaar in staat is geweest dit te ontwijken zonder gevaar voor zichzelf of voor derden (D. Van Thrienpont, “ De aansprakelijkheid van de wegbeheerder anno 2001, een praktijkgerichte stand van zaken, TAVW 2001, 247).
 
Het Vlaamse Gewest op wie terzake de bewijslast rust, verwijt de bestuurder een inbreuk te hebben gepleegd op de artikelen 10.1.2de en 10.1.3de Straatcode.

 

Enig objectief gegeven dat de bestuurder een inbreuk zo gepleegd hebben op deze artikelen acht de rechtbank niet voor handen nu uit geen enkel element in de strafinformatie blijkt dat een normaal aandachtige en vooruitziende weggebruiker de brok steenpuin had moeten zien en voorzien.

Het gegeven dat de voorliggende vrachtwagenchauffeur er wel in slaagde een aanrijding met het steenpuin te vermijden, bewijst op zichzelf niet dat de bestuurder onvoldoende afstand begint.
 

 

 

Noot: 

Na hoge beroep werd cassatieberoep aangetekend waarbij het Hof van Cassatie uitspraak deed op 31.10.2013 (T. Pol. 2014, 43).

Het Hof van Cassatie verbreekt de uitspraak in beroep en stelt:

Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid BW, wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Het is niet voldoende om een zaak als gebrekkig te beschouwen dat aan de zaak iets wordt toegevoegd waardoor schade ontstaat.

Vereist is dat de zaak in haar geheel een abnormaal kenmerk vertoont.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/04/2014 - 16:22
Laatst aangepast op: za, 13/05/2017 - 09:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.